1-500 | 501-634
Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 ALLE wijsheid is van de Here, en is met hem
2 1, 1 | wijsheid is van de Here, en is met hem in der eeuwigheid.~
3 1, 4 | 4 De wijsheid is eer dan alle dingen geschapen,
4 1, 4 | het verstand der kloekheid is van de eeuwen af.~
5 1, 5 | allerhoogste plaatsen woont, is de fontein der wijsheid,
6 1, 6 | 6 Wie is de wortel der wijsheid ontdekt
7 1, 7 | 7 Eén is er wijs, zeer vreselijk,
8 1, 9 | over al zijn werken; zij is bij alle vlees naar zijn
9 1, 10| 10 De vreze des Heren is eer, en roem, en vrolijkheid,
10 1, 13| 13 Het begin der wijsheid is de Here vrezen, en zij is
11 1, 13| is de Here vrezen, en zij is met de gelovigen tezamen
12 1, 15| verzadiging der wijsheid is de Here vrezen, en zij maakt
13 1, 18| 18 De kroon der wijsheid is de Here vrezen, doende voort
14 1, 20| 20 De wortel der wijsheid is de Here vrezen, en haar
15 1, 22| de hevigheid zijns toorns is hem ten val.~
16 1, 25| maar de godsdienstigheid is de zondaar een gruwel.~
17 1, 27| Want de vreze des Heren is wijsheid en tucht, en zijn
18 1, 27| tucht, en zijn wel behagen is geloof en zachtmoedigheid.~
19 1, 32| gekomen, en uw hart vol is van bedrog.~
20 2, 11| op de Here betrouwd, en is beschaamd geworden?~
21 2, 12| 12 Of wie is in zijn vreze gebleven en
22 2, 12| heeft hem aangeroepen en is door hem veracht?~
23 2, 13| 13 Want de Here is een ontfermer en barmhartige,
24 2, 23| zijn grote heerlijkheid is, zo is ook zijn barmhartigheid.~ ~ ~ ~
25 2, 23| grote heerlijkheid is, zo is ook zijn barmhartigheid.~ ~ ~ ~
26 3, 4 | En wie zijn moeder eert, is gelijk als die schatten
27 3, 6 | en wie de Here gehoorzaam is, zal zijn moeder rust aanbrengen,~
28 3, 11| want de oneer des vaders is u geen eer.~
29 3, 12| een moeder die in oneer is, die is de kinderen een
30 3, 12| moeder die in oneer is, die is de kinderen een verwijt.~
31 3, 18| zijn vader verlaat, die is gelijk een godslasteraar,
32 3, 18| broeder tot toorn verwekt, die is vervloekt van de Here.~
33 3, 22| Want de macht des Heren is groot, en wordt door de
34 3, 23| dwaasheid. Wat u bevolen is, overleg dat heilig.~
35 3, 24| 24 Want het is u niet van node, verborgen
36 3, 29| hovaardigen gebracht wordt, zo is daar geen genezing; zijn
37 3, 29| want een plant der boosheid is in hem ingeworteld.~
38 3, 30| het oor des toehoorders is des wijzen begeerte.~
39 4, 16| 16 Die haar gehoorzaam is, zal de volken richten;
40 4, 25| 25 Want daar is een beschaamdheid, die zonde
41 4, 25| zonde aanbrengt, en daar is een beschaamdheid, die eer
42 4, 35| met verbeelding gekweld is.~
43 5, 1 | rijkdom, en zeg niet, hij is mij genoegzaam om te leven.~
44 5, 4 | gezondigd, en welk leed is mij geschied? want de Here
45 5, 4 | mij geschied? want de Here is lankmoedig, hij zal u niet
46 5, 6 | zeg niet: Zijn ontferming is groot, de menigte mijner
47 5, 11| de zondaar die tweetongig is.~
48 5, 15| 15 Eer en oneer is in het spreken, en des mensen
49 6, 1 | zondaar, die tweetongig is, oneer behalen.~
50 6, 8 | 8 Want daar is menig vriend in zijn gelegene
51 6, 9 | 9 Ook is er menig vriend die veranderd
52 6, 10| 10 Daar is ook menig vriend om tafelgenoot
53 6, 14| 14 Een getrouw vriend is een sterke bescherming,
54 6, 15| 15 Daar is geen verwisseling tegen
55 6, 15| getrouwe vriend, en daar is geen gewicht zijner schoonheid.~
56 6, 16| 16 Een getrouw vriend is een medicijn des levens,
57 6, 17| vriendschap; want naar dat hij is, zo zullen ook zijn naasten
58 6, 21| 21 Och hoe rauw is zij de ongeleerden! en de
59 6, 22| 22 Zij is bij hem gelijk een harde
60 6, 23| 23 Want de wijsheid is gelijk haar naam meebrengt,
61 6, 23| haar naam meebrengt, en is niet velen openbaar.~
62 6, 31| Want een gulden versiersel is op haar, en haar banden
63 6, 35| de menigte der ouden, en is er iemand wijs, hang hem
64 7, 11| in bitterheid zijner ziel is, want daar is een die vernedert
65 7, 11| zijner ziel is, want daar is een die vernedert en verhoogt.~
66 7, 15| de Allerhoogste geschapen is.~
67 7, 22| daarop, en zo het u nut is, laat het bij u blijven.~
68 7, 31| zijn deel, gelijk u bevolen is,~
