1-500 | 501-559
Chapter, Verse
1 1, 2 | 2 Wie zal het zand der zee en de droppelen
2 1, 4 | alle dingen geschapen, en het verstand der kloekheid is
3 1, 5 | 5 Het woord Gods, die in de allerhoogste
4 1, 11| vrees des Heren vermaakt het hart, en geeft vrolijkheid
5 1, 12| Die de Here vreest die zal het welgaan in de laatste dagen,
6 1, 13| 13 Het begin der wijsheid is de
7 1, 17| 17 En beide zijn het gaven Gods tot vrede.~
8 1, 19| wetenschap en de kennis van het verstand uit als een plasregen
9 1, 31| dingen openbaren, en u in het midden der vergadering ter
10 2, 5 | 5 Want in het vuur wordt het goud beproefd,
11 2, 5 | 5 Want in het vuur wordt het goud beproefd, en aangename
12 2, 8 | die de Here vreest, hoopt het goede en eeuwige verheuging
13 2, 15| Wee een slap hart, omdat het niet gelooft, daarom zal
14 2, 15| niet gelooft, daarom zal het niet beschermd worden.~
15 3, 2 | de kinderen, en bevestigt het oordeel der moeder boven
16 3, 14| 14 Indien hem het verstand begeeft, zo houd
17 3, 17| worden, gelijk schoon weder het ijs, zo zullen uw zonden
18 3, 24| 24 Want het is u niet van node, verborgen
19 3, 25| meer dingen aangewezen, dan het verstand der mensen begrijpen
20 3, 26| oogappelen hebt zult gij aan het licht gebrek hebben, en
21 3, 26| licht gebrek hebben, en als het u aan kennis ontbreekt,
22 3, 27| 27 Een hard hart zal op het laatste kwalijk varen, en
23 3, 27| laatste kwalijk varen, en die het gevaar liefheeft zal daarin
24 3, 30| 30 Het hart des verstandigen denkt
25 3, 30| denkt op gelijkenis, en het oor des toehoorders is des
26 3, 31| 31 Het water blust het vlammende
27 3, 31| 31 Het water blust het vlammende vuur uit, en door
28 3, 32| vergeldt, gedenkt aan deze in het toekomende, en hij zal in
29 4, 1 | 1 MIJN kind, laat het leven des armen geen gebrek
30 4, 13| haar liefheeft, die heeft het leven lief, en die zich
31 4, 18| Want verkeerd zal zij in het eerst met hem omgaan.~
32 4, 23| tijds waar, en wacht u van het boze.~
33 4, 27| 27 Weer het woord niet in de geschikte
34 4, 29| Want de wijsheid zal in het woord bekend worden, en
35 4, 36| en tezamen getrokken in het geven.~ ~
36 5, 8 | Here te bekeren, en stel het niet uit dag op dag.~
37 5, 15| 15 Eer en oneer is in het spreken, en des mensen tong
38 5, 18| niet in enig ding, noch in het grote, noch in het kleine.~ ~
39 5, 18| noch in het grote, noch in het kleine.~ ~
40 6, 9 | een vijand, en die u in het openbaar met verwijt bestrijden
41 6, 11| 11 Als het u wel gaat zal hij zijn
42 6, 35| en laat u de spreuken van het verstand niet ontgaan.~
43 7, 6 | niet te eniger tijd voor het aangezicht des machtigen
44 7, 7 | begeef uzelf niet onder het oproerige volk.~
45 7, 9 | Allerhoogste ofer, zo zal hij het aannemen.~
46 7, 18| om enig middelmatig ding, het zij wat het wil, noch een
47 7, 18| middelmatig ding, het zij wat het wil, noch een oprechte broeder
48 7, 19| 19 Het ontbreke u niet aan een
49 7, 19| aangenaamheid overtreft het goud.~
50 7, 22| heb opzicht daarop, en zo het u nut is, laat het bij u
51 7, 22| en zo het u nut is, laat het bij u blijven.~
52 7, 32| Namelijk de eerstelingen, en het schuldoffer,~
