Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
zij 160
zijde 4
zijden 1
zijn 692
zijnde 13
zijnentwil 2
zijner 33
Frequency    [«  »]
1650 en
1476 de
828 een
692 zijn
634 is
559 het
554 die

Het boek Ecclesiasticus

IntraText - Concordances

zijn

1-500 | 501-692

    Chapter, Verse
501 39, 14| 14 Zijn wijsheid vertellen de volken, 502 39, 14| en de gemeente verkondigt zijn lof.~ 503 39, 19| 19 Looft de Here over al zijn werken met gezang der lippen, 504 39, 20| 20 De werken des Heren zijn alle zeer schoon, en al 505 39, 20| hij gebiedt geschiedt in zijn tijd; men mag niet zeggen: 506 39, 21| 21 Door zijn woord stond het water gelijk 507 39, 21| hoop, en door het woord van zijn mond de boezem der wateren.~ 508 39, 22| 22 Al zijn welbehagen is in zijn gebod, 509 39, 22| Al zijn welbehagen is in zijn gebod, en daar is niemand 510 39, 23| De werken van alle vlees zijn voor zijn aangezicht, en 511 39, 23| van alle vlees zijn voor zijn aangezicht, en daar kan 512 39, 23| niets verborgen worden voor zijn ogen.~ 513 39, 25| is dit? want alle dingen zijn tot hun gebruik geschapen.~ 514 39, 26| 26 Zijn zegen bedekt de aarde gelijk 515 39, 27| 27 Zo erven de volken zijn toorn, gelijk hij de wateren 516 39, 28| 28 Zijn wegen zijn de heiligen recht, 517 39, 28| 28 Zijn wegen zijn de heiligen recht, gelijkerwijs 518 39, 28| goddelozen tot aanstoot zijn.~ 519 39, 29| 29 Goede dingen zijn in het begin voor de goede 520 39, 31| godvrezende goede dingen zijn, zo worden ze de zondaar 521 39, 32| 32 Daar zijn de geesten die tot wraak 522 39, 32| die tot wraak geschapen zijn, en door hun gramschap bevestigt 523 39, 33| de dood; al deze dingen zijn tot wraak geschapen.~ 524 39, 35| 35 In zijn bevel verheugen zij zich,~ 525 39, 36| 36 En op de aarde zijn zij gereed tot zijn diensten, 526 39, 36| aarde zijn zij gereed tot zijn diensten, en wan neer hun 527 39, 38| 38 Al de werken des Heren zijn goed, en al wat nodig is 528 40, 1 | moeders lichaam gekomen zijn, tot op de dag dat zij wederkeren 529 40, 5 | verandert de slaap van de nacht zijn kennis.~ 530 40, 7 | ontroerd door het gezicht van zijn hart, gelijk een die uit 531 40, 9 | gesel; deze dingen alle zijn tegen de goddelozen geschapen, 532 40, 22| 22 Een vriend en zijn gezel komen elkander tegemoet 533 40, 23| 23 Broeders en hulp zijn goed in de tijd der verdrukking, 534 40, 29| leven te rekenen; hij besmet zijn ziel met vreemde spijzen.~ 535 40, 31| bedelarij zoet, maar in zijn buik zal een vuur branden.~ ~ 536 41, 1 | die in vrede leeft bij zijn goederen.~ 537 41, 4 | 4 Voor een die in zijn uiterste ouderdom is, en 538 41, 5 | degenen die voor u geweest zijn, en die na u komen zullen, 539 41, 6 | En wat wilt gij weigerend zijn in hetgeen de Allerhoogste 540 41, 10| goddeloze vader schelden zijn kinderen, overmits zij om 541 41, 19| 19 Een mens, die zijn dwaasheid verbergt, is beter 542 41, 19| beter dan een mens, die zijn wijsheid verbergt.~ 543 41, 30| zult recht schaamachtig zijn, en gunst vinden bij alle 544 42, 6 | gij een boze huisknecht zijn zijde doet bloeden.~ 545 42, 7 | goed, en waar veel handen zijn sluit daar toe.