69 8, 12| in de tijd als het nodig is zult antwoorden.~
70 8, 15| Leen niemand die machtiger is dan gij, en indien gij hem
71 8, 19| woestijn, gelijk als niets is het bloed in zijn ogen,
72 8, 19| ogen, en waar geen hulp is, daar zal hij u ter neder
73 9, 12| vriend niet, want de nieuwe is hem niet gelijk.~
74 9, 13| 13 Een nieuwe vriend is gelijk nieuwe wijn: als
75 9, 14| niet welke zijn verandering is.~
76 9, 22| 22 Een klapachtig man is verschrikkelijk in zijn
77 9, 22| stad, en die te voortvarend is in zijn rede, zal gehaat
78 10, 1 | heerschappij des verstandigen is ordelijk aangesteld.~
79 10, 2 | als de rechter des volks is, zo zijn ook zijn dienaars;
80 10, 2 | gelijk de voorganger der stad is, zo zijn allen die deze
81 10, 3 | koning, die niet onderwezen is, zal zijn volk verderven,
82 10, 4 | 4 De macht op aarde is in de hand des Heren, en
83 10, 4 | verwekken een, die nuttig is.~
84 10, 5 | 5 In de hand des Heren is des mensen voorspoed, en
85 10, 7 | 7 Hovaardigheid is hatelijk voor God en de
86 10, 7 | de mensen, en bij beide is hatelijk de misdaad der
87 10, 9 | 9 Daar is voorwaar niets onrechtvaardiger
88 10, 11| lange ziekte af, en heden is iemand koning, en morgen
89 10, 13| beginsel der hovaardigheid is, wanneer een mens van de
90 10, 14| 14 Want hovaardigheid is een beginsel der zonde,
91 10, 21| 21 De hovaardigheid is niet geschapen in de mensen,
92 10, 23| het midden der broeders is degene geëerd, die hun leidsman
93 10, 23| geëerd, die hun leidsman is, en die de Here vrezen worden
94 10, 24| 24 De vreze des Heren is een heerschappij ook voor
95 10, 24| hardigheid en hovaardigheid is een wegwerping der heer
96 10, 25| en heerlijken, en armen, is de vreze des Heren.~
97 10, 26| 26 Het is niet recht dat men een arme
98 10, 26| arme onteert die verstandig is, en het betaamt niet dat
99 10, 27| geëerd, maar geen hunner is meerder dan die de Here
100 10, 30| 30 Want het is beter dat iemand werkt,
101 10, 34| die in rijkdom ongeëerd is, hoeveel te meer in ar moede.~ ~
102 11, 3 | 3 De bij is klein onder de vliegende
103 11, 3 | gedierten, en haar vrucht is het voornaamste der zoetigheden.~
104 11, 11| 11 Menigeen is er die moeite doet, en arbeidt,
105 11, 12| 12 Menigeen is er die traag is, hebbende
106 11, 12| Menigeen is er die traag is, hebbende hulp van node,
107 11, 15| wetenschap, en kennis der wet is van de Here; liefde en wegen
108 11, 18| 18 Menigeen is er die rijk wordt door zijn
109 11, 18| en spaarzaamheid, en dit is nu zijn deel van zijn loon.~
110 11, 22| 22 Want het is in de ogen des Heren licht,
111 11, 23| 23 De zegen des Heren is in het loon van de godvrezende;
112 11, 25| genoeg, en hetgeen ik heb is veel, en wat zal mij voortaan
113 11, 27| 27 Want het is voor de Here licht, in de
114 11, 28| aan het einde van de mens is de ontdekking zijner werken.~
115 11, 31| veldhoen in een kooi, alzo is het hart des hovaardigen,
116 11, 33| een mens die een zondaar is loert op bloed.~
117 12, 2 | zult vergelding vinden, en is het niet bij hem, immers
118 12, 6 | wraak. Geef degene die vroom is, en neem u de zondaar niet
119 12, 13| die van een slang gebeten is? en over allen die tot de
120 13, 2 | last op, die u te zwaar is, en heb geen gemeenschap
121 13, 2 | degene, die sterker en rijker is dan gij.~
122 13, 14| 14 Onbarmhartig is hij die zijn woorden niet
123 13, 20| wolf hebben met een lam? zo is een zondaar tegen degene,
124 13, 23| 23 Gelijk de nederigheid is der hovaardigen gruwel,
125 13, 23| der hovaardigen gruwel, zo is ook de arme voor de rijke
126 13, 28| spreekt, en men zegt: Wie is deze? en indien hij aanstoot,
127 13, 29| 29 De rijkdom is goed, bij welke geen zonde
128 13, 29| goed, bij welke geen zonde is, en de armoede is kwaad
129 13, 29| zonde is, en de armoede is kwaad in de mond des goddelozen.~
130 13, 31| Een groenend aangezicht is een teken van een hart dat
131 13, 31| een hart dat wel gesteld is, en vinding der gelijkenissen
132 14, 1 | 1 ZALIG is de man die niet feilt met
133 14, 2 | 2 Zalig is hij, die zijn ziel niet
134 14, 5 | Die tegen zichzelf kwaad is, wie zal hij goed zijn?
