Chapter, Verse
1 3, 17| gedacht worden, gelijk schoon weder het ijs, zo zullen uw zonden
2 16, 30| gedierte, en in baar keren zij weder.~ ~
3 17, 1 | geschapen, en heeft hem weder in dezelve doen terugkeren.~
4 17, 17| daarna zal hij opstaan en hen weder vergelden, en hun vergelding
5 17, 18| boetvaardige heeft bij gegeven weder te keren, en heeft tot zich
6 17, 20| 20 Ga weder tot de Allerhoogste, en
7 27, 9 | gelijken, en de waarheid komt weder tot degenen, die haar betrachten.~
8 27, 20| verlaten, en zult hem niet weder vangen.~
9 29, 2 | wederom, geef het uw naaste weder te zijner tijd.~
10 29, 6 | wanneer hij het behoort weder te geven, dan stelt hij
11 30, 6 | wreken zal, en de vrienden weder dankbaar zal zijn.~
12 31, 21| staat des morgens vroeg weder op, en zijn vernuft is bij
13 31, 23| geef over, en gij zult weder rust hebben.~
14 33, 1 | zal hem in verzoeking ook weder daaruit verlossen.~
15 34, 27| heeft aangeraakt, en die weder aanraakt, welke nuttigheid
16 34, 28| vanwege zijn zonden, en weder heengaat en hetzelfde doet;
17 40, 10| van water is, wendt zich weder naar de zee.~
18 41, 13| wat uit de aarde is, zal weder in de aarde keren; gelijk
19 41, 29| 29 Schaamt u van weder te gaan zeggen hetgeen gij
20 49, 14| die in hun dagen het huis weder hebben gebouwd, en de heilige
|