Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
inwoner 2
inwoners 1
inzet 1
is 634
israël 12
israëls 4
izaäk 1
Frequency    [«  »]
1476 de
828 een
692 zijn
634 is
559 het
554 die
548 in

Het boek Ecclesiasticus

IntraText - Concordances

is

1-500 | 501-634

    Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 ALLE wijsheid is van de Here, en is met hem 2 1, 1 | wijsheid is van de Here, en is met hem in der eeuwigheid.~ 3 1, 4 | 4 De wijsheid is eer dan alle dingen geschapen, 4 1, 4 | het verstand der kloekheid is van de eeuwen af.~ 5 1, 5 | allerhoogste plaatsen woont, is de fontein der wijsheid, 6 1, 6 | 6 Wie is de wortel der wijsheid ontdekt 7 1, 7 | 7 Eén is er wijs, zeer vreselijk, 8 1, 9 | over al zijn werken; zij is bij alle vlees naar zijn 9 1, 10| 10 De vreze des Heren is eer, en roem, en vrolijkheid, 10 1, 13| 13 Het begin der wijsheid is de Here vrezen, en zij is 11 1, 13| is de Here vrezen, en zij is met de gelovigen tezamen 12 1, 15| verzadiging der wijsheid is de Here vrezen, en zij maakt 13 1, 18| 18 De kroon der wijsheid is de Here vrezen, doende voort 14 1, 20| 20 De wortel der wijsheid is de Here vrezen, en haar 15 1, 22| de hevigheid zijns toorns is hem ten val.~ 16 1, 25| maar de godsdienstigheid is de zondaar een gruwel.~ 17 1, 27| Want de vreze des Heren is wijsheid en tucht, en zijn 18 1, 27| tucht, en zijn wel behagen is geloof en zachtmoedigheid.~ 19 1, 32| gekomen, en uw hart vol is van bedrog.~ 20 2, 11| op de Here betrouwd, en is beschaamd geworden?~ 21 2, 12| 12 Of wie is in zijn vreze gebleven en 22 2, 12| heeft hem aangeroepen en is door hem veracht?~ 23 2, 13| 13 Want de Here is een ontfermer en barmhartige, 24 2, 23| zijn grote heerlijkheid is, zo is ook zijn barmhartigheid.~ ~ ~ ~ 25 2, 23| grote heerlijkheid is, zo is ook zijn barmhartigheid.~ ~ ~ ~ 26 3, 4 | En wie zijn moeder eert, is gelijk als die schatten 27 3, 6 | en wie de Here gehoorzaam is, zal zijn moeder rust aanbrengen,~ 28 3, 11| want de oneer des vaders is u geen eer.~ 29 3, 12| een moeder die in oneer is, die is de kinderen een 30 3, 12| moeder die in oneer is, die is de kinderen een verwijt.~ 31 3, 18| zijn vader verlaat, die is gelijk een godslasteraar, 32 3, 18| broeder tot toorn verwekt, die is vervloekt van de Here.~ 33 3, 22| Want de macht des Heren is groot, en wordt door de 34 3, 23| dwaasheid. Wat u bevolen is, overleg dat heilig.~ 35 3, 24| 24 Want het is u niet van node, verborgen 36 3, 29| hovaardigen gebracht wordt, zo is daar geen genezing; zijn 37 3, 29| want een plant der boosheid is in hem ingeworteld.~ 38 3, 30| het oor des toehoorders is des wijzen begeerte.~ 39 4, 16| 16 Die haar gehoorzaam is, zal de volken richten; 40 4, 25| 25 Want daar is een beschaamdheid, die zonde 41 4, 25| zonde aanbrengt, en daar is een beschaamdheid, die eer 42 4, 35| met verbeelding gekweld is.~ 43 5, 1 | rijkdom, en zeg niet, hij is mij genoegzaam om te leven.~ 44 5, 4 | gezondigd, en welk leed is mij geschied? want de Here 45 5, 4 | mij geschied? want de Here is lankmoedig, hij zal u niet 46 5, 6 | zeg niet: Zijn ontferming is groot, de menigte mijner 47 5, 11| de zondaar die tweetongig is.~ 48 5, 15| 15 Eer en oneer is in het spreken, en des mensen 49 6, 1 | zondaar, die tweetongig is, oneer behalen.~ 50 6, 8 | 8 Want daar is menig vriend in zijn gelegene 51 6, 9 | 9 Ook is er menig vriend die veranderd 52 6, 10| 10 Daar is ook menig vriend om tafelgenoot 53 6, 14| 14 Een getrouw vriend is een sterke bescherming, 54 6, 15| 15 Daar is geen verwisseling tegen 55 6, 15| getrouwe vriend, en daar is geen gewicht zijner schoonheid.~ 56 6, 16| 16 Een getrouw vriend is een medicijn des levens, 57 6, 17| vriendschap; want naar dat hij is, zo zullen ook zijn naasten 58 6, 21| 21 Och hoe rauw is zij de ongeleerden! en de 59 6, 22| 22 Zij is bij hem gelijk een harde 60 6, 23| 23 Want de wijsheid is gelijk haar naam meebrengt, 61 6, 23| haar naam meebrengt, en is niet velen openbaar.