135 14, 6 | 6 Daar is geen bozer mens dan die
136 14, 6 | die zichzelf wangunstig is, en dat is een vergelding
137 14, 6 | zichzelf wangunstig is, en dat is een vergelding zijner boosheid.~
138 14, 8 | 8 Het is een boos mens, die met het
139 14, 8 | die met het oog afgunstig is, die het aangezicht afwendt,
140 14, 10| 10 Een boos oog is nijdig over brood, en lijdt
141 14, 12| en het verbond des grafs is u niet getoond.~
142 14, 18| verbond van de eeuw aan is dit: Gij zult de dood sterven.~
143 14, 19| doet hij uitspruiten; zo is het met het geslacht van
144 14, 20| dat verrotting onderworpen is, bezwijkt, en die het gewrocht
145 14, 21| 21 Zalig is de man die met wijsheid
146 14, 21| betracht hetgeen eerlijk is, en die met zijn verstand
147 15, 8 | haar geenszins zien; zij is verre van hovaardigheid,
148 15, 9 | hij hem van de Here niet is gezonden.~
149 15, 11| 11 Zeg niet: De Here is oorzaak, dat ik afgevallen
150 15, 13| haat allerlei gruwel, en ze is niet bemind van degenen
151 15, 18| 18 Want groot is de wijsheid des Heren, en
152 15, 18| wijsheid des Heren, en hij is sterk in kracht, en ziet
153 16, 1 | vreze des Heren bij hen niet is.~
154 16, 3 | 3 Want één rechtvaardige is beter dan duizend zulken.~
155 16, 4 | 4 En het is beter zonder kinderen te
156 16, 7 | aangestoken worden, en toorn is ontstoken geweest onder
157 16, 8 | 8 Hij is niet verzoend geworden over
158 16, 12| Want ontferming en toorn is bij hem; hij is een machtig
159 16, 12| en toorn is bij hem; hij is een machtig Here, die haastig
160 16, 13| zijn barmhartigheid groot is, zo is ook zijn kastijding;
161 16, 13| barmhartigheid groot is, zo is ook zijn kastijding; hij
162 16, 15| hemel; zijn barmhartigheid is alle schepselen openbaar,
163 16, 17| niet gedenken, want wat is mijn ziel onder de onmetelijke
164 16, 18| aarde, en hetgeen daarin is, zullen in zijn bezoeking
165 16, 18| ganse wereld die geweest is, en is, die is door zijn
166 16, 18| wereld die geweest is, en is, die is door zijn wil.~
167 16, 18| die geweest is, en is, die is door zijn wil.~
168 16, 21| meerderdeel zijner werken is voor ons verborgen.~
169 16, 22| verdragen? Want het verbond is verre, en onderzoeking aller
170 16, 22| onderzoeking aller dingen is in het einde.~
171 16, 23| 23 Die klein geworden is overlegt deze dingen, maar
172 17, 5 | zevende, de spraak, welke is een uitlegging zijner werken.~
173 17, 6 | hun hetgeen goed en kwaad is getoond.~
174 17, 13| voor hem, maar ieder mens is van de jeugd af geneigd
175 17, 17| barmhartigheid tegen de man is gelijk een zegel bij hem,
176 17, 23| die van een die niet meer is, gaat de dankzegging verloren.~
177 17, 24| leeft en gezond van hart is, zal de Here prijzen.~
178 17, 25| 25 Hoe groot is de ontferming des Heren
179 17, 26| mensenzoon onsterfelijk is.~
180 17, 27| 27 Wat is klaarder dan de zon, en
181 18, 2 | 2 De Here is alleen rechtvaardig, en
182 18, 2 | alleen rechtvaardig, en daar is geen ander dan hij; hij
183 18, 2 | wil gehoorzaam. Want hij is een koning aller dingen
184 18, 2 | onderscheiden daarin hetgeen heilig is van het onheilige.~
185 18, 7 | 7 Wat is de mens? en waartoe is hij
186 18, 7 | Wat is de mens? en waartoe is hij nut? wat is zijn goed
187 18, 7 | waartoe is hij nut? wat is zijn goed en wat is zijn
188 18, 7 | wat is zijn goed en wat is zijn kwaad?~
189 18, 9 | Gelijk een droppel water is te rekenen tegen het water
190 18, 10| 10 Daarom is de Here lankmoedig over
191 18, 11| hun einde dat het kwaad is, daarom heeft hij zijn verzoening
192 18, 16| hitte doen ophouden? zo is een woord beter dan een
193 18, 17| 17 Zie, is een woord niet boven een
194 18, 27| Een ieder die verstandig is kent wijsheid en onderwijzing.~
195 18, 29| spreuken tot het leven. Beter is het betrouwen op de Here
196 18, 29| hangt aan hetgeen dat dood is.~
197 19, 1 | arbeider, die een dronkaard is, zal niet rijk worden, en
198 19, 4 | haar licht vertrouwt die is lichtvaardig van hart, en
