Chapter, Verse
1 3, 20| 20 Hoe groter gij zijt, verneder
2 6, 21| 21 Och hoe rauw is zij de ongeleerden!
3 8, 12| zult gij verstand leren, en hoe gij in de tijd als het nodig
4 17, 25| 25 Hoe groot is de ontferming des
5 20, 1 | 1 HOE veel beter is het te bestraffen
6 20, 7 | 7 Hoe fraai is het, dat degene
7 20, 17| 17 Hoe menigmaal, en hoe velen
8 20, 17| 17 Hoe menigmaal, en hoe velen zullen hem bespotten!
9 25, 5 | hebt gij niet vergaderd, en hoe zoudt gij wat vinden in
10 25, 7 | 7 Hoe schoon staat de ouden wijsheid,
11 25, 13| 13 Hoe groot is bij die wijsheid
12 27, 6 | van de boom doet blijken hoe men die heeft verpleegd,
13 28, 11| 11 Hoe meer hout men in het vuur
14 28, 11| hout men in het vuur legt, hoe meer het brandt; hoe meer
15 28, 11| legt, hoe meer het brandt; hoe meer het gekijf wordt gesterkt,
16 28, 11| het gekijf wordt gesterkt, hoe meer het vuur toeneemt;
17 28, 11| meer het vuur toeneemt; hoe sterker de mens is, hoe
18 28, 11| hoe sterker de mens is, hoe sterker zijn gramschap is;
19 28, 11| sterker zijn gramschap is; en hoe rijker de mens is, hoe meer
20 28, 11| en hoe rijker de mens is, hoe meer hij zijn toorn verheft.~
21 31, 21| 21 Hoe weinig is genoeg voor een
22 35, 23| 23 Hoe tijdig is de barmhartigheid
23 41, 1 | 1 O dood, hoe bitter is de gedachtenis
24 42, 28| 28 Hoe waardig zijn al zijn werken
25 46, 3 | 3 Hoe is hij verheerlijkt geworden,
26 47, 16| 16 Hoe wijs was hij in zijn jeugd?
27 48, 3 | uit de hemel nederkomen. Hoe zijt gij verheerlijkt geworden
28 49, 13| 13 Hoe zullen wij Zerubbabel genoeg
|