Chapter, Verse
1 4, 29| onderwijzing in de woorden der tong.~
2 4, 34| 34 Zijt niet stout met uw tong, en lui en slap in uw werken.~
3 5, 15| het spreken, en des mensen tong brengt hem ten val.~
4 5, 16| oorblazer noemen, en leg met uw tong geen lagen.~
5 6, 5 | vrienden, en een welsprekende tong vermenigvuldigt de vriendelijke
6 17, 6 | heeft hun gegeven raad, en tong, en ogen, oren, en een hart
7 19, 6 | 6 Wie zijn tong bedwingt, zal met degene
8 19, 16| en wie is er die met zijn tong niet struikelt?~
9 20, 18| vloer te vallen dan door een tong; zo zal de val der kwade
10 21, 8 | 8 Wie machtig is met de tong, die is van verre bekend,
11 22, 31| schielijk valse vanwege mijn tong, en zij mij niet verderve?~ ~ ~
12 25, 9 | het tiende zal ik met mijn tong zeggen:~
13 25, 11| vrouw woont, en die met de tong niet struikelt, en die niet
14 26, 7 | vrouw jaloers is, en met de tong geselt, en bij allen overbrengt,
15 26, 29| groot getier maakt, en de tong dapper weet te roeren, zal
16 28, 15| 15 De dubbele tong heeft velen bewogen, en
17 28, 17| 17 De dubbele tong heeft mannelijke vrouwen
18 28, 19| striemen, maar de slag der tong vermorzelt het gebeente.~
19 28, 20| er gevallen zijn door de tong.~
20 36, 25| 25 Is dan op haar tong barmhartigheid, en zachtmoedig
21 37, 19| het leven en de dood en de tong is het, die gedurig daarover
22 40, 20| toon, maar een liefelijke tong meer dan beide.~
23 51, 3 | de strik der lasterende tong; van de lippen dergenen
24 51, 7 | buiks, en van de onreine tong, van het leugenachtige woord,
25 51, 7 | van een onrechtvaardige tong.~
26 51, 30| 30 De Here heeft mij een tong gegeven tot mijn loon, en
|