199 19, 6 | degene die niet twistig is, leven; en wie klappen haat,
200 19, 8 | indien het u geen zonde is, zo openbaar het niet.~
201 19, 12| het vlees vaststeekt, zo is een woord in de buik van
202 19, 16| en niet van harte, en wie is er die met zijn tong niet
203 19, 18| 18 De vreze des Heren is een beginsel der aanneming,
204 19, 18| kennis der geboden des Heren is onderwijzing des levens,
205 19, 18| doen wat hem behagelijk is, zullen de boom der onsterfelijkheid
206 19, 19| vreze van de Here komende, is de gehele wijsheid, en in
207 19, 19| wijsheid, en in alle wijsheid is de onderhouding der wet,
208 19, 20| wetenschap der boosheid is geen wijsheid, en daar is
209 19, 20| is geen wijsheid, en daar is geen kloekheid waar de raad
210 19, 20| waar de raad der zondaren is.~
211 19, 21| 21 Daar is boosheid en die is een gruwel,
212 19, 21| Daar is boosheid en die is een gruwel, en daar is een
213 19, 21| die is een gruwel, en daar is een onverstandige, die het
214 19, 22| verstand ontbreekt, en bevreesd is, die is beter dan degene,
215 19, 22| ontbreekt, en bevreesd is, die is beter dan degene, die overvloedig
216 19, 22| degene, die overvloedig is in kloekheid, en de wet
217 19, 23| 23 Daar is een vlijtige arglistigheid,
218 19, 23| vlijtige arglistigheid, en ze is onrechtvaardig, en menigeen
219 19, 23| onrechtvaardig, en menigeen is er die de genade verandert,
220 19, 23| doen blijken, en menigeen is er die rechtvaardig oordeelt,
221 19, 23| rechtvaardig oordeelt, en die is wijs.~
222 19, 24| 24 Menigeen is er die boosheid doet, gaande
223 19, 24| en het binnenste van hem is vol van vurig bedrog.~
224 19, 28| verkondigen wat hij voor een is.~
225 19, 29| 29 Daar is een bestraffing die ontijdig
226 19, 29| bestraffing die ontijdig is, en daar is een die zwijgt,
227 19, 29| die ontijdig is, en daar is een die zwijgt, en hij is
228 19, 29| is een die zwijgt, en hij is wijs.~ ~
229 20, 1 | 1 HOE veel beter is het te bestraffen dan heimelijk
230 20, 2 | de lust van een gesnedene is om een jonge dochter te
231 20, 2 | jonge dochter te onteren, zo is hij die geweld oefent in
232 20, 3 | 3 Menigeen is er die zwijgende wijs wordt
233 20, 3 | wordt bevonden, en menig een is er die gehaat wordt vanwege
234 20, 4 | 4 Menigeen is er die zwijgt, want hij
235 20, 4 | antwoorden, en menigeen is er die zwijgt, wetende de
236 20, 5 | totdat het gelegen tijd is, maar een pocher en onwijze
237 20, 7 | 7 Hoe fraai is het, dat degene die bestraft
238 20, 7 | dat degene die bestraft is geworden, boet vaardigheid
239 20, 9 | 9 Daar is menige gave die u niet bevorderlijk
240 20, 9 | bevorderlijk zal zijn, en daar is menige gave die tweevoudige
241 20, 10| 10 Menigeen is er die vernederd wordt uit
242 20, 10| van de pracht; en menigeen is er die uit de vernedering
243 20, 11| 11 Menigeen is er die veel voor weinig
244 20, 15| wedereisen; de zodanige is van de Here en van de mensen
245 20, 17| en het ontberen daarvan is hem desgelijks evenveel.~
246 20, 18| 18 Het is beter op een vloer te vallen
247 20, 19| 19 Een onaangenaam mens is als een ontijdige klucht,
248 20, 24| 24 De leugen is een lelijke schandvlek in
249 20, 24| de mond der ongeschikten is zij gedurig.~
250 20, 25| 25 Een dief is te kiezen voor een die steeds
251 20, 26| een oneer, en zijn schande is steeds bij hem.~
252 20, 30| 30 Wijsheid die verborgen is, en een schat die niet bekend
253 20, 30| een schat die niet bekend is, wat nuttigheid is in beide?~
254 20, 30| bekend is, wat nuttigheid is in beide?~
255 20, 31| zijn dwaasheid verbergt, is beter dan een mens die zijn
256 20, 31| wijsheid verbergt; beter is een onvermijdelijke verdraagzaamheid
257 21, 4 | 4 Alle ongerechtigheid is gelijk een tweesnijdend
258 21, 4 | zwaard, en geen genezing is er voor haar wonde.~
259 21, 8 | 8 Wie machtig is met de tong, die is van
260 21, 8 | machtig is met de tong, die is van verre bekend, maar een
261 21, 9 | andere lieden bouwt, die is gelijk een die voor zichzelf
