Chapter, Verse
1 1, 30| 30 Verhef uzelf niet, opdat gij niet valt,
2 3, 20| groter gij zijt, verneder uzelf des te meer, en gij zult
3 4, 32| 32 Onderwerp uzelf aan geen dwaas mens, en
4 6, 3 | uw vruchten verderven, en uzelf laten als een dorre boom.~
5 6, 7 | de verzoeking en vertrouw uzelf hem niet te haastig.~
6 6, 32| heerlijke tabberd en zult haar uzelf opzetten als een kroon der
7 7, 7 | menigte der stad, en begeef uzelf niet onder het oproerige
8 7, 16| 16 Reken uzelf niet onder de menigte der
9 8, 9 | verteld wordt, en oefen uzelf in hun spreuken.~
10 9, 1 | schoot, en leer haar tegen uzelf geen boze onderwijzing.~
11 12, 11| en gekromd gaan, bedwing uzelf, en wacht u van hem, en
12 12, 17| aldaar eerder vinden dan uzelf, en zich stellende als een
13 13, 15| 15 Bewaar uzelf, en neem vlijtig acht als
14 14, 11| 11 Mijn kind, doe uzelf goed naar dat gij vermoogt,
15 14, 14| 14 Onttrek uzelf niet van de goede dag, en
16 18, 20| geoordeeld wordt, bereid uzelf tot weldoen, en gij zult
17 18, 23| 23 Bereid uzelf eer gij uw gelofte doet,
18 29, 24| vermogen, en heb acht op uzelf dat gij niet valt.~
19 30, 21| niet tot droefheid, en kwel uzelf niet door uw eigen raad.~
20 31, 17| 17 Meet bij uzelf af hetgeen uw naaste behaagt,
21 32, 23| 23 Vertrouw uzelf in alle goede werken, want
22 33, 20| leeft en adem in u is, geef uzelf in niemands macht, over.~
23 38, 22| gij geen voordeel doen, en uzelf zult gij kwellen.~
|