Chapter, Verse
1 1, 16| 16 Haar gehele huis vervult zij met haar wellustigheden,
2 4, 35| niet als een leeuw in uw huis, en onder uw huisknechten
3 11, 30| Leid niet een ieder in uw huis, want de lagen van de lasteraar
4 11, 35| 35 Laat een vreemde in uw huis wonen, en hij zal u door
5 14, 24| 24 Wie nabij haar huis herberg neemt en in haar
6 21, 5 | verwoesten rijkdom; zo zal het huis der hovaardigen verwoest
7 21, 9 | 9 Wie zijn huis met geld van andere lieden
8 21, 21| 21 Gelijk een huis dat vergaan is, zo is de
9 21, 25| dwaas is haastig tot een huis in te gaan, maar een mens,
10 21, 26| zal over de deur in het huis kijken, maar een man die
11 23, 10| en de gesel zal van zijn huis niet wijken.~
12 23, 12| gerechtvaardigd worden, want zijn huis zal vervuld worden met aangehaalde
13 24, 7 | om in iemands erfenis te huis te zijn.~
14 26, 17| in het sieraad van haar huis.~
15 27, 3 | Heren houdt, zo zal zijn huis haastig omgekeerd worden.~
16 29, 25| brood en een kleed, en een huis dat bedekt hetgeen niet
17 29, 27| hoort het verwijt van uw huis.~
18 29, 28| ellendig leven uit het ene huis in het andere te vertrekken,
19 29, 31| heerlijk aangezicht, ik heb het huis nodig, mijn broeder is bij
20 29, 32| bestraffing vanwege het huis, en het verwijt van die
21 32, 12| laatsten; loop heen naar huis, en vertraag niet.~
22 42, 13| ontreinigd, en in haars vaders huis zwanger worde, en hebbende
23 47, 15| opdat hij voor zijn naam een huis zou oprichten, en een heiligdom
24 48, 17| over, en een overste in het huis van David.~
25 49, 14| Josadak, die in hun dagen het huis weder hebben gebouwd, en
26 50, 1 | welke in zijn leven het huis des Heren heeft vermaakt,
27 50, 5 | door de uitgang uit het huis waar het voorhangsel voorhangt.~
28 51, 31| zijt, en overnacht in het huis der onderwijzing.~
|