53 7, 37| 37 Wees niet traag in het bezoeken van de kranke;
54 8, 3 | 3 Want het goud heeft velen verdorven,
55 8, 12| en hoe gij in de tijd als het nodig is zult antwoorden.~
56 8, 13| gij niet verbrand wordt in het vuur zijner vlam.~
57 8, 15| hebben, zo zijt als een die het verloren hebt.~
58 8, 19| woestijn, gelijk als niets is het bloed in zijn ogen, en waar
59 9, 11| met uw geest niet valt in het verderf.~
60 9, 18| 18 Weet, dat gij in het midden der strikken doorgaat,
61 10, 5 | mensen voorspoed, en op het aangezicht des schriftgeleerden
62 10, 8 | Een koninkrijk wordt van het ene volk tot het andere
63 10, 8 | wordt van het ene volk tot het andere overgebracht, vanwege
64 10, 13| 13 Het beginsel der hovaardigheid
65 10, 14| gruwelijke moedwil, doch op het einde zal hij omgekeerd
66 10, 23| 23 In het midden der broeders is degene
67 10, 24| een heerschappij ook voor het lot, maar hardigheid en
68 10, 26| 26 Het is niet recht dat men een
69 10, 26| onteert die verstandig is, en het betaamt niet dat men een
70 10, 30| 30 Want het is beter dat iemand werkt,
71 11, 1 | hoofd verheffen, en hem in het midden der groten zetten.~
72 11, 3 | gedierten, en haar vrucht is het voornaamste der zoetigheden.~
73 11, 8 | gij gehoord hebt, en in het midden der woorden spreek
74 11, 9 | aangaat; en zit niet bij in het gericht der zondaren.~
75 11, 12| hebbende hulp van node, het ontbreekt hem aan sterkte,
76 11, 12| heeft grote armoede, en het oog des Heren ziet op hem
77 11, 13| En verheft zijn hoofd van het verderven; en velen dat
78 11, 22| 22 Want het is in de ogen des Heren
79 11, 23| De zegen des Heren is in het loon van de godvrezende;
80 11, 26| goede dagen vergeet men het kwade, en in de kwade dagen
81 11, 26| de kwade dagen wordt aan het goede niet gedacht.~
82 11, 27| 27 Want het is voor de Here licht, in
83 11, 28| wellust vergeet, en aan het einde van de mens is de
84 11, 31| veldhoen in een kooi, alzo is het hart des hovaardigen, en
85 11, 32| Want hij loert verkerende het goede in het kwade; ja in
86 11, 32| verkerende het goede in het kwade; ja in uitgelezen
87 12, 1 | weldoet, zo weet aan wie gij het doet, en gij zult dank voor
88 12, 2 | vergelding vinden, en is het niet bij hem, immers bij
89 12, 3 | 3 Die in het kwade voortgaat, die zal
90 12, 3 | kwade voortgaat, die zal het niet wèl gaan, noch degene,
91 12, 5 | zal u overkomen voor al het goede, dat gij hem gedaan
92 12, 8 | 8 Als het iemand wèl gaat, dan zijn
93 12, 8 | vijanden in droefheid, en als het hem kwalijk gaat, dan scheidt
94 12, 10| 10 Want gelijk het koper verroest, zo ook zijn
95 12, 11| worden, dat hij die niet tot het einde toe verroest maken
96 12, 13| dieren naderen? zo gaat het met hem die zich ophoudt
97 13, 8 | twee of driemaal toe, en op het laatste zal hij u bespotten,
98 13, 30| 30 Het hart des mensen verandert
99 13, 30| verandert zijn aangezicht, het zij ten goede of ten kwade,
100 14, 7 | Indien hij wel doet, hij doet het ongaarne, en op het laatst
101 14, 7 | doet het ongaarne, en op het laatst zal hij zijn boosheid
102 14, 8 | 8 Het is een boos mens, die met
103 14, 8 | is een boos mens, die met het oog afgunstig is, die het