262 21, 10| vergadering der goddelozen is gelijk werk dat bijeen vergaderd
263 21, 10| werk dat bijeen vergaderd is, en haar voleinding is een
264 21, 10| vergaderd is, en haar voleinding is een vlam vuurs tot verderf.~
265 21, 11| 11 De weg van de zondaar is van stenen geëffend, doch
266 21, 11| aan het uiterste daarvan is de gracht der hel.~
267 21, 13| voleinding van de vreze des Heren is de aanneming der wijsheid.~
268 21, 14| 14 Wie niet kloek is, die zal niet onderwezen
269 21, 14| hoewel er een kloekheid is die bitterheid vermeerdert.~
270 21, 16| Het binnenste van de dwaas is gelijk een gebroken vat,
271 21, 19| vertelling van een dwaas is gelijk een last op de weg,
272 21, 21| Gelijk een huis dat vergaan is, zo is de vrijheid van de
273 21, 21| huis dat vergaan is, zo is de vrijheid van de dwaas,
274 21, 22| 22 De tucht is de onwetende als boeien
275 21, 24| 24 De tucht is de voorzichtige man gelijk
276 21, 25| 25 De voet van de dwaas is haastig tot een huis in
277 21, 26| een man die wel opgevoed is, zal buiten blijven staan.~
278 21, 27| 27 Het is een ongeschiktheid des mensen
279 21, 29| 29 Het hart der dwazen is in hun mond, maar de mond
280 21, 29| maar de mond der wijzen is in hun hart.~
281 22, 1 | 1 DE luiaard is te vergelijken bij een beslijkte
282 22, 2 | 2 Een luie is gelijk koedrek op de mesthoop;
283 22, 3 | 3 Het is des vaders schande wanneer
284 22, 4 | een die beschaamd maakt, is tot droefheid desgenen die
285 22, 6 | 6 Een ontijdig verhaal is gelijk muziek in rouw, maar
286 22, 6 | tuchtiging ter rechter tijd is een werk van wijsheid.~
287 22, 9 | einde zal hij zeggen: Wat is het?~
288 22, 12| het leven van een dwaas is boven de dood.~
289 22, 17| 17 Wat is er zwaarder dan lood, en
290 22, 20| verstandige gedachten gevestigd is, is gelijk een versierd
291 22, 20| gedachten gevestigd is, is gelijk een versierd pleisterwerk
292 22, 25| wanhoop niet, want daar is wederkering.~
293 22, 26| zo vrees niet, want daar is verzoening, behalve in versmading
294 22, 26| openbaring van hetgeen verborgen is, en bedriegelijke verwonding,
295 22, 28| erven, want de geringe staat is niet altijd te verachten,
296 23, 3 | uw barmhartigheid verre is.~
297 23, 10| Een man die veel zweert, is vol ongerechtigheid, en
298 23, 11| hij mishandelt, zijn zonde is op hem, en indien hij het
299 23, 13| 13 Het is een wijze van spreken rondom
300 23, 15| onmatig eedzweren, want daarin is schuld der zonde.~
301 23, 18| 18 Een mens die gewend is tot scheldwoorden, die zal
302 23, 20| 20 Een hittige ziel is gelijk een brandend vuur;
303 23, 20| uitgeblust tot het verslonden is.~
304 23, 22| 22 Een hoereerder is allerlei brood zoet; hij
305 23, 24| 24 Duisternis is rondom mij, en de muren
306 23, 27| dingen geschapen waren, is hem alles bekend geweest;
307 23, 30| 30 Want vooreerst is zij de wet des Allerhoogsten
308 23, 34| bekennen, dat er niets beter is dan de vreze des Heren,
309 23, 35| 35 Het is een grote heerlijkheid God
310 24, 11| rusten, en in Jeruzalem is mijn macht.~
311 24, 12| het deel des Heren, dat is zijn erfdeel.~
312 24, 23| 23 Want mijn gedachtenis is zoeter dan honig, en mijn
313 24, 26| aan; de Almachtige Here is alleen God, en daar is geen
314 24, 26| Here is alleen God, en daar is geen Zaligmaker benevens
315 24, 35| ziet de gedolven gracht is mij geworden tot een rivier,
316 24, 35| een rivier, en mijn rivier is geworden tot een zee.~
317 25, 4 | een arme, die hovaardig is, en een rijke, die een leugenaar
318 25, 4 | rijke, die een leugenaar is, en een oude die een overspeler
319 25, 4 | oude die een overspeler is, en aan verstand afgenomen
320 25, 6 | 6 Wat een schone zaak is het dat grijze haren zitten
321 25, 8 | 8 Grote ervarenheid is een kroon der ouden, en
322 25, 8 | kroon der ouden, en hun roem is de vreze des Heren.~
323 25, 11| 11 Hij is zalig die bij een verstandige
324 25, 11| die zijns niet waardig is.~
325 25, 12| 12 Hij is zalig die kloekheid gevonden
326 25, 13| 13 Hoe groot is bij die wijsheid vindt!