~ 62 6, 31| Want een gulden versiersel is op haar, en haar banden 63 6, 35| de menigte der ouden, en is er iemand wijs, hang hem 64 7, 11| in bitterheid zijner ziel is, want daar is een die vernedert 65 7, 11| zijner ziel is, want daar is een die vernedert en verhoogt.~ 66 7, 15| de Allerhoogste geschapen is.~ 67 7, 22| daarop, en zo het u nut is, laat het bij u blijven.~ 68 7, 31| zijn deel, gelijk u bevolen is,~ 69 8, 12| in de tijd als het nodig is zult antwoorden.~ 70 8, 15| Leen niemand die machtiger is dan gij, en indien gij hem 71 8, 19| woestijn, gelijk als niets is het bloed in zijn ogen, 72 8, 19| ogen, en waar geen hulp is, daar zal hij u ter neder 73 9, 12| vriend niet, want de nieuwe is hem niet gelijk.~ 74 9, 13| 13 Een nieuwe vriend is gelijk nieuwe wijn: als 75 9, 14| niet welke zijn verandering is.~ 76 9, 22| 22 Een klapachtig man is verschrikkelijk in zijn 77 9, 22| stad, en die te voortvarend is in zijn rede, zal gehaat 78 10, 1 | heerschappij des verstandigen is ordelijk aangesteld.~ 79 10, 2 | als de rechter des volks is, zo zijn ook zijn dienaars; 80 10, 2 | gelijk de voorganger der stad is, zo zijn allen die deze 81 10, 3 | koning, die niet onderwezen is, zal zijn volk verderven, 82 10, 4 | 4 De macht op aarde is in de hand des Heren, en 83 10, 4 | verwekken een, die nuttig is.~ 84 10, 5 | 5 In de hand des Heren is des mensen voorspoed, en 85 10, 7 | 7 Hovaardigheid is hatelijk voor God en de 86 10, 7 | de mensen, en bij beide is hatelijk de misdaad der 87 10, 9 | 9 Daar is voorwaar niets onrechtvaardiger 88 10, 11| lange ziekte af, en heden is iemand koning, en morgen 89 10, 13| beginsel der hovaardigheid is, wanneer een mens van de 90 10, 14| 14 Want hovaardigheid is een beginsel der zonde, 91 10, 21| 21 De hovaardigheid is niet geschapen in de mensen, 92 10, 23| het midden der broeders is degene geëerd, die hun leidsman 93 10, 23| geëerd, die hun leidsman is, en die de Here vrezen worden 94 10, 24| 24 De vreze des Heren is een heerschappij ook voor 95 10, 24| hardigheid en hovaardigheid is een wegwerping der heer 96 10, 25| en heerlijken, en armen, is de vreze des Heren.~ 97 10, 26| 26 Het is niet recht dat men een arme 98 10, 26| arme onteert die verstandig is, en het betaamt niet dat 99 10, 27| geëerd, maar geen hunner is meerder dan die de Here 100 10, 30| 30 Want het is beter dat iemand werkt, 101 10, 34| die in rijkdom ongeëerd is, hoeveel te meer in ar moede.~ ~ 102 11, 3 | 3 De bij is klein onder de vliegende 103 11, 3 | gedierten, en haar vrucht is het voornaamste der zoetigheden.~ 104 11, 11| 11 Menigeen is er die moeite doet, en arbeidt, 105 11, 12| 12 Menigeen is er die traag is, hebbende 106 11, 12| Menigeen is er die traag is, hebbende hulp van node, 107 11, 15| wetenschap, en kennis der wet is van de Here; liefde en wegen 108 11, 18| 18 Menigeen is er die rijk wordt door zijn 109 11, 18| en spaarzaamheid, en dit is nu zijn deel van zijn loon.~ 110 11, 22| 22 Want het is in de ogen des Heren licht, 111 11, 23| 23 De zegen des Heren is in het loon van de godvrezende; 112 11, 25| genoeg, en hetgeen ik heb is veel, en wat zal mij voortaan 113 11, 27| 27 Want het is voor de Here licht, in de 114 11, 28| aan het einde van de mens is de ontdekking zijner werken.~ 115 11, 31| veldhoen in een kooi, alzo is het hart des hovaardigen, 116 11, 33| een mens die een zondaar is loert op bloed.~ 117 12, 2 | zult vergelding vinden, en is het niet bij hem, immers 118 12, 6 | wraak. Geef degene die vroom is, en neem u de zondaar niet 119 12, 13| die van een slang gebeten is? en over allen die tot de 120 13, 2 | last op, die u te zwaar is, en heb geen gemeenschap 121 13, 2 | degene, die sterker en rijker is dan gij.