104 14, 8 | het oog afgunstig is, die het aangezicht afwendt, en veracht
105 14, 9 | 9 Het oog van de gierigaard wordt
106 14, 12| dood niet zal vertoeven, en het verbond des grafs is u niet
107 14, 14| van de goede dag, en laat het deel der goede begeerte
108 14, 17| 17 Want men behoeft in het graf geen spijs te zoeken.~
109 14, 18| veroudert gelijk een kleed, want het verbond van de eeuw aan
110 14, 19| doet hij uitspruiten; zo is het met het geslacht van het
111 14, 19| uitspruiten; zo is het met het geslacht van het vlees en
112 14, 19| het met het geslacht van het vlees en van het bloed,
113 14, 19| geslacht van het vlees en van het bloed, het ene sterft en
114 14, 19| vlees en van het bloed, het ene sterft en het andere
115 14, 19| bloed, het ene sterft en het andere wordt geboren.~
116 14, 20| onderworpen is, bezwijkt, en die het gewrocht heeft zal met hetzelve
117 15, 5 | zijn naaste, en zij zal in het midden der vergadering zijn
118 15, 15| zult de geboden houden en het geloof om te doen hetgeen
119 15, 17| 17 Het leven en de dood zijn voor
120 16, 4 | 4 En het is beter zonder kinderen
121 16, 5 | inwoners bezet worden; maar het geslacht der goddelozen
122 16, 10| ontfermde zich niet over het volk des verderfs, die uitgingen
123 16, 11| hardnekkige zou zijn onder het volk, het ware een wonder
124 16, 11| zou zijn onder het volk, het ware een wonder dat die
125 16, 15| zouden bekend worden bij het geslacht onder de hemel;
126 16, 20| 20 En het hart overdenkt deze dingen
127 16, 21| de mens niet zien kan; en het meerderdeel zijner werken
128 16, 22| wie zal ze verdragen? Want het verbond is verre, en onderzoeking
129 16, 22| onderzoeking aller dingen is in het einde.~
130 16, 26| oordeel zijn zijn werken van het begin en van dat zij gemaakt
131 16, 30| 30 Hij bedekt het leven van alle gedierte,
132 17, 5 | 5 En voor het zesde heeft hij hun het
133 17, 5 | het zesde heeft hij hun het vernuft geschonken, uit
134 17, 5 | delende zijn gaven, en voor het zevende, de spraak, welke
135 17, 13| de jeugd af geneigd tot het kwade, en, zij hebben hun
136 17, 14| verdeling der volken van het ganse aardrijk heeft bij
137 17, 14| voedt, en hij deelt hem mede het licht der liefde, en begeeft
138 17, 22| Allerhoogste prijzen in het graf, in plaats der levenden,
139 18, 1 | leeft, heeft alle dingen in het gemeen geschapen.~
140 18, 2 | daarin hetgeen heilig is van het onheilige.~
141 18, 8 | 8 Het getal der dagen des mensen
142 18, 8 | honderd jaren zijn vele, maar het ontslapen van een ieder
143 18, 9 | water is te rekenen tegen het water van de zee, en een
144 18, 9 | een greintje zand tegen het zand aan de zee, zo zijn
145 18, 11| en verstaan hun einde dat het kwaad is, daarom heeft hij
146 18, 15| 15 Mijn kind, wanneer het u wèl gaat, zo geef geen
147 18, 29| scherpzinnige spreuken tot het leven. Beter is het betrouwen
148 18, 29| tot het leven. Beter is het betrouwen op de Here alleen,
149 18, 29| op de Here alleen, daar het dode hart hangt aan hetgeen
150 19, 1 | niet rijk worden, en die het weinige versmaadt, zal gaandeweg
151 19, 5 | 5 Wie zich verheugt in het kwaaddoen, zal verdoemd
