Chapter, Verse
1 2, 8 | en eeuwige verheuging en barmhartigheid.~
2 2, 9 | Here vreest, verbiedt zijn barmhartigheid en wijkt niet af, opdat
3 2, 13| barmhartige, moedig en van grote barmhartigheid, vergeeft de zonden, en
4 2, 23| heerlijkheid is, zo is ook zijn barmhartigheid.~ ~ ~ ~
5 3, 15| 15 Want de barmhartigheid, die gij uw vader bewijst,
6 5, 7 | 7 Want barmhartigheid en toorn zal bij hem haasten,
7 16, 13| 13 Gelijk zijn barmhartigheid groot is, zo is ook zijn
8 16, 15| geslacht onder de hemel; zijn barmhartigheid is alle schepselen openbaar,
9 17, 17| 17 Want de barmhartigheid tegen de man is gelijk een
10 18, 10| lankmoedig over hen, en giet zijn barmhartigheid op hen uit.~
11 18, 12| 12 De barmhartigheid van de mens gaat over zijn
12 18, 12| over zijn naaste, maar de barmhartigheid. des Heren over alle vlees.~
13 23, 3 | van welke de hoop van uw barmhartigheid verre is.~
14 28, 4 | 4 En hij heeft geen barmhartigheid over een mens die hem gelijk
15 29, 1 | 1 WIE barmhartigheid oefent, die leent zijn naaste
16 35, 22| hen doen verheugen in zijn barmhartigheid.~
17 35, 23| 23 Hoe tijdig is de barmhartigheid in de tijd der verdrukking;
18 36, 15| 15 Bewijs barmhartigheid aan uw heilige stad Jeruzalem,
19 36, 25| 25 Is dan op haar tong barmhartigheid, en zachtmoedig heid, en
20 44, 11| Doch dezen zijn mannen der barmhartigheid, welker gerechtigheden niet
21 44, 26| voortgebracht een man der barmhartigheid, die gunst gevonden heeft
22 46, 9 | tijde van Mozes deed hij barmhartigheid, hij en Kaleb de zoon van
23 47, 23| Doch de Here verliet zijn barmhartigheid niet, en werd gans niet
24 50, 23| riet ons handelt naar zijn barmhartigheid.~
25 50, 24| getrouw aan ons bewijze zijn barmhartigheid, en ons verlosse in onze
26 51, 4 | verlost naar de menigte der barmhartigheid van uw naam, uit de tanden
27 51, 10| 10 Toen gedacht ik aan uw barmhartigheid, Here, en aan uw werken
28 51, 37| ziel verheuge zich over de barmhartigheid des Heren, en schaamt u
|