Chapter, Verse
1 1, 12| 12 Die de Here vreest die zal het welgaan in de
2 2, 7 | 7 Gij die de Here vreest, gelooft hem, en uw loon
3 2, 8 | 8 Gij die de Here vreest, hoopt het goede en eeuwige
4 2, 9 | 9 Gij die de Here vreest, verbiedt zijn barmhartigheid
5 3, 7 | 7 Wie de Here vreest zal zijn vader eren, zal
6 6, 17| 17 Die de Here vreest, gedraagt zich recht in
7 7, 6 | aangezicht des machtigen vreest, en een aanstoot legt in
8 10, 27| meerder dan die de Here vreest.~
9 12, 4 | 4 Geef degene die God vreest, en neem u de zondaar niet
10 13, 20| tegen degene, die de Here vreest.~
11 15, 1 | 1 DIE de Here vreest zal zulks doen en die de
12 18, 26| voor de Here. Een wijs mens vreest altijd, en in de dagen der
13 21, 7 | zondaar, en wie de Here vreest, die bekeert zich van harte.~
14 25, 13| boven degene, die de Here vreest.~
15 26, 24| gegeven hem, die de Here vreest.~
16 32, 15| 15 Wie de Here vreest, die zal zijn onderwijzing
17 33, 1 | 1 HEM die de Here vreest, zal geen kwaad ontmoeten,
18 34, 15| 15 Wie de Here vreest, die zal geen ding vrezen,
19 34, 16| ziel desgenen, die de Here vreest, aan wie houdt hij, en wie
20 42, 12| 12 En in haar jeugd vreest hij dat zij misschien niet
|