152 19, 7 | een rede nimmermeer, en het zal u niet wezen tot vermindering.~
153 19, 8 | bij vriend noch bij vijand het leven van anderen, en indien
154 19, 8 | leven van anderen, en indien het u geen zonde is, zo openbaar
155 19, 8 | geen zonde is, zo openbaar het niet.~
156 19, 10| Hebt gij wat gehoord, laat het bij u sterven, en zijt welgemoed,
157 19, 10| en zijt welgemoed, want het zal u niet doen barsten.~
158 19, 11| een barende vrouw vanwege het kind.~
159 19, 12| pijl, die in de heup van het vlees vaststeekt, zo is
160 19, 13| vriend, misschien heeft hij het niet gedaan, en zo hij het
161 19, 13| het niet gedaan, en zo hij het gedaan heeft, dat hij het
162 19, 13| het gedaan heeft, dat hij het niet te eniger tijd meer
163 19, 14| naaste, misschien heeft hij het niet gezegd, en zo hij het
164 19, 14| het niet gezegd, en zo hij het gezegd heeft, dat hij het
165 19, 14| het gezegd heeft, dat hij het ten tweeden male niet zegge.~
166 19, 19| zeggende tot zijn heer: Gelijk het u behaagt zal ik niet doen,
167 19, 19| ik niet doen, indien hij het daarna doet, ver toornt
168 19, 21| is een onverstandige, die het aan wijsheid ontbreekt.~
169 19, 22| 22 Die het aan verstand ontbreekt,
170 19, 23| de genade verandert, om het recht te doen blijken, en
171 19, 24| gebukt in zwarte klederen, en het binnenste van hem is vol
172 19, 25| 25 Hij bukt het aangezicht, en maakt de
173 19, 27| 27 Een mens wordt aan het gezicht gekend, en een verstandige
174 19, 28| De kleding des mans, en het lachen der tanden, en de
175 20, 1 | 1 HOE veel beter is het te bestraffen dan heimelijk
176 20, 2 | hij die geweld oefent in het gericht.~
177 20, 5 | mens zal zwijgen totdat het gelegen tijd is, maar een
178 20, 7 | 7 Hoe fraai is het, dat degene die bestraft
179 20, 10| er die uit de vernedering het hoofd opheft.~
180 20, 11| weinig geld koopt, en betaalt het zevenvoudig.~
181 20, 17| bespotten! want hij heeft het bezit zijner goederen met
182 20, 17| rechte kennis ontvangen, en het ontberen daarvan is hem
183 20, 18| 18 Het is beter op een vloer te
184 20, 22| door schaamte, en verliest het omdat hij de persoon aanneemt.~
185 21, 5 | verwoesten rijkdom; zo zal het huis der hovaardigen verwoest
186 21, 11| stenen geëffend, doch aan het uiterste daarvan is de gracht
187 21, 16| 16 Het binnenste van de dwaas is
188 21, 16| gelijk een gebroken vat, het zal geen kennis vatten,
189 21, 18| 18 Heeft het een onverstandige gehoord,
190 21, 18| onverstandige gehoord, zo mishaagt het hem, enhij werpt het achter
191 21, 18| mishaagt het hem, enhij werpt het achter zijn rug.~
192 21, 23| dwaas verheft zijn stem in het lachen, maar een kloek man
193 21, 26| onwijze zal over de deur in het huis kijken, maar een man
194 21, 27| 27 Het is een ongeschiktheid des
195 21, 29| 29 Het hart der dwazen is in hun
196 22, 3 | 3 Het is des vaders schande wanneer
197 22, 9 | wat vertelt, die vertelt het een sluimerende, en in het
198 22, 9 | het een sluimerende, en in het einde zal hij zeggen: Wat
199 22, 9 | einde zal hij zeggen: Wat is het?~
200 22, 10| Ween over een dode, want het licht heeft hem begeven.
