Chapter, Verse
1 3, 20| zult bij de Here genade vinden.~
2 3, 32| van zijn val een steunsel vinden.~ ~
3 6, 16| de Here vrezen zullen hem vinden.~
4 6, 18| haren toe zult gij wijsheid vinden;~
5 6, 29| laatste zult gij haar rust vinden, en zij zal u tot verheuging
6 12, 2 | en gij zult vergelding vinden, en is het niet bij hem,
7 12, 16| indien hij gelegen tijd zal vinden, zo zal hij niet verzadigd
8 12, 17| gij zult hem aldaar eerder vinden dan uzelf, en zich stellende
9 15, 1 | verkregen heeft zal haar vinden.~
10 15, 6 | een kroon der verheuging vinden, en zij zal hem een eeuwige
11 16, 15| aalmoezen, want een ieder zal vinden naar zijn werken. De Here
12 18, 20| en gij zult verzoening vinden in de ure der bezoeking.~
13 22, 16| van hem, en gij zult rust vinden, en gij zult niet verluieren
14 25, 5 | vergaderd, en hoe zoudt gij wat vinden in uw ouderdom?~
15 27, 16| geloof, en zal geen vriend vinden naar zijn hart.~
16 28, 1 | die zal van de Here wraak vinden, en hij zal zijn zonden
17 28, 18| luistert, die zal geen rust vinden, noch met stilheid wonen.~
18 29, 3 | allen tijde uw behoefte vinden.~
19 32, 15| vroeg tot Hem maken, zullen vinden wat hun wel behaagt.~
20 32, 17| Die de Here vrezen, zullen vinden dat recht is, en zullen
21 36, 11| kwellen, laat die het verderf vinden.~
22 41, 30| schaamachtig zijn, en gunst vinden bij alle mensen.~ ~
23 51, 34| aan, zij is nabij om te vinden.~
|