Chapter, Verse
1 2, 10| 10 Ziet de oude geslachten aan en
2 6, 36| Indien gij een verstandig man ziet, zo maak u des morgens vroeg
3 11, 12| armoede, en het oog des Heren ziet op hem ten goede, en richt
4 15, 18| hij is sterk in kracht, en ziet alle dingen.~
5 16, 18| 18 Ziet, de hemel, en de de hemel
6 16, 19| beving, als de Here daarop ziet.~
7 17, 28| 28 Hij ziet aan de kracht des hogen
8 23, 23| zegt bij zichzelf: Wie ziet mij?~
9 23, 24| bedekken mij, en niemand ziet mij, wat vrees ik? De Allerhoogste
10 24, 35| 35 En ziet de gedolven gracht is mij
11 24, 38| 38 Ziet gij dan, dat ik niet voor
12 25, 10| die de val zijner vijanden ziet.~
13 25, 21| haar aangezicht, dat zij ziet gelijk een beer.~
14 30, 20| 20 Hij ziet de ogen, en zucht gelijk
15 31, 15| vanwege al hetgeen dat het ziet.~
16 33, 21| naar de handen uwer zonen ziet.~
17 34, 3 | 3 Wat men in de dromen ziet, is dit na dat, evenals
18 39, 24| 24 Van eeuw tot eeuw ziet hij daarop, en daar is niets
19 40, 29| die naar een vreemde tafel ziet, diens leven is voor geen
20 42, 18| in de woorden des Heren ziet men zijn werken.~
21 42, 19| 19 De zon verlichtende ziet op alle dingen, en haar
22 42, 23| kent alle wetenschap, en ziet op de tekenen der eeuw.~
23 51, 35| 35 Ziet met uw ogen dat ik weinig
|