Chapter, Verse
1 2, 5 | 5 Want in het vuur wordt het goud beproefd,
2 3, 31| water blust het vlammende vuur uit, en door aalmoezen verzoent
3 7, 17| wraak des goddelozen zal vuur en worm zijn.~
4 8, 4 | en hoop geen hout op zijn vuur.~
5 8, 13| niet verbrand wordt in het vuur zijner vlam.~
6 9, 9 | wordt de liefde als een vuur aangestoken, en leg u niet
7 15, 16| 16 Hij heeft u vuur en water voorgesteld; strek
8 16, 7 | vergadering der zondaren zal een vuur aangestoken worden, en toorn
9 22, 29| en de rook gaan voor het vuur, zo gaan scheldwoorden voor
10 23, 20| ziel is gelijk een brandend vuur; het wordt niet uitgeblust
11 23, 21| rust niet totdat hij een vuur ontstoken heeft.~
12 28, 11| Hoe meer hout men in het vuur legt, hoe meer het brandt;
13 28, 11| wordt gesterkt, hoe meer het vuur toeneemt; hoe sterker de
14 28, 12| haastige twist ontsteekt het vuur, en een haastend gevecht
15 38, 31| ijzerwerk gade; de damp van het vuur versmelt zijn vlees, en
16 39, 30| mensen nodig is, is water, en vuur, en ijzer, en zout, en tarwemeel,
17 39, 33| 33 Het vuur en de zee, en de honger,
18 40, 31| maar in zijn buik zal een vuur branden.~ ~
19 43, 23| groene gras uit, gelijk het vuur.~
20 45, 24| verteerd door het vlammig vuur.~
21 48, 1 | de profeet op gelijk een vuur, en zijn woord brandde als
22 48, 3 | hemel op, en deed driemaal vuur uit de hemel nederkomen.
23 50, 8 | 8 Gelijk vuur en wierook op een vuurpan;~
|