1-500 | 501-634
Chapter, Verse
501 37, 23| 23 Menigeen is wijs voor zichzelf, en de
502 37, 28| wat voor haar schadelijk is, en geef het haar niet.~
503 38, 2 | 2 Want de genezing is van de Allerhoogste, en
504 38, 3 | hoofd, en bij de groten is hij in bewondering.~
505 38, 5 | 5 Is het water niet zoet geworden
506 38, 13| 13 Daar is mischien een tijd, dat er
507 38, 13| hun handen een goede reuk is.~
508 38, 20| en het leven van een arme is een vervloeking des harten.~
509 38, 22| Vergeet dat niet, want vandaar is geen wederkomst, en hem
510 38, 24| wanneer zijn geest uitgegaan is.~
511 38, 25| tijd, en wie verzuimachtig is in zijn handeling, die zal
512 38, 28| 28 Zo is het gelegen met ieder schrijnwerker
513 38, 34| om; welke altijd bezorgd is over zijn werk, en al zijn
514 38, 37| vertrouwen op hun handen, en elk is verstandig in zijn werk.~
515 38, 40| der wereld, en hun wens is dat zij in hun kunst werken
516 39, 1 | wijsheid aller ouden, en is bezig in de profetieën.~
517 39, 5 | heeft wat goed en kwaad is onder de mensen beproefd.~
518 39, 17| gelijk een roos, die geplant is aan een stromend water;~
519 39, 20| men mag niet zeggen: Wat is dit? want al deze dingen
520 39, 22| 22 Al zijn welbehagen is in zijn gebod, en daar is
521 39, 22| is in zijn gebod, en daar is niemand die verminderen
522 39, 24| ziet hij daarop, en daar is niets te wonderlijk voor
523 39, 25| Men mag niet zeggen: Wat is dit? want alle dingen zijn
524 39, 30| het leven des mensen nodig is, is water, en vuur, en ijzer,
525 39, 30| leven des mensen nodig is, is water, en vuur, en ijzer,
526 39, 32| als de tijd voleindigd is, dan gieten zij hun sterkte
527 39, 36| wan neer hun tijd gekomen is, zo overtreden zij het woord
528 39, 38| zijn goed, en al wat nodig is verleent hij als het tijd
529 39, 38| verleent hij als het tijd is.~
530 39, 39| men mag niet zeggen: Dit is bozer dan dat, want alle
531 40, 1 | 1 VOOR een ieder mens is een grote onrust geschapen
532 40, 2 | de vrees des harten, zo is de betrachting van hetgeen
533 40, 3 | bij degene, die vernederd is, zittende in aarde en as.~
534 40, 4 | met grof lijnwaad gekleed is.~
535 40, 5 | twist, en wanneer het tijd is om te rusten op het bed
536 40, 7 | die uit de krijg ontvloden is, en ontwakende in de tijd
537 40, 7 | tijd zijner behoudenis, is hij verwonderd dat hij om
538 40, 9 | geschapen, en om hunnentwil is de zondvloed gekomen.~
539 40, 10| 10 Al wat van aarde is, keert wederom tot aarde,
540 40, 10| aarde, en al wat van water is, wendt zich weder naar de
541 40, 16| 16 Weldadigheid is gelijk een lusthof met zegeningen,
542 40, 17| laat, en des arbeiders, is zoet, maar die een schat
543 40, 21| dat aangenaam en schoon is, maar in de groente van
544 40, 26| 26 Daar is in de vreze des Heren geen
545 40, 27| 27 De vreze des Heren is gelijk een gezegende lusthof,
546 40, 28| geen bedelaarsleven; het is beter sterven dan bedelen.~
547 40, 29| tafel ziet, diens leven is voor geen leven te rekenen;
548 40, 30| verstandig man. en die onderwezen is, wacht zich daarvan.~
549 40, 31| de mond des onbeschaamden is de bedelarij zoet, maar
550 41, 1 | 1 O dood, hoe bitter is de gedachtenis van u, voor
551 41, 2 | welgaat in alles, en nog sterk is om spijs te nemen.~
552 41, 3 | 3 O dood, uw oordeel is aangenaam voor een mens,
553 41, 3 | een mens, die behoeftig is en die aan sterkte afgenomen
554 41, 4 | in zijn uiterste ouderdom is, en omtrent alle dingen
555 41, 4 | omtrent alle dingen bezig is, en zichzelf mistrouwt,
556 41, 5 | u komen zullen, want dit is het oordeel aan uw vlees
557 41, 7 | jaren leeft, in het graf is geen bestraffing des levens.~
558 41, 12| gij vermenigvuldigt, het is tot verderfenis, en indien
559 41, 13| 13 Al wat uit de aarde is, zal weder in de aarde keren;
560 41, 18| wijsheid, die verborgen is, en een schat, die niet
561 41, 19| zijn dwaasheid verbergt, is beter dan een mens, die
562 41, 20| voor, mijn woord, want het is niet goed in alle dingen
563 41, 25| afwendt van een mens die edel is.~
564 41, 26| en hetgeen hem gegeven is, en te letten op een vrouw
565 42, 7 | 7 Bij een boze vrouw is verzegelen goed, en waar
