Chapter, Verse
1 6, 2 | 2 Verhef u niet in de raad uwer ziel, opdat uw ziel
2 6, 24| mening, en verwerp mijn raad niet;~
3 17, 6 | 6 Hij heeft hun gegeven raad, en tong, en ogen, oren,
4 18, 32| wees niet begerig naar haar raad.~
5 19, 20| is geen kloekheid waar de raad der zondaren is.~
6 21, 15| een watervloed, en zijn raad gelijk een zuivere fontein
7 22, 19| steunende op welbedachte raad, nimmer door vrees bevangen.~
8 23, 1 | verlaat mij niet in hun raad, en laat mij niet vallen
9 24, 31| vermenigvuldigd, en haar raad dan een grote afgrond.~
10 25, 6 | mannen kennis hebben tot raad?~
11 25, 7 | zijn, bedachtzaamheid en raad!~
12 30, 21| uzelf niet door uw eigen raad.~
13 32, 19| hij bij zichzelf zonder raad.~
14 32, 20| 20 Doe niets zonder raad, en als gij het gedaan hebt,
15 37, 7 | overdwars aanziet, en verberg uw raad voor degenen die u benijden.~
16 37, 8 | 8 Een ieder die raad geeft, verheft zijn raad,
17 37, 8 | raad geeft, verheft zijn raad, maar menigeen geeft voor
18 37, 8 | menigeen geeft voor zichzelf raad.~
19 37, 9 | is, want hij zal zichzelf raad geven, opdat hij niet misschien
20 38, 38| noch wandelen, doch tot de raad van het volk zullen zij
21 40, 24| stellen de voet vast, maar raad wordt meer geacht dan beide.~
22 43, 25| 25 Door de raad des Heren staat de afgrond
23 44, 4 | 4 Die raad gaven met verstand, en verkondigd
24 47, 26| deed afvallen door zijn raad.~
|