327 25, 13| wijsheid vindt! doch hij is niet boven degene, die de
328 25, 16| 16 De vreze des Heren is het begin zijner liefde,
329 25, 17| 17 Alle plaag is te verdragen, maar niet
330 25, 19| 19 Daar is geen hoofd boven het hoofd
331 25, 19| hoofd der slang, en daar is geen gramschap boven de
332 25, 23| 23 Alle boosheid is klein tegen de boosheid
333 25, 24| voeten van een oud man, alzo is een klapachtige vrouw voor
334 25, 26| onbeschaamdheid en grote schande is bij een vrouw, indien zij
335 25, 29| 29 Van de vrouw is het begin der zonde, en
336 26, 1 | 1 GELUKKIG is de man, die een goede vrouw
337 26, 3 | 3 Een goede vrouw is een goed erf deel, en wordt
338 26, 4 | En het hart van zo'n man is goed tot de Here. hetzij
339 26, 4 | hetzij dat hij rijk of arm is, altijd hebben zij een vrolijk
340 26, 7 | een andere vrouw jaloers is, en met de tong geselt,
341 26, 7 | bij allen overbrengt, die is een hartzeer en droefheid.~
342 26, 8 | 8 Een boze vrouw is gelijk een juk ossen dat
343 26, 8 | bewogen wordt; wie ze neemt, is gelijk degene, die een schorpioen
344 26, 13| van alle water dat nabij is drinkt, zo zal zij zich
345 26, 15| en van een goed gemoed is, is een gave des Heren,
346 26, 15| van een goed gemoed is, is een gave des Heren, en daar
347 26, 15| gave des Heren, en daar is niets waartegen men een
348 26, 16| schaamachtige en getrouwe vrouw, is genade op genade, en daar
349 26, 16| genade op genade, en daar is geen ding van zulk gewicht
350 26, 16| zulk gewicht dat waardig is haar kuise ziel.~
351 26, 17| hoogste plaatsen des Heren, zo is ook de schoonheid van een
352 26, 18| kandelaar glinstert, zo is ook de schoonheid van haar
353 26, 27| hovaardigheid goddeloos is.~
354 26, 28| 28 Gelukzalig is de man die een goede vrouw
355 26, 29| die deze in zeden gelijk is, zal zijn leven in de oproeren
356 26, 30| 30 Over twee dingen is mijn hart bedroefd geworden,
357 26, 30| geworden, en over het derde is mij gramschap aangekomen:~
358 26, 33| 33 Een koopman is nauwelijks vrij van mishandeling;
359 27, 6 | wat in het hart des mensen is.~
360 27, 8 | Indien gij hetgeen recht is najaagt, zo zult gij het
361 27, 11| verhaal van de godvrezende is altijd wijs, maar de dwaas
362 27, 13| 13 Het verhaal der zotten is verdriet, en hun lachen
363 27, 15| bloedvergieting, en hun schelden is moeilijk om te horen.~
364 27, 21| Volg hem niet, want hij is verre van u weg, en is het
365 27, 21| hij is verre van u weg, en is het ontvloden gelijk een
366 27, 22| en voor een scheldwoord is verzoening, maar die heimelijke
367 27, 24| dat in uw woorden aanstoot is.~
368 28, 4 | een mens die hem gelijk is, en bidt om zijn zonden.~
369 28, 11| toeneemt; hoe sterker de mens is, hoe sterker zijn gramschap
370 28, 11| hoe sterker zijn gramschap is; en hoe rijker de mens is,
371 28, 11| is; en hoe rijker de mens is, hoe meer hij zijn toorn
372 28, 21| 21 Zalig is bij die voor haar beschermd
373 28, 21| die voor haar beschermd is, die door haar gramschap
374 28, 21| door haar gramschap niet is gegaan;~
375 28, 22| en met haar banden niet is gebonden geweest.~
376 28, 23| 23 Want haar juk is een ijzeren juk, en haar
377 28, 24| 24 Haar dood is een boze dood, en het graf
378 28, 24| een boze dood, en het graf is nuttiger dan zij.~
379 29, 4 | het geleende als gevonden is, en doen de genen moeite
380 29, 18| die voor u borg geworden is, want hij heeft zijn ziel
381 29, 20| men voor hem borg geworden is, zal vlieden, en een onnut
382 29, 25| van het leven des mensen is water en brood en een kleed,
383 29, 26| een deksel van planken, is beter dan heerlijke spijs