201 22, 10| Beween ook een dwaas, want het verstand heeft hem begeven.~
202 22, 12| 12 Want het leven van een dwaas is boven
203 22, 23| daar tranen uit, en die in het hart steekt brengt het gevoelen
204 22, 23| in het hart steekt brengt het gevoelen te voorschijn.~
205 22, 25| 25 Indien gij het zwaard getrokken hebt tegen
206 22, 27| gij u verheugen moogt als het hem wèl gaat.~
207 22, 29| ovens en de rook gaan voor het vuur, zo gaan scheldwoorden
208 22, 30| zijnentwil, een iegelijk die het hoort zal zich voor hem
209 23, 11| is op hem, en indien hij het niet acht, zo zondigt hij
210 23, 13| 13 Het is een wijze van spreken
211 23, 13| niet gevonden worden in het erfdeel Jakobs.~
212 23, 16| vader en moeder; want in het midden der groten zult gij
213 23, 20| gelijk een brandend vuur; het wordt niet uitgeblust tot
214 23, 20| wordt niet uitgeblust tot het verslonden is.~
215 23, 21| Een hoereerder, die met het lichaam zijns vleses hoererij
216 23, 28| gegrepen worden waar hij het niet heeft gemeend.~
217 23, 35| 35 Het is een grote heerlijkheid
218 24, 1 | wijsheid prijst zichzelf, en in het midden van haar volk beroemt
219 24, 12| een verheerlijkt volk, in het deel des Heren, dat is zijn
220 24, 15| boom Platanus ben ik uit het water verhoogd.~
221 24, 26| 26 Al deze dingen leert het boek des verbonds van God
222 24, 28| 28 Die vervult het verstand gelijk de Eufraat,
223 24, 33| waterloop ben ik uitgegaan in het paradijs.~
224 25, 6 | 6 Wat een schone zaak is het dat grijze haren zitten
225 25, 9 | geprezen in mijn hart, en het tiende zal ik met mijn tong
226 25, 16| 16 De vreze des Heren is het begin zijner liefde, maar
227 25, 16| begin zijner liefde, maar het geloof het begin zijner
228 25, 16| liefde, maar het geloof het begin zijner aankleving.~
229 25, 19| Daar is geen hoofd boven het hoofd der slang, en daar
230 25, 22| 22 In het midden van zijn naasten
231 25, 23| boosheid van een vrouw; en het lot des zondaars valle haar
232 25, 29| 29 Van de vrouw is het begin der zonde, en om harentwil
233 25, 30| 30 Geef het water geen doortocht, noch
234 26, 1 | die een goede vrouw heeft; het getal zijner dagen wordt
235 26, 4 | 4 En het hart van zo'n man is goed
236 26, 5 | ontziet mijn hart, en voor het vierde word ik in mijn aangezicht
237 26, 6 | stad, en de vergadering van het volk, en leugen tegen iemand
238 26, 17| schoonheid van een goede vrouw in het sieraad van haar huis.~
239 26, 18| 18 Gelijk het licht op de heilige kandelaar
240 26, 22| overblijvende, en vrijmoedigheid van het edele geslacht hebbende,
241 26, 28| goede vrouw heeft, want het getal zijner jaren zal dubbel
242 26, 30| bedroefd geworden, en over het derde is mij gramschap aangekomen:~
243 26, 32| zonde; de Here zal hem tot het zwaard bereiden.~
244 27, 6 | gedachten blijken wat in het hart des mensen is.~
245 27, 8 | is najaagt, zo zult gij het achterhalen, en zult het
246 27, 8 | het achterhalen, en zult het aantrekken als een lange
247 27, 9 | 9 Het gevogelte nestelt bij zijns
248 27, 11| 11 Het verhaal van de godvrezende
249 27, 13| 13 Het verhaal der zotten is verdriet,
250 27, 21| is verre van u weg, en is het ontvloden gelijk een ree
251 27, 23| 23 Wie met het oog wenkt, die smeedt boze
252 27, 28| hij zal niet weten vanwaar het hem komt.~
253 28, 2 | 2 Vergeef uw naaste het onrecht dat hij u gedaan
254 28, 8 | tegen de naaste, en aan het verbond des Allerhoogsten,
255 28, 11| 11 Hoe meer hout men in het vuur legt, hoe meer het
