Chapter, Verse
1 1, 21| en bijblijvende keert zij toorn af.~
2 3, 18| en wie zijn broeder tot toorn verwekt, die is vervloekt
3 5, 7 | 7 Want barmhartigheid en toorn zal bij hem haasten, en
4 5, 9 | 9 Want de toorn des Heren zal schielijk
5 7, 16| zondaren; gedenk dat de toorn niet vertoeft.~
6 10, 21| mensen, noch de grimmige toorn in degenen, die van vrouwen
7 16, 7 | vuur aangestoken worden, en toorn is ontstoken geweest onder
8 16, 12| 12 Want ontferming en toorn is bij hem; hij is een machtig
9 16, 12| haastig verzoend wordt, en toorn uitstort.~
10 23, 19| zonden, en de derde brengt de toorn mede.~
11 25, 26| 26 Toorn en onbeschaamdheid en grote
12 26, 9 | loopt veroorzaakt grote toorn, en kan haar schande niet
13 27, 30| verteren voor hun dood; haat en toorn en dergelijke zijn gruwelen,
14 28, 3 | houdt tegen de andere mens toorn, en bij de Here zoekt hij
15 28, 11| mens is, hoe meer hij zijn toorn verheft.~
16 36, 8 | uw gramschap, en giet uw toorn uit.~
17 36, 10| haast kome, en gedenk aan de toorn, en laat uw wonderen verteld
18 36, 11| geweest, wordt door een vurige toorn verslonden, en die uw volk
19 39, 27| Zo erven de volken zijn toorn, gelijk hij de wateren in
20 45, 22| Korach, met grimmigheid en toorn.~
21 45, 23| de grimmigheid van zijn toorn.~
22 47, 22| ontheiligd, en over uw kinderen toorn gebracht, en dat zij zijn
23 47, 28| van het land, totdat de toorn en wraak over hen zouden
24 48, 10| zijner tijd, en te stillen de toorn van het grimmige oordeel
|