Chapter, Verse
1 2, 14| bevreesde harten, en de slappe handen en de zondaar die twee paden
2 2, 22| Zeggende, laat ons in de handen Gods vallen, en niet in
3 2, 22| Gods vallen, en niet in de handen der mensen.~
4 4, 22| en hem overlaten in de handen van zijn ongeval.~
5 8, 1 | gij niet misschien in zijn handen valt.~
6 11, 6 | lieden zijn overgeleverd in handen van anderen.~
7 12, 18| hoofd schudden, en met de handen klappen, en veel murmelen,
8 25, 28| benauwdheid, die maakt trage handen en slappe knieën.~
9 29, 5 | kust hij zijn naastens handen, en om des naasten geld
10 33, 21| smeken, dan dat gij naar de handen uwer zonen ziet.~
11 33, 25| rust zoeken; laat hem de handen ledig zijn, en hij zal vrijheid
12 35, 8 | verminder de eerstelingen uwer handen niet.~
13 38, 13| een tijd, dat er in hun handen een goede reuk is.~
14 38, 15| gemaakt heeft, die zal in de handen van de geneesheer vallen.~
15 38, 37| Alle deze vertrouwen op hun handen, en elk is verstandig in
16 40, 13| 13 Als hij de handen opendoet, zo wordt de rechtvaardige
17 42, 7 | verzegelen goed, en waar veel handen zijn sluit daar toe.~
18 43, 13| een heerlijke kring, de handen des Allerhoogsten spannen
19 45, 18| 18 Mozes heeft zijn handen gevuld, en heeft hem met
20 46, 3 | verheerlijkt geworden, als hij zijn handen ophief, en het zwaard tegen
21 48, 21| Toen werden hun harten en handen bewogen, en kregen weedom
22 48, 22| ontfermer, aan, en breidden hun handen tot hem uit.~
23 50, 13| offerande des Heren was in hun handen, in tegenwoordigheid der
24 50, 15| 15 Strekte hij zijn handen uit tot de offerbeker, en
25 51, 26| 26 Ik heb mijn handen uitgerekt tot de hoogte,
|