384 29, 28| 28 Het is een ellendig leven uit het
385 29, 31| huis nodig, mijn broeder is bij mij geherbergd.~
386 30, 4 | 4 Is zijn vader gestorven, zo
387 30, 4 | zijn vader gestorven, zo is het alsof hij niet gestorven
388 30, 4 | gelaten een die hem gelijk is.~
389 30, 12| terwijl hij nog een kind is, opdat hij niet te eniger
390 30, 14| sterk van lijf en leden is, die is beter dan een rijke
391 30, 14| van lijf en leden is, die is beter dan een rijke die
392 30, 14| aan zijn lichaam geslagen is.~
393 30, 15| welgesteld te zijn van lichaam, is beter dan al het goud, en
394 30, 16| 16 Daar is geen rijkdom beter dan gezondheid
395 30, 16| gezondheid des lichaams, en daar is geen vreugde boven blijdschap
396 30, 17| 17 De dood is beter dan een bittere leven,
397 30, 19| 19 Wat is het brandoffer de afgod
398 30, 22| 22 Vreugde des harten is des mensen leven zelf, en
399 30, 26| Een lustig en goed hart is bezorgd over de spijzen,
400 31, 6 | gouds wil, en hun verderf is geweest voor hun ogen.~
401 31, 7 | 7 Het is een hout des aanstoots degenen
402 31, 8 | 8 Zalig is de rijke, die onberispelijk
403 31, 9 | 9 Wie is deze? en wij zullen hem
404 31, 10| 10 Wie is daardoor beproefd en volmaakt
405 31, 13| 13 En zeg niet: Daar is veel opgezet.~
406 31, 14| nijdig oog een kwaad ding is.~
407 31, 15| 15 Is er wat bozer geschapen dan
408 31, 21| 21 Hoe weinig is genoeg voor een mens die
409 31, 21| mens die wel onderwezen is; en hij hijgt niet op zijn
410 31, 21| weder op, en zijn vernuft is bij hem.~
411 31, 22| buikpijn, en pijn in de darmen, is bij een onverzadelijk mens.~
412 31, 26| 26 Degene die heerlijk is in spijs, zegenen de lippen,
413 31, 26| getuigenis zijner heerlijkheid is getrouw.~
414 31, 27| 27 Die karig is in spijs, over die murmureert
415 31, 27| getuigenis zijner karigheid is scherp.~
416 31, 29| door indompeling verstaald is, zo doet ook de wijn in
417 31, 30| 30 De wijn is de mensen gelijk het leven;
418 31, 31| wijn ontbreekt? Want hij is geschapen om de mensen te
419 31, 32| rechter tijd, en zoveel genoeg is gedronken.~
420 32, 3 | 3 En doe al wat nodig is te doen, en als gij zult
421 32, 6 | muzikanten in een wijngelag is gelijk een zegel van een
422 32, 7 | muzikanten bij zoete wijn, is als een zegel in een smaragd
423 32, 8 | jongeling, als het u van node is, en zulks nauwe lijks, indien
424 32, 16| worden; maar wie geveinsd is, zal daaraan geërgerd worden.~
425 32, 17| zullen vinden dat recht is, en zullen gerechtigheden
426 32, 19| een vreemde en hovaardige is voor vrees niet vervaard,
427 32, 19| nadat hij iets gedaan heeft, is hij bij zichzelf zonder
428 32, 22| niet, die zonder aanstoot is, en wacht u voor uw kinderen.~
429 32, 23| goede werken, want ook dat is een onderhouding der geboden.~
430 33, 2 | maar wie daarin geveinsd is, die is gelijk als een schip
431 33, 2 | daarin geveinsd is, die is gelijk als een schip in
432 33, 3 | vertrouwt de wet, en de wet is hem getrouw.~
433 33, 4 | 4 Gelijk de vraag klaar is, zo bereid de rede, en zo
434 33, 5 | Het binnenste van de zot is gelijk het rad aan een wagen,
435 33, 5 | wagen, en zijn overlegging is gelijk een as die omloopt.~
436 33, 6 | vriend, die een bespotter is, is gelijk een springhengst,
437 33, 6 | vriend, die een bespotter is, is gelijk een springhengst,
438 33, 10| aardbodem, en uit de aarde is Adam geschapen.~
439 33, 14| 14 Zo is ook de mens in de hand desgenen,
440 33, 20| gij nog leeft en adem in u is, geef uzelf in niemands
441 33, 21| 21 Want het is beter dat de kinderen u
442 33, 29| Indien hij niet gehoorzaam is, verzwaar zijn boeien, doch
