Chapter, Verse
1 1, 1 | Here, en is met hem in der eeuwigheid.~
2 7, 38| uiterste, en gij zult in der eeuwigheid niet zondigen.~ ~
3 11, 17| maakt voorspoedig in der eeuwigheid.~
4 12, 9 | Betrouw uw vijand in der eeuwigheid niet.~
5 16, 27| zijn werken versierd in eeuwigheid, hun beginselen door zijn
6 16, 28| 28 En tot in eeuwigheid zullen zij zijn woord niet
7 17, 7 | hij heeft hun gegeven in eeuwigheid te mogen roemen in zijn
8 18, 1 | 1 DIE in eeuwigheid leeft, heeft alle dingen
9 18, 9 | jaren tegen de dagen der eeuwigheid.~
10 24, 10| mij geschapen, en tot in eeuwigheid neem ik niet af; in een
11 37, 27| volk, en zijn naam zal in eeuwigheid blijven.~
12 39, 12| verstand prijzen, en dat zal in eeuwigheid niet uitgewist worden.~
13 40, 11| worden, maar geloof zal in eeuwigheid bestaan.~
14 40, 16| zegeningen, en aalmoes blijft in eeuwigheid.~
15 41, 16| een goede naam blijft in eeuwigheid.~
16 42, 26| vóór de wereld en in der eeuwigheid.~
17 42, 29| leven en blijven in der eeuwigheid in al hun gebruik en zijn
18 44, 14| 14 Tot in der eeuwigheid blijft hun zaad, en hun
19 45, 30| priesterdoms zou hebben in der eeuwigheid.~
20 47, 13| en zijn hoorn verhoogd in eeuwigheid; en heeft hem gegeven het
21 47, 15| heiligdom bereiden in der eeuwigheid.~
22 48, 28| toekomende dingen tot in eeuwigheid, en de verborgen dingen
23 50, 30| Geprezen zij de Here in der eeuwigheid. Dat geschiede, dat geschiede!~ ~
|