Chapter, Verse
1 4, 20| hem keren door een rechte weg en hem verheugen;~
2 6, 22| zal niet vertoeven haar weg te werpen.~
3 7, 6 | zijn de ongerechtigheden weg te nemen; dat gij niet te
4 10, 10| zijn ingewanden werpen deze weg, terwijl hij nog leeft.~
5 21, 11| 11 De weg van de zondaar is van stenen
6 21, 19| is gelijk een last op de weg, maar op de lippen van de
7 22, 1 | en een ieder schuift hem weg om zijn oneer.~
8 22, 24| vogelen werpt, die jaagt ze weg, en wie zijn vriend scheldt,
9 22, 26| vliedt een iegelijk vriend weg.~
10 27, 21| want hij is verre van u weg, en is het ontvloden gelijk
11 32, 21| 21 Ga niet op de weg waarop men lichtelijk valt,
12 32, 22| 22 Vertrouw op de weg niet, die zonder aanstoot
13 33, 31| mishandelen, en hij oprijzende weg zou lopen, waar zult gij
14 36, 9 | 9 Neem de tegenpartijder weg, en verbrijzel de vijand.~
15 37, 10| 10 En zegge tot u: Uw weg is goed, en stelle zich
16 37, 16| Allerhoogste, opdat de waarheid uw weg recht make.~
17 38, 7 | en neemt zijn krankheid weg.~
18 41, 26| 26 Schaamt u iemands deel weg te nemen, en hetgeen hem
19 42, 3 | metgezel, en die met u over weg reizen; noch de vrienden
20 47, 4 | versmaadheid uit het volk weg.~
21 47, 6 | rechterhand kracht dat hij weg nam een mens, die machtig,
22 47, 24| hem had liefgehad, niet weg.~
23 47, 27| zondigende, en gaf Efraïm een weg der zonde, en hun zonden
|