Chapter, Verse
1 7, 1 | 1 DOE geen kwaad, en u zal geen kwaad bevangen.~
2 7, 1 | geen kwaad, en u zal geen kwaad bevangen.~
3 7, 20| 20 Die de huisknecht geen kwaad die getrouw zijn werk doet,
4 11, 25| voortaan in dit leven voor kwaad geschieden?~
5 11, 28| 28 Een kwaad uur maakt dat men de wellust
6 12, 5 | overweldige, want dubbel kwaad zal u overkomen voor al
7 13, 29| zonde is, en de armoede is kwaad in de mond des goddelozen.~
8 14, 5 | 5 Die tegen zichzelf kwaad is, wie zal hij goed zijn?
9 17, 6 | en hun hetgeen goed en kwaad is getoond.~
10 18, 7 | zijn goed en wat is zijn kwaad?~
11 18, 11| verstaan hun einde dat het kwaad is, daarom heeft hij zijn
12 19, 25| zal hij u voorkomen om kwaad te doen.~
13 19, 26| zondigen, zo zal hij toch kwaad doen indien hij gelegener
14 27, 28| 28 Wie kwaad doet, bij die zal dat kwaad
15 27, 28| kwaad doet, bij die zal dat kwaad herberg nemen, en hij zal
16 31, 10| heeft niet overtreden? en kwaad doen, en heeft het niet
17 31, 14| Gedenk dat een nijdig oog een kwaad ding is.~
18 33, 1 | de Here vreest, zal geen kwaad ontmoeten, maar hij zal
19 38, 20| 20 Als er kwaad wordt ingevoerd, blijft
20 39, 5 | want hij heeft wat goed en kwaad is onder de mensen beproefd.~
21 39, 31| worden ze de zondaar in kwaad verkeerd.~
|