Chapter, Verse
1 3, 29| worden, want een plant der boosheid is in hem ingeworteld.~
2 11, 16| pochen, met die veroudert de boosheid.~
3 12, 10| koper verroest, zo ook zijn boosheid.~
4 14, 6 | is een vergelding zijner boosheid.~
5 14, 7 | het laatst zal hij zijn boosheid doen blijken.~
6 19, 6 | klappen haat, die neemt af in boosheid.~
7 19, 20| 20 De wetenschap der boosheid is geen wijsheid, en daar
8 19, 21| 21 Daar is boosheid en die is een gruwel, en
9 19, 24| 24 Menigeen is er die boosheid doet, gaande gebukt in zwarte
10 25, 17| plaag des harten, en alle boosheid, doch niet de boosheid van
11 25, 17| alle boosheid, doch niet de boosheid van een vrouw;~
12 25, 21| 21 De boosheid van een vrouw verandert
13 25, 23| 23 Alle boosheid is klein tegen de boosheid
14 25, 23| boosheid is klein tegen de boosheid van een vrouw; en het lot
15 27, 10| de zonde op degenen, die boosheid werken.~
16 29, 10| Velen dan vanwege zulke boosheid, wenden zich van de mens
17 35, 3 | welbehagen dat men afsta van boosheid, en afstaan van ongerechtigheid
18 42, 16| voort, en van de vrouw de boosheid der vrouw.~
19 42, 17| 17 De boosheid van een man is beter dan
|