443 33, 30| gelijk een broeder, want hij is gelijk uw ziel, gij zult
444 34, 1 | van een onverstandige man is ijdel en leugenachtig, en
445 34, 2 | en de winden najaagt, zo is hij die de dromen gadeslaat.~
446 34, 3 | Wat men in de dromen ziet, is dit na dat, evenals de gelijkheid
447 34, 5 | vrouw die in barensnood is.~
448 34, 8 | wet volbracht, en wijsheid is eens getrouwen monds volkomenheid.~
449 34, 10| 10 Die niet ervaren is, weet weinig, maar die gedwaald
450 34, 10| maar die gedwaald heeft, is meerder in schranderheid.~
451 34, 11| in mijn afdwaling, en het is mijn verstand, dat mijn
452 34, 14| 14 Want hun hoop is op hem, die hen behouden
453 34, 15| vervaard wezen, want hij is zijn hoop.~
454 34, 16| 16 Zalig is de ziel desgenen, die de
455 34, 16| aan wie houdt hij, en wie is zijn steunsel?~
456 34, 17| die hem liefhebben; hij is hun een krachtig schild
457 34, 19| offert, diens offerande is bespottelijk, en de gaven
458 34, 22| Het brood der behoeftigen is het leven der armen, wie
459 34, 22| wie hen daarvan berooft, is een doodslager.~
460 34, 27| 27 Als iemand is gewassen nadat hij een dode
461 34, 28| 28 Zo is het met een mens die vast
462 34, 28| zijn gebed verhoren? en wat is hij daarmee gevorderd dat
463 35, 2 | Wie een weldaad vergeldt, is gelijk die meelbloem offert,
464 35, 3 | 3 Het is des Heren welbehagen dat
465 35, 3 | afstaan van ongerechtigheid is verzoening.~
466 35, 7 | eens rechtvaardigen mans is aangenaam, en de gedachtenis
467 35, 11| 11 Want de Here is een vergelden, en hij zal
468 35, 13| 13 Want de Here is een rechter, en bij hem
469 35, 13| een rechter, en bij hem is geen achting des aangezichts.~
470 35, 18| totdat hij nabij gekomen is, en laat niet af totdat
471 35, 23| 23 Hoe tijdig is de barmhartigheid in de
472 35, 23| tijd der verdrukking; zij is gelijk de wolken in de tijd
473 36, 5 | wij u kennen, want daar is geen God behalve gij, o
474 36, 11| 11 Die behouden is geweest, wordt door een
475 36, 12| volken, die zeggen: Daar is niemand behalve wij.~
476 36, 14| dat naar uw naam genoemd is; en over Israël, dat gij
477 36, 15| welke de plaats uwer rust is.~
478 36, 20| buik eet alle spijs, toch is de ene spijs beter dan de
479 36, 23| aan, maar de ene dochter is schoner dan de andere.~
480 36, 25| 25 Is dan op haar tong barmhartigheid,
481 36, 25| zachtmoedig heid, en genezing, zo is haar man niet gelijk andere
482 36, 26| hulp heeft, die hem gelijk is, en een pilaar waar hij
483 36, 27| 27 Waar geen heining is, daar wordt hetgeen men
484 36, 27| verscheurd, en waar geen vrouw is, daar zal de man zuchten
485 36, 28| waar hij ook des avonds is.~ ~
486 37, 1 | gehouden, maar menige vriend is alleen vriend met de naam.~
487 37, 9 | eerst wat zijn behoefte is, want hij zal zichzelf raad
488 37, 10| 10 En zegge tot u: Uw weg is goed, en stelle zich tegenover
489 37, 12| degene waartegen zij jaloers is; noch met een vreesachtige
490 37, 13| Heren bewaart, die gezind is gelijk gij, en indien gij
491 37, 13| struikelen, die met u bedroefd is.~
492 37, 17| 17 Het begin van het werk is de rede, en beraadslaging
493 37, 18| 18 Het aangezicht is een teken van de verandering
494 37, 19| leven en de dood en de tong is het, die gedurig daarover
495 37, 20| 20 Daar is menig arglistig man, een
496 37, 20| onderwijzer van velen, en hij is zijn ziel niet nut.~
497 37, 21| 21 Daar is menigeen die wijsheid voorgeeft
498 37, 21| voorgeeft met woorden en is hatelijk; deze ontbreekt
499 37, 22| 22 Want hem is door de Here die genade
500 37, 22| van alle wijsheid beroofd is.~
1-500 | 501-634 |