Chapter, Verse
1 1, 7 | 7 Eén is er wijs, zeer vreselijk, zittende op zijn
2 3, 21| 21 Velen zijn hoog en zeer vermaard, maar de zachtmoedigen
3 7, 17| 17 Verneder uw ziel zeer, want de wraak des goddelozen
4 9, 5 | Aanschouw een maagd niet te zeer, dat gij niet misschien
5 10, 14| daarbij blijft, die bedrijft zeer gruwelijke moedwil, doch
6 17, 21| 21 En haat zeer de gruwel.~
7 18, 14| onderwijzing aannemen, en die zich zeer haasten tot zijn oordelen.~
8 19, 3 | hij zal uitdrogen tot een zeer schandelijk voorbeeld.~
9 25, 3 | en op hun leven ben ik zeer verstoord:~
10 26, 11| een onbeschaamde dochter zeer nauw, opdat zij niet, wanneer
11 27, 25| 25 Ik haat zulk een zeer, en vergelijk niemand bij
12 39, 20| werken des Heren zijn alle zeer schoon, en al wat hij gebiedt
13 43, 12| die hem gemaakt heeft, die zeer schoon is in zijn schijnsel.~
14 43, 31| Verschrikkelijk is de Here, en zeer groot, en zijn vermogen
15 45, 11| behangen met granaatappelen, en zeer veel gouden schelletjes
16 45, 13| getweernd scharlaken zijde, zeer kunstig gewrocht, van kostelijke
17 47, 26| liet na van zijn zaad een zeer dwaze onder het volk, en
18 47, 27| zonden vermenigvuldigden zeer;~
19 48, 20| hand tegen Sion, en pochte zeer in zijn hoogmoed.~
20 51, 25| Mijn ziel heeft om haar zeer gestreden, en in mij honger
21 51, 32| hiertoe? zo toch uw zielen zeer dorsten.~
|