~ 122 13, 14| 14 Onbarmhartig is hij die zijn woorden niet 123 13, 20| wolf hebben met een lam? zo is een zondaar tegen degene, 124 13, 23| 23 Gelijk de nederigheid is der hovaardigen gruwel, 125 13, 23| der hovaardigen gruwel, zo is ook de arme voor de rijke 126 13, 28| spreekt, en men zegt: Wie is deze? en indien hij aanstoot, 127 13, 29| 29 De rijkdom is goed, bij welke geen zonde 128 13, 29| goed, bij welke geen zonde is, en de armoede is kwaad 129 13, 29| zonde is, en de armoede is kwaad in de mond des goddelozen.~ 130 13, 31| Een groenend aangezicht is een teken van een hart dat 131 13, 31| een hart dat wel gesteld is, en vinding der gelijkenissen 132 14, 1 | 1 ZALIG is de man die niet feilt met 133 14, 2 | 2 Zalig is hij, die zijn ziel niet 134 14, 5 | Die tegen zichzelf kwaad is, wie zal hij goed zijn? 135 14, 6 | 6 Daar is geen bozer mens dan die 136 14, 6 | die zichzelf wangunstig is, en dat is een vergelding 137 14, 6 | zichzelf wangunstig is, en dat is een vergelding zijner boosheid.~ 138 14, 8 | 8 Het is een boos mens, die met het 139 14, 8 | die met het oog afgunstig is, die het aangezicht afwendt, 140 14, 10| 10 Een boos oog is nijdig over brood, en lijdt 141 14, 12| en het verbond des grafs is u niet getoond.~ 142 14, 18| verbond van de eeuw aan is dit: Gij zult de dood sterven.~ 143 14, 19| doet hij uitspruiten; zo is het met het geslacht van 144 14, 20| dat verrotting onderworpen is, bezwijkt, en die het gewrocht 145 14, 21| 21 Zalig is de man die met wijsheid 146 14, 21| betracht hetgeen eerlijk is, en die met zijn verstand 147 15, 8 | haar geenszins zien; zij is verre van hovaardigheid, 148 15, 9 | hij hem van de Here niet is gezonden.~ 149 15, 11| 11 Zeg niet: De Here is oorzaak, dat ik afgevallen 150 15, 13| haat allerlei gruwel, en ze is niet bemind van degenen 151 15, 18| 18 Want groot is de wijsheid des Heren, en 152 15, 18| wijsheid des Heren, en hij is sterk in kracht, en ziet 153 16, 1 | vreze des Heren bij hen niet is.~ 154 16, 3 | 3 Want één rechtvaardige is beter dan duizend zulken.~ 155 16, 4 | 4 En het is beter zonder kinderen te 156 16, 7 | aangestoken worden, en toorn is ontstoken geweest onder 157 16, 8 | 8 Hij is niet verzoend geworden over 158 16, 12| Want ontferming en toorn is bij hem; hij is een machtig 159 16, 12| en toorn is bij hem; hij is een machtig Here, die haastig 160 16, 13| zijn barmhartigheid groot is, zo is ook zijn kastijding; 161 16, 13| barmhartigheid groot is, zo is ook zijn kastijding; hij 162 16, 15| hemel; zijn barmhartigheid is alle schepselen openbaar, 163 16, 17| niet gedenken, want wat is mijn ziel onder de onmetelijke 164 16, 18| aarde, en hetgeen daarin is, zullen in zijn bezoeking 165 16, 18| ganse wereld die geweest is, en is, die is door zijn 166 16, 18| wereld die geweest is, en is, die is door zijn wil.~ 167 16, 18| die geweest is, en is, die is door zijn wil.~ 168 16, 21| meerderdeel zijner werken is voor ons verborgen.~ 169 16, 22| verdragen? Want het verbond is verre, en onderzoeking aller 170 16, 22| onderzoeking aller dingen is in het einde.~ 171 16, 23| 23 Die klein geworden is overlegt deze dingen, maar 172 17, 5 | zevende, de spraak, welke is een uitlegging zijner werken.~ 173 17, 6 | hun hetgeen goed en kwaad is getoond.~ 174 17, 13| voor hem, maar ieder mens is van de jeugd af geneigd 175 17, 17| barmhartigheid tegen de man is gelijk een zegel bij hem, 176 17, 23| die van een die niet meer is, gaat de dankzegging verloren.~ 177 17, 24| leeft en gezond van hart is, zal de Here prijzen.~ 178 17, 25| 25 Hoe groot is de ontferming des Heren 179 17, 26| mensenzoon onsterfelijk is.~ 180 17, 27| 27 Wat is klaarder dan de zon, en 181 18, 2 | 2 De Here is alleen rechtvaardig, en 182 18, 2 | alleen rechtvaardig, en daar is geen ander dan hij; hij 183 18, 2 | wil gehoorzaam. Want hij is een koning aller dingen 184 18, 2 | onderscheiden daarin hetgeen heilig is van het onheilige.~ 185 18, 7 | 7 Wat is de mens? en waartoe is hij 186 18, 7 | Wat is de mens? en waartoe is hij nut? wat is zijn goed 187 18, 7 | waartoe is hij nut? wat is zijn goed en wat is zijn 188 18, 7 | wat is zijn goed en wat is zijn kwaad?