bold = Main text
Chapter, Verse grey = Comment text
1 1, 31| 31 Want de Here zal al uw verborgen
2 3, 31| 31 Het water blust het vlammende
3 4, 31| 31 Schaam u niet uw zonden
4 6, 31| 31 Want een gulden versiersel
5 7, 31| 31 En geef hem zijn deel, gelijk
6 10, 31| 31 Mijn kind verheerlijk uw
7 11, 31| 31 Gelijk een gevangen veldhoen
8 13, 31| 31 Een groenend aangezicht
9 18, 31| 31 Indien gij uw zielen toereikt
10 20, 31| 31 Een mens die zijn dwaasheid
11 21, 31| 31 Een oorblazer besmet zijn
12 22, 31| 31 Wie zal mij een wacht aan
13 23, 31| 31 Deze zal in de gemeente
14 24, 31| 31 Want meer dan de zee zijn
15 25, 31| 31 Gaat zij niet naar uw hand,
16 26, 31| 31 Als een krijgsman ten laatste
17 29, 31| 31 Ga uit, inwoner, van dat
18 31 | 31~ ~
19 31, 31| 31 Wat voor een leven heeft
20 33, 31| 31 Indien gij hem onrechtvaardig
21 37, 31| 31 Want door veel spijs komt
22 38, 31| 31 Zo ook een smid, die nabij
23 39, 31| 31 Alle deze gelijk ze de godvrezende
24 40, 31| 31 In de mond des onbeschaamden
25 42, 31| 31 Het een bevestigt het goede
26 43, 31| 31 Verschrikkelijk is de Here,
27 45, 31| 31 En gelijk, volgens het verbond
28 51, 31| 31 Gemaakt tot mij, gij die
|