Chapter, Verse
1 3, 22| Want de macht des Heren is groot, en wordt door de nederigen
2 5, 6 | niet: Zijn ontferming is groot, de menigte mijner zonden
3 7, 25| dochter uit, en gij zult een groot werk volbracht hebben; en
4 15, 18| 18 Want groot is de wijsheid des Heren,
5 16, 13| Gelijk zijn barmhartigheid groot is, zo is ook zijn kastijding;
6 16, 17| 17 Onder een groot volk zal men aan mij niet
7 17, 25| 25 Hoe groot is de ontferming des Heren
8 25, 13| 13 Hoe groot is bij die wijsheid vindt!
9 26, 22| edele geslacht hebbende, groot worden.~
10 26, 29| 29 Een vrouw die groot getier maakt, en de tong
11 36, 4 | ons, dat gij ook voor ons groot gemaakt moogt worden in
12 43, 5 | 5 De Here is groot, die ze gemaakt heeft, en
13 43, 30| het vermogen? Want hij is groot boven al zijn werken.~
14 43, 31| Verschrikkelijk is de Here, en zeer groot, en zijn vermogen is wonderbaar.~
15 43, 34| vertellen? en wie zal hem groot maken gelijk hij is?~
16 45, 2 | door de vrees der vijanden groot gemaakt; door zijn woorden
17 46, 2 | 2 Welke groot werd, volgens zijn naam,
18 50, 17| dat er gehoord werd een groot geschal, tot een gedachtenis
19 51, 36| de onderwijzing met een groot getal gelds, en veel goud
|