~ 189 18, 9 | Gelijk een droppel water is te rekenen tegen het water 190 18, 10| 10 Daarom is de Here lankmoedig over 191 18, 11| hun einde dat het kwaad is, daarom heeft hij zijn verzoening 192 18, 16| hitte doen ophouden? zo is een woord beter dan een 193 18, 17| 17 Zie, is een woord niet boven een 194 18, 27| Een ieder die verstandig is kent wijsheid en onderwijzing.~ 195 18, 29| spreuken tot het leven. Beter is het betrouwen op de Here 196 18, 29| hangt aan hetgeen dat dood is.~ 197 19, 1 | arbeider, die een dronkaard is, zal niet rijk worden, en 198 19, 4 | haar licht vertrouwt die is lichtvaardig van hart, en 199 19, 6 | degene die niet twistig is, leven; en wie klappen haat, 200 19, 8 | indien het u geen zonde is, zo openbaar het niet.~ 201 19, 12| het vlees vaststeekt, zo is een woord in de buik van 202 19, 16| en niet van harte, en wie is er die met zijn tong niet 203 19, 18| 18 De vreze des Heren is een beginsel der aanneming, 204 19, 18| kennis der geboden des Heren is onderwijzing des levens, 205 19, 18| doen wat hem behagelijk is, zullen de boom der onsterfelijkheid 206 19, 19| vreze van de Here komende, is de gehele wijsheid, en in 207 19, 19| wijsheid, en in alle wijsheid is de onderhouding der wet, 208 19, 20| wetenschap der boosheid is geen wijsheid, en daar is 209 19, 20| is geen wijsheid, en daar is geen kloekheid waar de raad 210 19, 20| waar de raad der zondaren is.~ 211 19, 21| 21 Daar is boosheid en die is een gruwel, 212 19, 21| Daar is boosheid en die is een gruwel, en daar is een 213 19, 21| die is een gruwel, en daar is een onverstandige, die het 214 19, 22| verstand ontbreekt, en bevreesd is, die is beter dan degene, 215 19, 22| ontbreekt, en bevreesd is, die is beter dan degene, die overvloedig 216 19, 22| degene, die overvloedig is in kloekheid, en de wet 217 19, 23| 23 Daar is een vlijtige arglistigheid, 218 19, 23| vlijtige arglistigheid, en ze is onrechtvaardig, en menigeen 219 19, 23| onrechtvaardig, en menigeen is er die de genade verandert, 220 19, 23| doen blijken, en menigeen is er die rechtvaardig oordeelt, 221 19, 23| rechtvaardig oordeelt, en die is wijs.~ 222 19, 24| 24 Menigeen is er die boosheid doet, gaande 223 19, 24| en het binnenste van hem is vol van vurig bedrog.~ 224 19, 28| verkondigen wat hij voor een is.~ 225 19, 29| 29 Daar is een bestraffing die ontijdig 226 19, 29| bestraffing die ontijdig is, en daar is een die zwijgt, 227 19, 29| die ontijdig is, en daar is een die zwijgt, en hij is 228 19, 29| is een die zwijgt, en hij is wijs.~ ~ 229 20, 1 | 1 HOE veel beter is het te bestraffen dan heimelijk 230 20, 2 | de lust van een gesnedene is om een jonge dochter te 231 20, 2 | jonge dochter te onteren, zo is hij die geweld oefent in 232 20, 3 | 3 Menigeen is er die zwijgende wijs wordt 233 20, 3 | wordt bevonden, en menig een is er die gehaat wordt vanwege 234 20, 4 | 4 Menigeen is er die zwijgt, want hij 235 20, 4 | antwoorden, en menigeen is er die zwijgt, wetende de 236 20, 5 | totdat het gelegen tijd is, maar een pocher en onwijze 237 20, 7 | 7 Hoe fraai is het, dat degene die bestraft 238 20, 7 | dat degene die bestraft is geworden, boet vaardigheid 239 20, 9 | 9 Daar is menige gave die u niet bevorderlijk 240 20, 9 | bevorderlijk zal zijn, en daar is menige gave die tweevoudige 241 20, 10| 10 Menigeen is er die vernederd wordt uit 242 20, 10| van de pracht; en menigeen is er die uit de vernedering 243 20, 11| 11 Menigeen is er die veel voor weinig 244 20, 15| wedereisen; de zodanige is van de Here en van de mensen 245 20, 17| en het ontberen daarvan is hem desgelijks evenveel.~ 246 20, 18| 18 Het is beter op een vloer te vallen 247 20, 19| 19 Een onaangenaam mens is als een ontijdige klucht, 248 20, 24| 24 De leugen is een lelijke schandvlek in 249 20, 24| de mond der ongeschikten is zij gedurig.