Chapter, Verse
1 6, 6 | velen met u in vrede leven, doch heb maar een van duizenden
2 10, 14| zeer gruwelijke moedwil, doch op het einde zal hij omgekeerd
3 17, 16| zonden zijn voor de Here, doch de Here zijnde goedertieren,
4 17, 18| 18 Doch de boetvaardige heeft bij
5 21, 11| is van stenen geëffend, doch aan het uiterste daarvan
6 25, 13| bij die wijsheid vindt! doch hij is niet boven degene,
7 25, 17| harten, en alle boosheid, doch niet de boosheid van een
8 25, 18| 18 Alle inval, doch niet de inval dergenen die
9 25, 18| die haten, en alle wraak, doch niet de wraak der vijanden.~
10 28, 20| de scherpte des zwaards, doch niet zo velen als er gevallen
11 32, 4 | zijt, want dat betaamt u, doch met ernstige wetenschap,
12 33, 29| is, verzwaar zijn boeien, doch wees niet te streng jegens
13 38, 16| zware dingen geleden hebt; doch omwind zijn lichaam naar
14 38, 38| in wonen noch wandelen, doch tot de raad van het volk
15 40, 8 | mens af tot op het vee, doch over de zondaars komt tot
16 41, 14| rouw vanwege hun lichamen, doch de boze naam der mensen
17 43, 33| brengt hem veel sterkte toe; doch vermoeit u niet, want gij
18 44, 10| 10 Doch enigen zijn er waarvan geen
19 44, 11| 11 Doch dezen zijn mannen der barmhartigheid,
20 45, 27| 27 Doch in het land des volks had
21 47, 23| 23 Doch de Here verliet zijn barmhartigheid
|