256 28, 11| het vuur legt, hoe meer het brandt; hoe meer het gekijf
257 28, 11| meer het brandt; hoe meer het gekijf wordt gesterkt, hoe
258 28, 11| wordt gesterkt, hoe meer het vuur toeneemt; hoe sterker
259 28, 12| haastige twist ontsteekt het vuur, en een haastend gevecht
260 28, 15| bewogen, en heeft hen van het ene volk in het andere verzet,~
261 28, 15| hen van het ene volk in het andere verzet,~
262 28, 19| slag der tong vermorzelt het gebeente.~
263 28, 24| dood is een boze dood, en het graf is nuttiger dan zij.~
264 29, 2 | behoefte, en wederom, geef het uw naaste weder te zijner
265 29, 4 | 4 Velen menen dat het geleende als gevonden is,
266 29, 6 | 6 Maar wanneer hij het behoort weder te geven,
267 29, 6 | zijn zorgeloosheid en wijt het de tijd.~
268 29, 7 | 7 En indien hij het vermag te geven, zo zal
269 29, 7 | de helft brengen, en zal het rekenen als gevonden.~
270 29, 10| af, en vrezen dat zij van het hunne mochten beroofd worden.~
271 29, 12| Neem u de arme aan vanwege het gebod, en keer u niet af
272 29, 23| zware werken najaagt, zal in het gericht vallen.~
273 29, 25| 25 Het voornaamste van het leven
274 29, 25| 25 Het voornaamste van het leven des mensen is water
275 29, 26| 26 Het leven des armen onder een
276 29, 27| een welbehagen zo wel aan het kleine als aan het grote,
277 29, 27| wel aan het kleine als aan het grote, opdat gij niet hoort
278 29, 27| grote, opdat gij niet hoort het verwijt van uw huis.~
279 29, 28| 28 Het is een ellendig leven uit
280 29, 28| is een ellendig leven uit het ene huis in het andere te
281 29, 28| leven uit het ene huis in het andere te vertrekken, want
282 29, 31| heerlijk aangezicht, ik heb het huis nodig, mijn broeder
283 29, 32| De bestraffing vanwege het huis, en het verwijt van
284 29, 32| bestraffing vanwege het huis, en het verwijt van die hem geleend
285 30, 2 | hem verblijd worden, en in het midden der vermaarde lieden
286 30, 4 | zijn vader gestorven, zo is het alsof hij niet gestorven
287 30, 9 | 9 Streel uw kind, en het zal u verschrikken; speel
288 30, 9 | verschrikken; speel met hem, en het zal u bedroeven.~
289 30, 15| lichaam, is beter dan al het goud, en een goed sterk
290 30, 19| 19 Wat is het brandoffer de afgod nut?
291 30, 19| hij riekt niet; zo gaat het hem die door de Here vervolgd
292 31, 1 | 1 HET waken om des rijkdoms wil
293 31, 1 | om des rijkdoms wil doet het vlees verdwijnen, en daarover
294 31, 7 | 7 Het is een hout des aanstoots
295 31, 7 | des aanstoots degenen die het offeren, en alle onwijze
296 31, 8 | gevonden wordt, en die naar het goud niet gaat.~
297 31, 10| en kwaad doen, en heeft het niet gedaan?~
298 31, 15| zulk een oog? daarom weent het vanwege al hetgeen dat het
299 31, 15| het vanwege al hetgeen dat het ziet.~
300 31, 28| de wijn heeft er velen in het verderf gebracht.~
301 31, 29| zo doet ook de wijn in het hart der hovaardigen als
302 31, 30| wijn is de mensen gelijk het leven; indien gij deze matig
303 31, 31| een leven heeft hij die het aan wijn ontbreekt? Want
304 31, 35| Bestraf uw naaste niet in het wijngelag, en veracht hem
305 32, 4 | wetenschap, en gij zult het snarenspel verhinderen.~
306 32, 7 | 7 Het gezang der muzikanten bij
307 32, 8 | Spreek gij jongeling, als het u van node is, en zulks
308 32, 20| zonder raad, en als gij het gedaan hebt, laat het u
309 32, 20| gij het gedaan hebt, laat het u niet berouwen.~
310 32, 24| Here gelooft, die let op het gebod, en wie zijn betrouwen