~ 546 42, 11| een heimelijk waken, en zijn zorg voor haar beneemt de 547 42, 14| vijanden over u vrolijk zijn, dat men in de stad van 548 42, 18| woorden des Heren ziet men zijn werken.~ 549 42, 20| 20 De Here heeft zijn heiligen niet gegeven al 550 42, 20| heiligen niet gegeven al zijn wonderheden te vertellen.~ 551 42, 21| zij onderstut wordt door zijn heerlijkheid.~ 552 42, 24| dingen die voorbijgegaan zijn, en die nog worden zullen, 553 42, 26| de heerlijke werken door zijn wijsheid versierd; hij die 554 42, 28| 28 Hoe waardig zijn al zijn werken om te begeren! 555 42, 28| 28 Hoe waardig zijn al zijn werken om te begeren! en 556 42, 29| eeuwigheid in al hun gebruik en zijn hem alle gehoorzaam.~ 557 42, 30| 30 Alle dingen zijn dubbel, het een tegenover 558 43, 12| heeft, die zeer schoon is in zijn schijnsel.~ 559 43, 14| 14 Door zijn bevel doet hij de sneeuw 560 43, 16| 16 Door zijn grote heerlijkheid versterkt 561 43, 17| 17 De stem van zijn donder brengt de aarde in 562 43, 17| aarde in barensnood, en door zijn aanschouwen worden de bergen 563 43, 18| 18 Door zijn wil blaast de zuidenwind, 564 43, 26| het gevaar daarvan, en wij zijn verwonderd als wij het met 565 43, 27| 27 Want daar zijn ongelofelijke en wonderlijke 566 43, 28| 28 Door hem is zijn bode voorspoedig, en door 567 43, 28| bode voorspoedig, en door zijn woord bestaan al die dingen.~ 568 43, 30| Want hij is groot boven al zijn werken.~ 569 43, 31| Here, en zeer groot, en zijn vermogen is wonderbaar.~ 570 43, 35| 35 Daar zijn nog vele verborgen dingen 571 43, 35| dan deze; wij hebben van zijn werken weinig gezien.~ 572 44, 2 | Here heeft door hen voor zijn majesteit veel eer teweeg 573 44, 3 | in hun koninkrijken, en zijn vermaarde mannen geweest 574 44, 6 | 6 Wijze redenen zijn geweest in hun onderwijzing, 575 44, 8 | 8 Al deze zijn onder hun geslachten verheerlijkt 576 44, 9 | 9 Enigen zijn er onder hen, die een naam 577 44, 10| 10 Doch enigen zijn er waarvan geen gedachtenis 578 44, 10| gedachtenis is, en die vergaan zijn gelijk of zij niet geweest 579 44, 10| zij niet geweest waren; en zijn geworden alsof zij nooit 580 44, 11| 11 Doch dezen zijn mannen der barmhartigheid, 581 44, 11| welker gerechtigheden niet zijn vergeten.~ 582 44, 12| erfdeel; hun nakomelingen zijn in de verbonden.~ 583 44, 15| 15 Hun lichamen zijn in vrede begraven, en hun 584 44, 17| voorbeeld der boetvaardigheid te zijn.~ 585 44, 20| niemand gevonden hem gelijk in zijn heerlijkheid, welke de wet 586 44, 21| 21 In zijn vlees heeft de Here het 587 44, 22| de vol ken zou zegenen in zijn zaad;~ 588 44, 25| Die heeft hij gekend in zijn zegeningen, en hem een erfdeel 589 44, 25| erfdeel gegeven, en heeft zijn deel gescheiden in stammen, 590 45, 2 | vijanden groot gemaakt; door zijn woorden heeft hij de tekenen 591 45, 3 | heeft hem bevel gegeven aan zijn volk, en heeft hem zijn 592 45, 3 | zijn volk, en heeft hem zijn heerlijkheid getoond.~ 593 45, 4 | 4 Door zijn geloof en zachtmoedigheid 594 45, 5 | 5 Hij heeft hem zijn stem laten horen, en heeft 595 45, 6 | verbond geleerd, en Israël zijn rechten.