Chapter, Verse
1 1, 5 | Het woord Gods, die in de allerhoogste plaatsen woont, is de fontein
2 7, 9 | gaven zien, en als ik God de Allerhoogste ofer, zo zal hij het aannemen.~
3 7, 15| de landbouw, die door de Allerhoogste geschapen is.~
4 12, 2 | niet bij hem, immers bij de Allerhoogste.~
5 12, 6 | 6 Want ook de Allerhoogste haat de zondaars, en de
6 17, 20| 20 Ga weder tot de Allerhoogste, en keer u af van ongerechtigheid,
7 17, 22| 22 Wie zal de Allerhoogste prijzen in het graf, in
8 23, 24| ziet mij, wat vrees ik? De Allerhoogste zal aan mijn zonden niet
9 23, 25| niet, dat de ogen van de Allerhoogste Here tienduizend maal klaarder
10 24, 26| des verbonds van God de Allerhoogste, de wet, welke Mozes bevolen
11 34, 6 | 6 Indien ze door de Allerhoogste u niet zijn toegezonden,
12 34, 20| 20 De Allerhoogste heeft geen welbehagen aan
13 35, 6 | reuk daarvan komt voor de Allerhoogste.~
14 35, 10| 10 Geef de Allerhoogste naar hetgeen hij u gegeven
15 35, 18| en laat niet af totdat de Allerhoogste het zal ingezien hebben,
16 37, 16| 16 En in alle deze bid de Allerhoogste, opdat de waarheid uw weg
17 38, 2 | Want de genezing is van de Allerhoogste, en door de koning wordt
18 39, 6 | gemaakt heeft, en tot de Allerhoogste smeekt hij.~
19 41, 6 | weigerend zijn in hetgeen de Allerhoogste wel behaagt?~
20 42, 23| 23 Want de Allerhoogste kent alle wetenschap, en
21 46, 6 | 6 Hij riep de Allerhoogste God aan als hij de vijanden
22 47, 6 | 6 Want hij riep de Allerhoogste Here aan, en die gaf hem
23 47, 9 | gaf hij God, de heilige en Allerhoogste, de eer, met heerlijke woorden.~
24 50, 16| welriekende reuk voor de Allerhoogste, die koning is over alles.~
25 50, 18| hun Here, de almachtige en Allerhoogste God, aan te bidden.~
26 50, 22| aan, om de zegen van de Allerhoogste te verkrijgen.~
|