~ 250 20, 25| 25 Een dief is te kiezen voor een die steeds 251 20, 26| een oneer, en zijn schande is steeds bij hem.~ 252 20, 30| 30 Wijsheid die verborgen is, en een schat die niet bekend 253 20, 30| een schat die niet bekend is, wat nuttigheid is in beide?~ 254 20, 30| bekend is, wat nuttigheid is in beide?~ 255 20, 31| zijn dwaasheid verbergt, is beter dan een mens die zijn 256 20, 31| wijsheid verbergt; beter is een onvermijdelijke verdraagzaamheid 257 21, 4 | 4 Alle ongerechtigheid is gelijk een tweesnijdend 258 21, 4 | zwaard, en geen genezing is er voor haar wonde.~ 259 21, 8 | 8 Wie machtig is met de tong, die is van 260 21, 8 | machtig is met de tong, die is van verre bekend, maar een 261 21, 9 | andere lieden bouwt, die is gelijk een die voor zichzelf 262 21, 10| vergadering der goddelozen is gelijk werk dat bijeen vergaderd 263 21, 10| werk dat bijeen vergaderd is, en haar voleinding is een 264 21, 10| vergaderd is, en haar voleinding is een vlam vuurs tot verderf.~ 265 21, 11| 11 De weg van de zondaar is van stenen geëffend, doch 266 21, 11| aan het uiterste daarvan is de gracht der hel.~ 267 21, 13| voleinding van de vreze des Heren is de aanneming der wijsheid.~ 268 21, 14| 14 Wie niet kloek is, die zal niet onderwezen 269 21, 14| hoewel er een kloekheid is die bitterheid vermeerdert.~ 270 21, 16| Het binnenste van de dwaas is gelijk een gebroken vat, 271 21, 19| vertelling van een dwaas is gelijk een last op de weg, 272 21, 21| Gelijk een huis dat vergaan is, zo is de vrijheid van de 273 21, 21| huis dat vergaan is, zo is de vrijheid van de dwaas, 274 21, 22| 22 De tucht is de onwetende als boeien 275 21, 24| 24 De tucht is de voorzichtige man gelijk 276 21, 25| 25 De voet van de dwaas is haastig tot een huis in 277 21, 26| een man die wel opgevoed is, zal buiten blijven staan.~ 278 21, 27| 27 Het is een ongeschiktheid des mensen 279 21, 29| 29 Het hart der dwazen is in hun mond, maar de mond 280 21, 29| maar de mond der wijzen is in hun hart.~ 281 22, 1 | 1 DE luiaard is te vergelijken bij een beslijkte 282 22, 2 | 2 Een luie is gelijk koedrek op de mesthoop; 283 22, 3 | 3 Het is des vaders schande wanneer 284 22, 4 | een die beschaamd maakt, is tot droefheid desgenen die 285 22, 6 | 6 Een ontijdig verhaal is gelijk muziek in rouw, maar 286 22, 6 | tuchtiging ter rechter tijd is een werk van wijsheid.~ 287 22, 9 | einde zal hij zeggen: Wat is het?~ 288 22, 12| het leven van een dwaas is boven de dood.~ 289 22, 17| 17 Wat is er zwaarder dan lood, en 290 22, 20| verstandige gedachten gevestigd is, is gelijk een versierd 291 22, 20| gedachten gevestigd is, is gelijk een versierd pleisterwerk 292 22, 25| wanhoop niet, want daar is wederkering.~ 293 22, 26| zo vrees niet, want daar is verzoening, behalve in versmading 294 22, 26| openbaring van hetgeen verborgen is, en bedriegelijke verwonding, 295 22, 28| erven, want de geringe staat is niet altijd te verachten, 296 23, 3 | uw barmhartigheid verre is.~ 297 23, 10| Een man die veel zweert, is vol ongerechtigheid, en 298 23, 11| hij mishandelt, zijn zonde is op hem, en indien hij het 299 23, 13| 13 Het is een wijze van spreken rondom 300 23, 15| onmatig eedzweren, want daarin is schuld der zonde.~ 301 23, 18| 18 Een mens die gewend is tot scheldwoorden, die zal 302 23, 20| 20 Een hittige ziel is gelijk een brandend vuur; 303 23, 20| uitgeblust tot het verslonden is.~ 304 23, 22| 22 Een hoereerder is allerlei brood zoet; hij 305 23, 24| 24 Duisternis is rondom mij, en de muren 306 23, 27| dingen geschapen waren, is hem alles bekend geweest; 307 23, 30| 30 Want vooreerst is zij de wet des Allerhoogsten 308 23, 34| bekennen, dat er niets beter is dan de vreze des Heren, 309 23, 35| 35 Het is een grote heerlijkheid God 310 24, 11| rusten, en in Jeruzalem is mijn macht.~ 311 24, 12| het deel des Heren, dat is zijn erfdeel.