311 33, 5 | 5 Het binnenste van de zot is
312 33, 5 | binnenste van de zot is gelijk het rad aan een wagen, en zijn
313 33, 7 | de andere dag, zo toch al het licht der dagen in het jaar
314 33, 7 | al het licht der dagen in het jaar van de zon komt?~
315 33, 9 | hen sommige gesteld tot het getal der gemene dagen.~
316 33, 13| zijn in zijn hand gelijk het leem eens pottenbakkers,
317 33, 15| 15 Gelijk het goede staat tegen het kwade,
318 33, 15| Gelijk het goede staat tegen het kwade, en het leven tegen
319 33, 15| staat tegen het kwade, en het leven tegen de dood, zo
320 33, 15| Allerhoogsten, zij zijn alle twee, het een tegen het ander.~
321 33, 15| alle twee, het een tegen het ander.~
322 33, 18| de gemeente regeert, laat het tot uw oren ingaan.~
323 33, 21| 21 Want het is beter dat de kinderen
324 33, 26| 26 Het juk en touw buigen voor
325 33, 27| 27 Drijf hem tot het i werk, opdat hij niet ledig
326 33, 28| 28 Stel hem aan het werk, gelijk hem betaamt.~
327 34, 3 | evenals de gelijkheid van het aangezicht tegen het aangezicht
328 34, 3 | van het aangezicht tegen het aangezicht over.~
329 34, 4 | 4 Van het onreine, wat zal daarvan
330 34, 5 | inbeeldingen krijgt, gelijk het hart ener vrouw die in barensnood
331 34, 11| gezien in mijn afdwaling, en het is mijn verstand, dat mijn
332 34, 21| slachtoffer toebrengt van het geld der armen.~
333 34, 22| 22 Het brood der behoeftigen is
334 34, 22| brood der behoeftigen is het leven der armen, wie hen
335 34, 24| En hij vergiet bloed, die het loon van de dagloner rooft.~
336 34, 28| 28 Zo is het met een mens die vast vanwege
337 35, 3 | 3 Het is des Heren welbehagen
338 35, 4 | Verschijn niet ledig voor het aangezicht des Heren.~
339 35, 5 | dingen moet men doen vanwege het gebod.~
340 35, 6 | van de rechtvaardige maakt het altaar vet, en de goede
341 35, 7 | 7 Het slachtoffer eens rechtvaardigen
342 35, 11| een vergelden, en hij zal het zevenvoudig vergelden.~
343 35, 14| 14 De Here zal het aangezicht desgenen die
344 35, 15| 15 Hij zal het smeken der wezen niet verachten,
345 35, 18| 18 Het gebed des nederigen gaat
346 35, 18| af totdat de Allerhoogste het zal ingezien hebben, welke
347 35, 22| hij zal hebben geoordeeld het recht van zijn volk, en
348 36, 11| uw volk kwellen, laat die het verderf vinden.~
349 36, 13| hun erfdeel, gelijk van het begin.~
350 36, 21| keel smaakt de spijs van het wildbraad, zo onderkent
351 36, 24| schoonheid der vrouw verblijdt het aangezicht, en gaat alle
352 37, 9 | opdat hij niet misschien het lot over u werpe,~
353 37, 12| hebt over de voleinding van het werk, noch met een trage
354 37, 17| 17 Het begin van het werk is de
355 37, 17| 17 Het begin van het werk is de rede, en beraadslaging
356 37, 18| 18 Het aangezicht is een teken
357 37, 19| vertonen zich: namelijk het goede, het kwade, het leven
358 37, 19| zich: namelijk het goede, het kwade, het leven en de dood
359 37, 19| namelijk het goede, het kwade, het leven en de dood en de tong
360 37, 19| en de dood en de tong is het, die gedurig daarover heerst.~
361 37, 21| hatelijk; deze ontbreekt het aan alle wijsheid.~
362 37, 26| 26 Het leven van een man heeft
363 37, 28| haar schadelijk is, en geef het haar niet.~
364 38, 5 | 5 Is het water niet zoet geworden
365 38, 9 | in uw krankheid verzuim het niet, maar bid de Here,
366 38, 17| bitter, en wees vurig in het geklag;~
367 38, 20| blijft ook de droefheid, en het leven van een arme is een
368 38, 23| oordeel, want zo zal ook het uwe zijn; mij gisteren en