~ 596 45, 7 | 7 Aäron, zijn broeder, uit de stam van 597 45, 8 | gegeven het priesterdom onder zijn volk, en verheerlijkt met 598 45, 11| mocht dienen de kinderen van zijn volk.~ 599 45, 15| 15 Vóór hem zijn dergelijke dingen niet geweest;~ 600 45, 16| geslacht was, behalve alleen zijn zonen, en die uit hem geboren 601 45, 18| 18 Mozes heeft zijn handen gevuld, en heeft 602 45, 19| tot een eeuwig verbond, en zijn zaad zolang de hemel dagen 603 45, 19| zal hebben; om tegelijk zijn dienst waar te nemen, en 604 45, 19| bedienen, en het volk in zijn naam te zegenen.~ 605 45, 21| 21 Hij heeft hem zijn bevelen gegeven, en macht 606 45, 21| tingen der rechten, om Jakob zijn getuigenissen te leren, 607 45, 21| te leren, en Israël door zijn wet te verlichten.~ 608 45, 22| 22 Vreemden zijn tegen hem opgestaan, en 609 45, 23| behagen daaraan, en zij zijn vernield in de grimmigheid 610 45, 23| vernield in de grimmigheid van zijn toorn.~ 611 45, 26| Heren, welke hij hem en zijn zaad gegeven heeft.~ 612 45, 29| goede toegenegenheid van zijn gemoed, en voor Israël verzoend 613 45, 30| heeft de Here met hem en zijn volk opgericht een. verbond 614 45, 30| des vredes, dat hij zou zijn een voorstander der heilige 615 45, 30| heilige dingen, en dat hij en zijn zaad de grote heerlijkheid 616 45, 31| priesterdoms Aäron toegelegd en zijn zaad.~ 617 45, 32| in uw hart om te richten zijn volk in gerechtigheid, opdat 618 45, 32| niet verdwijnen, en geve zijn heerlijkheid in hun geslachten.~ ~ 619 46, 2 | Welke groot werd, volgens zijn naam, in de verlossing zijner 620 46, 2 | brengen tot de bezitting van zijn erfdeel.~ 621 46, 3 | verheerlijkt geworden, als hij zijn handen ophief, en het zwaard 622 46, 5 | 5 En is de zon niet door zijn hand achterwaarts gegaan? 623 46, 8 | zouden kennen, dat namelijk zijn oorlog voor de Here was, 624 46, 10| 10 En deze twee zijn behouden geweest, van zeshonderdduizend 625 46, 11| die hem bijbleef tot in zijn ouderdom, dat hij opklom 626 46, 11| hoogste van het land, en zijn zaad heeft dat erfdeel behouden.~ 627 46, 13| En de richters, elk met zijn naam, welker aller hart 628 46, 13| gehoereerd, en zo velen niet zijn afgekeerd van de Here, hun 629 46, 15| 15 Samuël bemind van zijn Here, zijnde een profeet 630 46, 15| en vorsten gezalfd over zijn volk.~ 631 46, 17| 17 Door zijn geloof is hij ten volle 632 46, 17| is bekend geworden door zijn woord.~ 633 46, 18| de machtige, aan, als hem zijn vijanden rondom drukten, 634 46, 19| de hemel; en maakte dat zijn stem gehoord werd door de 635 46, 21| betuigde hij voor de Here, en zijn gezalfden, zeggende: Geld, 636 46, 22| en voorzeide de koning zijn einde, en verhief zijn stem 637 46, 22| koning zijn einde, en verhief zijn stem uit de aarde, met een 638 47, 4 | 4 In zijn jeugd bracht hij een reus 639 47, 5 | 5 Toen hij zijn hand ophief om met de steen 640 47, 6 | Here aan, en die gaf hem in zijn rechterhand kracht dat hij 641 47, 10| 10 Uit geheel zijn hart zong hij lofzangen, 642 47, 11| voor het altaar, om uit zijn geluid een zoete toon te 643 47, 12| opdat zij zouden prij zen zijn heilige naam, en van des 644 47, 12| van des morgens vroeg aan zijn heiligdom weerklank zouden 645 47, 13| 13 