~ 312 24, 23| 23 Want mijn gedachtenis is zoeter dan honig, en mijn 313 24, 26| aan; de Almachtige Here is alleen God, en daar is geen 314 24, 26| Here is alleen God, en daar is geen Zaligmaker benevens 315 24, 35| ziet de gedolven gracht is mij geworden tot een rivier, 316 24, 35| een rivier, en mijn rivier is geworden tot een zee.~ 317 25, 4 | een arme, die hovaardig is, en een rijke, die een leugenaar 318 25, 4 | rijke, die een leugenaar is, en een oude die een overspeler 319 25, 4 | oude die een overspeler is, en aan verstand afgenomen 320 25, 6 | 6 Wat een schone zaak is het dat grijze haren zitten 321 25, 8 | 8 Grote ervarenheid is een kroon der ouden, en 322 25, 8 | kroon der ouden, en hun roem is de vreze des Heren.~ 323 25, 11| 11 Hij is zalig die bij een verstandige 324 25, 11| die zijns niet waardig is.~ 325 25, 12| 12 Hij is zalig die kloekheid gevonden 326 25, 13| 13 Hoe groot is bij die wijsheid vindt! 327 25, 13| wijsheid vindt! doch hij is niet boven degene, die de 328 25, 16| 16 De vreze des Heren is het begin zijner liefde, 329 25, 17| 17 Alle plaag is te verdragen, maar niet 330 25, 19| 19 Daar is geen hoofd boven het hoofd 331 25, 19| hoofd der slang, en daar is geen gramschap boven de 332 25, 23| 23 Alle boosheid is klein tegen de boosheid 333 25, 24| voeten van een oud man, alzo is een klapachtige vrouw voor 334 25, 26| onbeschaamdheid en grote schande is bij een vrouw, indien zij 335 25, 29| 29 Van de vrouw is het begin der zonde, en 336 26, 1 | 1 GELUKKIG is de man, die een goede vrouw 337 26, 3 | 3 Een goede vrouw is een goed erf deel, en wordt 338 26, 4 | En het hart van zo'n man is goed tot de Here. hetzij 339 26, 4 | hetzij dat hij rijk of arm is, altijd hebben zij een vrolijk 340 26, 7 | een andere vrouw jaloers is, en met de tong geselt, 341 26, 7 | bij allen overbrengt, die is een hartzeer en droefheid.~ 342 26, 8 | 8 Een boze vrouw is gelijk een juk ossen dat 343 26, 8 | bewogen wordt; wie ze neemt, is gelijk degene, die een schorpioen 344 26, 13| van alle water dat nabij is drinkt, zo zal zij zich 345 26, 15| en van een goed gemoed is, is een gave des Heren, 346 26, 15| van een goed gemoed is, is een gave des Heren, en daar 347 26, 15| gave des Heren, en daar is niets waartegen men een 348 26, 16| schaamachtige en getrouwe vrouw, is genade op genade, en daar 349 26, 16| genade op genade, en daar is geen ding van zulk gewicht 350 26, 16| zulk gewicht dat waardig is haar kuise ziel.~ 351 26, 17| hoogste plaatsen des Heren, zo is ook de schoonheid van een 352 26, 18| kandelaar glinstert, zo is ook de schoonheid van haar 353 26, 27| hovaardigheid goddeloos is.~ 354 26, 28| 28 Gelukzalig is de man die een goede vrouw 355 26, 29| die deze in zeden gelijk is, zal zijn leven in de oproeren 356 26, 30| 30 Over twee dingen is mijn hart bedroefd geworden, 357 26, 30| geworden, en over het derde is mij gramschap aangekomen:~ 358 26, 33| 33 Een koopman is nauwelijks vrij van mishandeling; 359 27, 6 | wat in het hart des mensen is.~ 360 27, 8 | Indien gij hetgeen recht is najaagt, zo zult gij het 361 27, 11| verhaal van de godvrezende is altijd wijs, maar de dwaas 362 27, 13| 13 Het verhaal der zotten is verdriet, en hun lachen 363 27, 15| bloedvergieting, en hun schelden is moeilijk om te horen.~ 364 27, 21| Volg hem niet, want hij is verre van u weg, en is het 365 27, 21| hij is verre van u weg, en is het ontvloden gelijk een 366 27, 22| en voor een scheldwoord is verzoening, maar die heimelijke 367 27, 24| dat in uw woorden aanstoot is.~ 368 28, 4 | een mens die hem gelijk is, en bidt om zijn zonden.~ 369 28, 11| toeneemt; hoe sterker de mens is, hoe sterker zijn gramschap 370 28, 11| hoe sterker zijn gramschap is; en hoe rijker de mens is, 371 28, 11| is; en hoe rijker de mens is, hoe meer hij zijn toorn 372 28, 21| 21 Zalig is bij die voor haar beschermd 373 28, 21| die voor haar beschermd is, die door haar gramschap 374 28, 21| door haar gramschap niet is gegaan;~ 375 28, 22| en met haar banden niet is gebonden geweest.