566 42, 11| 11 Een dochter is haar vader een heimelijk
567 42, 12| misschien niet veroude, en is zij getrouwd, dat zij misschien
568 42, 13| 13 Is zij maagd, dat zij niet
569 42, 17| De boosheid van een man is beter dan een goeddadige
570 42, 19| alle dingen, en haar werk is vol van de heerlijkheid
571 42, 22| hart onderzoekt hij, en is bedacht op de boze aanslagen
572 42, 25| gedachte gaat hem voorbij; daar is voor hem ook niet een woord
573 42, 26| wijsheid versierd; hij die is vóór de wereld en in der
574 43, 1 | 1 HET zuivere firmament is een roem der hoogte; de
575 43, 1 | de gedaante des hemels is heerlijk om aan te zien.~
576 43, 2 | God in haar opgang; zij is een wonderlijk instrument,
577 43, 3 | 3 Als zij op de middag is, verdroogt zij het land,
578 43, 5 | 5 De Here is groot, die ze gemaakt heeft,
579 43, 7 | teken van het feest, zij is een licht dat geheel afneemt.~
580 43, 8 | naam naar haar; wassende is zij wonderbaar in haar verandering.~
581 43, 9 | 9 Zij is een vat hetwelk legerplaats
582 43, 10| De schoonheid des hemels is dat heerlijk gesternte,
583 43, 12| gemaakt heeft, die zeer schoon is in zijn schijnsel.~
584 43, 20| 20 Het oog is verwonderd over de schoonheid
585 43, 24| genezing van al deze dingen is de nevel, de dauw die door
586 43, 28| 28 Door hem is zijn bode voorspoedig, en
587 43, 29| woorden voleindige, hij is het Al.~
588 43, 30| wij het vermogen? Want hij is groot boven al zijn werken.~
589 43, 31| 31 Verschrikkelijk is de Here, en zeer groot,
590 43, 31| groot, en zijn vermogen is wonderbaar.~
591 43, 34| hem groot maken gelijk hij is?~
592 44, 10| waarvan geen gedachtenis is, en die vergaan zijn gelijk
593 44, 13| 13 Hun zaad is in de verbonden, en hun
594 44, 20| 20 Abraham is geweest een grootvader van
595 44, 20| menigte der volken, en daar is niemand gevonden hem gelijk
596 44, 20| hem in een verbond geweest is.~
597 45, 1 | bemind, wiens gedachtenis is in zegening.~
598 45, 19| 19 Dit is hem geweest tot een eeuwig
599 45, 28| Pinehas, de zoon van Eleazar, is de derde in heerlijk heid,
600 45, 31| alleen tot de andere; zo is het erfdeel des priesterdoms
601 46, 3 | 3 Hoe is hij verheerlijkt geworden,
602 46, 5 | 5 En is de zon niet door zijn hand
603 46, 5 | achterwaarts gegaan? En is niet een dag als twee geworden?~
604 46, 12| zouden zien, dat het goed is de Here na te volgen.~
605 46, 13| de Here, hun gedachtenis is ook gezegend.~
606 46, 17| 17 Door zijn geloof is hij ten volle bevonden een
607 46, 17| bevonden een profeet, en is bekend geworden door zijn
608 47, 2 | 2 Gelijk het vette is afgezonderd geweest van
609 47, 2 | geweest van het dankoffer, zo is David afgezonderd uit de
610 47, 15| in de tijd des vredes, en is beroemd geworden, gelijk
611 47, 18| 18 Uw naam is verre tot in de eilanden
612 48, 4 | 4 En wie is u gelijk om te roemen!~
613 48, 13| 13 Elia is het, die bedekt werd met
614 49, 1 | DE gedachtenis van Josia, is als een tezamen gemengd
615 49, 2 | 2 Zij is zoet in de mond van een
616 49, 10| 10 Ezechiël is het, die een heerlijk gezicht
617 49, 16| 16 Zodanig is er geen geschapen geweest
618 49, 16| aarde als Henoch, want hij is opgenomen van de aarde.~
619 49, 17| 17 En daar is geen man geweest als Jozef,
620 50, 2 | 2 Onder hem is het fundament gelegd van
621 50, 6 | gelijk de maan als zij vol is op haar tijd, en gelijk
622 50, 9 | kostelijk gesteente versierd is;~
623 50, 10| cypresseboom, die verhoogd is tot aan de wolken; als hij
624 50, 16| Allerhoogste, die koning is over alles.~
625 50, 24| der vorige eeuw geweest is; dat hij getrouw aan ons
626 50, 25| 25 Over twee volken is mijn ziel verstoord, en
627 50, 25| verstoord, en het derde is geen volk:~
628 50, 28| 28 Zalig is hij, die zich in deze dingen.
629 50, 29| des Heren zijn voetstap is, en hij geeft de godvrezenden
630 51, 14| dankzegging, en mijn smeking is verhoord geweest.~
631 51, 19| 19 Mijn hart is in haar verheugd geweest,
632 51, 20| 20 Mijn voet is recht heengegaan; van mijn
633 51, 29| 29 Mijn hart is ontroerd geworden om haar
634 51, 34| neme onderwijzing aan, zij is nabij om te vinden.~
1-500 | 501-634 |