Chapter, Verse
1 4, 11| gij zult zijn gelijk een zoon des Allerhoogsten, en hij
2 7, 3 | 3 Mijn zoon, zaai niet in de voren der
3 22, 3 | wanneer hij een ongeschikte zoon gewonnen heeft, en zulk
4 30, 1 | 1 DIE zijn zoon liefheeft, die zal de roeden
5 30, 2 | 2 Wie zijn zoon tuchtigt, zal over hem verblijd
6 30, 3 | 3 Wie zijn zoon leert, die zal zijn vijand
7 30, 7 | 7 Wie zijn zoon afstrijkt, die verbindt
8 30, 8 | wrevelig, en een ongebonden zoon wordt moedwillig.~
9 30, 13| 13 Onderwijs uw zoon, en maak uw werk van hem,
10 33, 19| 19 Geef uw zoon een vrouw, broeder en vriend
11 34, 21| 21 Hij slacht de zoon in tegenwoordigheid van
12 45, 28| 28 En Pinehas, de zoon van Eleazar, is de derde
13 45, 31| opgericht met David, een zoon uit de stam van Juda het
14 45, 31| heeft, en komt van de ene zoon alleen tot de andere; zo
15 46, 1 | 1 JOZUA de zoon van Nun, was sterk in de
16 46, 9 | barmhartigheid, hij en Kaleb de zoon van Jefune, als zij de gemeente
17 47, 14| 14 Na hem stond op zijn zoon zijnde een wijs man, en
18 47, 27| 27 Toen kwam Jerobeäm, de zoon van Nebat, die maakte Israël
19 48, 10| hart van de vader tot de zoon, en te bestellen de stammen
20 49, 14| 14 Alzo Jesua de zoon van Josadak, die in hun
21 50, 1 | 1 SIMON, de zoon van Onias, de hogepriester,
22 50, 27| 27 Jezus, de zoon van Sirach, van Jeruzalem
23 51, 1 | Een Gebed van Jezus, de zoon van Sirach>> IK zal u belijden
|