~ 376 28, 23| 23 Want haar juk is een ijzeren juk, en haar 377 28, 24| 24 Haar dood is een boze dood, en het graf 378 28, 24| een boze dood, en het graf is nuttiger dan zij.~ 379 29, 4 | het geleende als gevonden is, en doen de genen moeite 380 29, 18| die voor u borg geworden is, want hij heeft zijn ziel 381 29, 20| men voor hem borg geworden is, zal vlieden, en een onnut 382 29, 25| van het leven des mensen is water en brood en een kleed, 383 29, 26| een deksel van planken, is beter dan heerlijke spijs 384 29, 28| 28 Het is een ellendig leven uit het 385 29, 31| huis nodig, mijn broeder is bij mij geherbergd.~ 386 30, 4 | 4 Is zijn vader gestorven, zo 387 30, 4 | zijn vader gestorven, zo is het alsof hij niet gestorven 388 30, 4 | gelaten een die hem gelijk is.~ 389 30, 12| terwijl hij nog een kind is, opdat hij niet te eniger 390 30, 14| sterk van lijf en leden is, die is beter dan een rijke 391 30, 14| van lijf en leden is, die is beter dan een rijke die 392 30, 14| aan zijn lichaam geslagen is.~ 393 30, 15| welgesteld te zijn van lichaam, is beter dan al het goud, en 394 30, 16| 16 Daar is geen rijkdom beter dan gezondheid 395 30, 16| gezondheid des lichaams, en daar is geen vreugde boven blijdschap 396 30, 17| 17 De dood is beter dan een bittere leven, 397 30, 19| 19 Wat is het brandoffer de afgod 398 30, 22| 22 Vreugde des harten is des mensen leven zelf, en 399 30, 26| Een lustig en goed hart is bezorgd over de spijzen, 400 31, 6 | gouds wil, en hun verderf is geweest voor hun ogen.~ 401 31, 7 | 7 Het is een hout des aanstoots degenen 402 31, 8 | 8 Zalig is de rijke, die onberispelijk 403 31, 9 | 9 Wie is deze? en wij zullen hem 404 31, 10| 10 Wie is daardoor beproefd en volmaakt 405 31, 13| 13 En zeg niet: Daar is veel opgezet.~ 406 31, 14| nijdig oog een kwaad ding is.~ 407 31, 15| 15 Is er wat bozer geschapen dan 408 31, 21| 21 Hoe weinig is genoeg voor een mens die 409 31, 21| mens die wel onderwezen is; en hij hijgt niet op zijn 410 31, 21| weder op, en zijn vernuft is bij hem.~ 411 31, 22| buikpijn, en pijn in de darmen, is bij een onverzadelijk mens.~ 412 31, 26| 26 Degene die heerlijk is in spijs, zegenen de lippen, 413 31, 26| getuigenis zijner heerlijkheid is getrouw.~ 414 31, 27| 27 Die karig is in spijs, over die murmureert 415 31, 27| getuigenis zijner karigheid is scherp.~ 416 31, 29| door indompeling verstaald is, zo doet ook de wijn in 417 31, 30| 30 De wijn is de mensen gelijk het leven; 418 31, 31| wijn ontbreekt? Want hij is geschapen om de mensen te 419 31, 32| rechter tijd, en zoveel genoeg is gedronken.~ 420 32, 3 | 3 En doe al wat nodig is te doen, en als gij zult 421 32, 6 | muzikanten in een wijngelag is gelijk een zegel van een 422 32, 7 | muzikanten bij zoete wijn, is als een zegel in een smaragd 423 32, 8 | jongeling, als het u van node is, en zulks nauwe lijks, indien 424 32, 16| worden; maar wie geveinsd is, zal daaraan geërgerd worden.~ 425 32, 17| zullen vinden dat recht is, en zullen gerechtigheden 426 32, 19| een vreemde en hovaardige is voor vrees niet vervaard, 427 32, 19| nadat hij iets gedaan heeft, is hij bij zichzelf zonder 428 32, 22| niet, die zonder aanstoot is, en wacht u voor uw kinderen.~ 429 32, 23| goede werken, want ook dat is een onderhouding der geboden.~ 430 33, 2 | maar wie daarin geveinsd is, die is gelijk als een schip 431 33, 2 | daarin geveinsd is, die is gelijk als een schip in 432 33, 3 | vertrouwt de wet, en de wet is hem getrouw.~ 433 33, 4 | 4 Gelijk de vraag klaar is, zo bereid de rede, en zo 434 33, 5 | Het binnenste van de zot is gelijk het rad aan een wagen, 435 33, 5 | wagen, en zijn overlegging is gelijk een as die omloopt.~ 436 33, 6 | vriend, die een bespotter is, is gelijk een springhengst, 437 33, 6 | vriend, die een bespotter is, is gelijk een springhengst, 438 33, 10| aardbodem, en uit de aarde is Adam geschapen.