Chapter, Verse
1 3, 31| 31 Het water blust het vlammende vuur
2 15, 3 | brood des verstands, en met water der wijsheid zal zij hem
3 15, 16| 16 Hij heeft u vuur en water voorgesteld; strek uw hand
4 18, 9 | 9 Gelijk een droppel water is te rekenen tegen het
5 18, 9 | is te rekenen tegen het water van de zee, en een greintje
6 24, 15| Platanus ben ik uit het water verhoogd.~
7 25, 30| 30 Geef het water geen doortocht, noch de
8 26, 13| fontein vindt, en van alle water dat nabij is drinkt, zo
9 29, 25| het leven des mensen is water en brood en een kleed, en
10 38, 5 | 5 Is het water niet zoet geworden van een
11 39, 17| geplant is aan een stromend water;~
12 39, 21| Door zijn woord stond het water gelijk een hoop, en door
13 39, 30| des mensen nodig is, is water, en vuur, en ijzer, en zout,
14 40, 10| tot aarde, en al wat van water is, wendt zich weder naar
15 40, 15| 15 Hun groente aan alle water en oever van een stroom
16 43, 22| noordenwind blaast, en het water tot ijs bevriest, zo zet
17 43, 22| alle vergadering van het water neder, en trekt het water
18 43, 22| water neder, en trekt het water gelijk als een pantser aan.~
19 48, 19| zijn stad vast, en leidde water in het midden daarvan; hij
20 48, 19| en bouwde fonteinen om water te hebben.~
21 50, 7 | aan de oorsprong van het water; gelijk een spruit van Libanon
|