Chapter, Verse
1 1, 27| wijsheid en tucht, en zijn wel behagen is geloof en zachtmoedigheid.~
2 6, 11| 11 Als het u wel gaat zal hij zijn als gij,
3 6, 20| in haar werking zult gij wel een weinig vermoeid worden,
4 9, 15| dat, waarin de goddelozen wel behagen hebben; gedenk dat
5 12, 2 | 2 Doe wel aan de godvrezende, en gij
6 12, 15| 15 En de vijand zal wel met zijn lippen zoet spreken,
7 13, 31| een teken van een hart dat wel gesteld is, en vinding der
8 14, 3 | rijkdom voegt geen karig mens wel, en waartoe dient geld een
9 14, 7 | 7 Indien hij wel doet, hij doet het ongaarne,
10 15, 9 | des zondaars voegt niet wel, omdat hij hem van de Here
11 21, 8 | maar een verstandige merkt wel wanneer hij struikelt.~
12 21, 26| kijken, maar een man die wel opgevoed is, zal buiten
13 26, 15| niets waartegen men een wel onderwezen ziel verwisselen
14 29, 25| dat bedekt hetgeen niet wel voegt.~
15 29, 27| 27 Heb een welbehagen zo wel aan het kleine als aan het
16 31, 21| genoeg voor een mens die wel onderwezen is; en hij hijgt
17 32, 3 | hunnentwege verheugd zijt, en om wel versierd te wezen een kroon
18 32, 15| maken, zullen vinden wat hun wel behaagt.~
19 37, 1 | 1 IEDER vriend zal wel zeggen: Ik heb ook vriendschap
20 38, 36| zijn hart daartoe wat hij wel verglaze, en waakt om de
21 40, 3 | 3 Zo wel bij hem, die op de troon
22 40, 4 | 4 Zo wel bij hem, die een purperen
23 41, 6 | hetgeen de Allerhoogste wel behaagt?~
24 42, 5 | en dat gij de kinderen wel tuchtigt;~
25 43, 29| 29 Wij zouden wel veel dingen zeggen, maar
26 47, 12| feesten ingesteld dingen die wel staan, en de bestemde tijden
27 48, 18| 18 Enigen hunner deden wel hetgeen, God behagelijk
|