~ 439 33, 14| 14 Zo is ook de mens in de hand desgenen, 440 33, 20| gij nog leeft en adem in u is, geef uzelf in niemands 441 33, 21| 21 Want het is beter dat de kinderen u 442 33, 29| Indien hij niet gehoorzaam is, verzwaar zijn boeien, doch 443 33, 30| gelijk een broeder, want hij is gelijk uw ziel, gij zult 444 34, 1 | van een onverstandige man is ijdel en leugenachtig, en 445 34, 2 | en de winden najaagt, zo is hij die de dromen gadeslaat.~ 446 34, 3 | Wat men in de dromen ziet, is dit na dat, evenals de gelijkheid 447 34, 5 | vrouw die in barensnood is.~ 448 34, 8 | wet volbracht, en wijsheid is eens getrouwen monds volkomenheid.~ 449 34, 10| 10 Die niet ervaren is, weet weinig, maar die gedwaald 450 34, 10| maar die gedwaald heeft, is meerder in schranderheid.~ 451 34, 11| in mijn afdwaling, en het is mijn verstand, dat mijn 452 34, 14| 14 Want hun hoop is op hem, die hen behouden 453 34, 15| vervaard wezen, want hij is zijn hoop.~ 454 34, 16| 16 Zalig is de ziel desgenen, die de 455 34, 16| aan wie houdt hij, en wie is zijn steunsel?~ 456 34, 17| die hem liefhebben; hij is hun een krachtig schild 457 34, 19| offert, diens offerande is bespottelijk, en de gaven 458 34, 22| Het brood der behoeftigen is het leven der armen, wie 459 34, 22| wie hen daarvan berooft, is een doodslager.~ 460 34, 27| 27 Als iemand is gewassen nadat hij een dode 461 34, 28| 28 Zo is het met een mens die vast 462 34, 28| zijn gebed verhoren? en wat is hij daarmee gevorderd dat 463 35, 2 | Wie een weldaad vergeldt, is gelijk die meelbloem offert, 464 35, 3 | 3 Het is des Heren welbehagen dat 465 35, 3 | afstaan van ongerechtigheid is verzoening.~ 466 35, 7 | eens rechtvaardigen mans is aangenaam, en de gedachtenis 467 35, 11| 11 Want de Here is een vergelden, en hij zal 468 35, 13| 13 Want de Here is een rechter, en bij hem 469 35, 13| een rechter, en bij hem is geen achting des aangezichts.~ 470 35, 18| totdat hij nabij gekomen is, en laat niet af totdat 471 35, 23| 23 Hoe tijdig is de barmhartigheid in de 472 35, 23| tijd der verdrukking; zij is gelijk de wolken in de tijd 473 36, 5 | wij u kennen, want daar is geen God behalve gij, o 474 36, 11| 11 Die behouden is geweest, wordt door een 475 36, 12| volken, die zeggen: Daar is niemand behalve wij.~ 476 36, 14| dat naar uw naam genoemd is; en over Israël, dat gij 477 36, 15| welke de plaats uwer rust is.~ 478 36, 20| buik eet alle spijs, toch is de ene spijs beter dan de 479 36, 23| aan, maar de ene dochter is schoner dan de andere.~ 480 36, 25| 25 Is dan op haar tong barmhartigheid, 481 36, 25| zachtmoedig heid, en genezing, zo is haar man niet gelijk andere 482 36, 26| hulp heeft, die hem gelijk is, en een pilaar waar hij 483 36, 27| 27 Waar geen heining is, daar wordt hetgeen men 484 36, 27| verscheurd, en waar geen vrouw is, daar zal de man zuchten 485 36, 28| waar hij ook des avonds is.~ ~ 486 37, 1 | gehouden, maar menige vriend is alleen vriend met de naam.~ 487 37, 9 | eerst wat zijn behoefte is, want hij zal zichzelf raad 488 37, 10| 10 En zegge tot u: Uw weg is goed, en stelle zich tegenover 489 37, 12| degene waartegen zij jaloers is; noch met een vreesachtige 490 37, 13| Heren bewaart, die gezind is gelijk gij, en indien gij 491 37, 13| struikelen, die met u bedroefd is.~ 492 37, 17| 17 Het begin van het werk is de rede, en beraadslaging 493 37, 18| 18 Het aangezicht is een teken van de verandering 494 37, 19| leven en de dood en de tong is het, die gedurig daarover 495 37, 20| 20 Daar is menig arglistig man, een 496 37, 20| onderwijzer van velen, en hij is zijn ziel niet nut.~ 497 37, 21| 21 Daar is menigeen die wijsheid voorgeeft 498 37, 21| voorgeeft met woorden en is hatelijk; deze ontbreekt 499 37, 22| 22 Want hem is door de Here die genade 500 37, 22| van alle wijsheid beroofd is.~


1-500 | 501-634

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License