Chapter, Verse
1 9, 19| 19 Merk op uw naaste, naar al uw vermogen, en
2 10, 6 | 6 Vergram u niet op uw naaste over enig onrecht, en doe
3 13, 18| en ieder mens heeft zijn naaste lief.~
4 15, 5 | hem verhogen boven zijn naaste, en zij zal in het midden
5 16, 27| werken, niet een heeft zijn naaste verdrukt;~
6 17, 12| gegeven, elk een van zijn naaste.~
7 18, 12| van de mens gaat over zijn naaste, maar de barmhartigheid.
8 19, 14| 14 Bestraf uw naaste, misschien heeft hij het
9 19, 17| 17 Bestraf uw naaste eer gij dreigt, en geef
10 22, 27| 27 Bewijs trouw jegens uw naaste in zijn armoede; opdat gij
11 27, 19| verliest, zo heeft hij zijn naaste verloren.~
12 27, 20| losgelaten hadt, zo hebt gij uw naaste verlaten, en zult hem niet
13 28, 2 | 2 Vergeef uw naaste het onrecht dat hij u gedaan
14 28, 7 | geen vijandschap tegen uw naaste tot zijn verderf en dood,
15 28, 8 | geen vijandschap tegen de naaste, en aan het verbond des
16 29, 1 | barmhartigheid oefent, die leent zijn naaste en wie hem sterkt met zijn
17 29, 2 | 2 Leen uw naaste in de tijd zijner behoefte,
18 29, 2 | en wederom, geef het uw naaste weder te zijner tijd.~
19 29, 17| Een goed man zal voor zijn naaste borg worden, maar die de
20 31, 17| bij uzelf af hetgeen uw naaste behaagt, en let op alle
21 31, 35| 35 Bestraf uw naaste niet in het wijngelag, en
22 34, 23| 23 Hij doodt zijn naaste, die hem zijn leeftocht
|