Chapter, Verse
1 6, 11| 11 Als het u wel gaat zal hij zijn als gij, en
2 12, 8 | 8 Als het iemand wèl gaat, dan zijn zijn vijanden
3 12, 8 | en als het hem kwalijk gaat, dan scheidt ook de vriend
4 12, 13| wilde dieren naderen? zo gaat het met hem die zich ophoudt
5 17, 23| van een die niet meer is, gaat de dankzegging verloren.~
6 18, 12| barmhartigheid van de mens gaat over zijn naaste, maar de
7 18, 15| kind, wanneer het u wèl gaat, zo geef geen oorzaak tot
8 20, 5 | maar een pocher en onwijze gaat de gelegen tijd voorbij.~
9 21, 6 | 6 De smeking van de arme gaat uit de mond tot aan zijn
10 22, 19| in een ge bouw, niet los gaat door een schudding, zo wordt
11 22, 27| verheugen moogt als het hem wèl gaat.~
12 25, 31| 31 Gaat zij niet naar uw hand, zo
13 26, 31| krijgsman ten laatste armoe gaat lijden; en indien verstandige
14 30, 19| niet, en hij riekt niet; zo gaat het hem die door de Here
15 31, 8 | en die naar het goud niet gaat.~
16 32, 11| 11 De bliksem gaat haast voor de donder heen,
17 32, 11| en voor een eerbaar mens gaat aangenaamheid.~
18 33, 22| werken anderen te boven gaat, en hang geen schandvlek
19 35, 18| Het gebed des nederigen gaat door de wolken, en hij wordt
20 36, 24| verblijdt het aangezicht, en gaat alle lust des mensen te
21 37, 17| de rede, en beraadslaging gaat voor alle handeling heen.~
22 39, 2 | hij, en in kloeke spreuken gaat hij met hen om.~
23 40, 8 | 8 Zo gaat het met alle vlees, van
24 40, 17| maar die een schat vindt gaat beide te boven.~
25 42, 25| 25 Geen gedachte gaat hem voorbij; daar is voor
|