De Here heeft zijn zonden weggenomen, en zijn 646 47, 13| zijn zonden weggenomen, en zijn hoorn verhoogd in eeuwigheid; 647 47, 14| 14 Na hem stond op zijn zoon zijnde een wijs man, 648 47, 15| gegeven had, opdat hij voor zijn naam een huis zou oprichten, 649 47, 16| 16 Hoe wijs was hij in zijn jeugd? en werd vervuld met 650 47, 22| toorn gebracht, en dat zij zijn gekweld geworden vanwege 651 47, 23| 23 Doch de Here verliet zijn barmhartigheid niet, en 652 47, 23| werd gans niet afgewend van zijn werken.~ 653 47, 24| delgde de nakomelingen van zijn uitverkorenen ook niet uit, 654 47, 26| vaderen, en liet na van zijn zaad een zeer dwaze onder 655 47, 26| volk deed afvallen door zijn raad.~ 656 48, 1 | profeet op gelijk een vuur, en zijn woord brandde als een fakkel.~ 657 48, 2 | een zware honger, en door zijn ijver maakte hij dat hunner 658 48, 11| 11 Zalig zijn zij die u gezien hebben, 659 48, 11| die in liefde ontslapen zijn.~ 660 48, 13| de Heilige Geest; en in zijn dagen werd hij niet bewogen 661 48, 14| ontslapen was profeteerde zijn lichaam;~ 662 48, 15| 15 En in zijn leven deed hij wonderen, 663 48, 15| deed hij wonderen, en in zijn dood waren zijn werken wonderlijk.~ 664 48, 15| wonderen, en in zijn dood waren zijn werken wonderlijk.~ 665 48, 16| totdat zij als een roof zijn weggevoerd uit hun land, 666 48, 19| 19 Hiskia maakte zijn stad vast, en leidde water 667 48, 20| 20 In zijn dagen trok Sanherib op, 668 48, 20| Rabsake van Lachis, en verhief zijn hand tegen Sion, en pochte 669 48, 20| Sion, en pochte zeer in zijn hoogmoed.~ 670 48, 24| leger der Assyriërs, en zijn engel vermorzelde hen.~ 671 48, 25| aan de wegen van David, zijn vader, gelijk Jesaja die 672 48, 25| en eerwaardige profeet in zijn gezicht geboden had.~ 673 48, 26| 26 In zijn dagen ging de zon achterwaarts, 674 49, 4 | 4 Hij richtte zijn hart tot de Here; in de 675 49, 6 | verlaten; de koningen van Juda zijn bezweken.~ 676 49, 18| Een steunsel des volks, en zijn gebeenten zijn bezocht door 677 49, 18| volks, en zijn gebeenten zijn bezocht door de Here.~ 678 49, 19| 19 Sem en Seth zijn verheerlijkt geweest onder 679 50, 1 | de hogepriester, welke in zijn leven het huis des Heren 680 50, 1 | heeft vermaakt, heeft ook in zijn dagen het volk bevestigd.~ 681 50, 3 | 3 In zijn dagen waren de watervaten 682 50, 4 | 4 Hij droeg zorg voor zijn volk, dat het niet viel.~ 683 50, 15| 15 Strekte hij zijn handen uit tot de offerbeker, 684 50, 20| versiersel des Heren, en zij zijn dienst geëindigd hadden.~ 685 50, 21| Hogepriester, afklimmende, zijn han den op over de ganse 686 50, 21| geven de zegen des Heren met zijn lippen, en om in zijn naam 687 50, 21| met zijn lippen, en om in zijn naam te roemen.~ 688 50, 23| die riet ons handelt naar zijn barmhartigheid.~ 689 50, 24| getrouw aan ons bewijze zijn barmhartigheid, en ons verlosse 690 50, 27| wijsheid als een plasregen uit zijn hart heeft doen vloeien.~ 691 50, 29| tot alle dingen bekwaam zijn, dewijl het licht des Heren 692 50, 29| dewijl het licht des Heren zijn voetstap is, en hij geeft


1-500 | 501-692

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License