369 38, 28| 28 Zo is het gelegen met ieder schrijnwerker
370 38, 30| na te maken, en waakt om het werk te voleinden.~
371 38, 31| ook een smid, die nabij het aanbeeld zit, en slaat het
372 38, 31| het aanbeeld zit, en slaat het ijzerwerk gade; de damp
373 38, 31| ijzerwerk gade; de damp van het vuur versmelt zijn vlees,
374 38, 32| De klank van de hamer en het aanbeeld vernieuwt zijn
375 38, 32| tegenover de gelijkenis van het vat.~
376 38, 34| en drijft met zijn voeten het wiel om; welke altijd bezorgd
377 38, 35| 35 Met zijn arm geeft hij het leem een gestalte, en voor
378 38, 38| wandelen, doch tot de raad van het volk zullen zij niet gevorderd
379 38, 39| rechters zitten zij niet, en het verbond van het recht verstaan
380 38, 39| niet, en het verbond van het recht verstaan zij niet,
381 38, 40| gevonden, maar zij bevestigen het bezit der wereld, en hun
382 38, 41| 41 In het algemeen, niemand wordt
383 39, 5 | 5 Het land van vreemde volken
384 39, 7 | doet zijn mond open tot het gebed, en smeekt voor zijn
385 39, 11| voorschijn, en in de wet van het verbond des Heren roemt
386 39, 15| 15 Indien hij in het leven blijft, zo zal hij
387 39, 21| 21 Door zijn woord stond het water gelijk een hoop, en
388 39, 21| gelijk een hoop, en door het woord van zijn mond de boezem
389 39, 26| en gelijk een watervloed het droge land dronken maakt;~
390 39, 29| 29 Goede dingen zijn in het begin voor de goede mensen
391 39, 30| 30 Het voornaamste dat tot het
392 39, 30| Het voornaamste dat tot het leven des mensen nodig is,
393 39, 33| 33 Het vuur en de zee, en de honger,
394 39, 34| schorpioenen, en adders, en het zwaard doende wraak aan
395 39, 36| gekomen is, zo overtreden zij het woord niet.~
396 39, 37| 37 Daarom ben ik van het begin af hierin bevestigd
397 39, 38| nodig is verleent hij als het tijd is.~
398 40, 5 | haat en twist, en wanneer het tijd is om te rusten op
399 40, 5 | tijd is om te rusten op het bed verandert de slaap van
400 40, 7 | Hij wordt ontroerd door het gezicht van zijn hart, gelijk
401 40, 8 | 8 Zo gaat het met alle vlees, van de mens
402 40, 8 | vlees, van de mens af tot op het vee, doch over de zondaars
403 40, 13| overtreden, verdelgd worden tot het uiterste.~
404 40, 17| 17 Het leven desgenen, die zich
405 40, 19| Wijn en muziek verheugen het hart, maar de liefde tot
406 40, 20| 20 De fluit en het snarenspel geven een zoete
407 40, 21| 21 Het oog verlustigt zich in hetgeen
408 40, 21| maar in de groente van het gezaaide meer dan in beide.~
409 40, 25| Geld en sterkte verhogen het hart, maar de vreze des
410 40, 28| leef geen bedelaarsleven; het is beter sterven dan bedelen.~
411 41, 2 | goede rust heeft, en die het welgaat in alles, en nog
412 41, 5 | 5 Vrees het oordeel des doods niet;
413 41, 5 | komen zullen, want dit is het oordeel aan uw vlees door
414 41, 7 | duizend jaren leeft, in het graf is geen bestraffing
415 41, 9 | 9 Het erfdeel van de kinderen
416 41, 12| indien gij vermenigvuldigt, het is tot verderfenis, en indien
417 41, 13| gaan de goddelozen naar het verderf.~
418 41, 20| ontzie voor, mijn woord, want het is niet goed in alle dingen
419 41, 22| een vergadering en voor het volk, vanwege overtreding
420 41, 24| de elleboog te liggen op het brood, en voor schandelijke
421 41, 24| schandelijke afwijzing in het ontvangen en uitgeven.~
422 41, 25| uw stilzwijgen; vanwege het aanschouwen van een lichte
423 42, 2 | wet des Allerhoogsten en het verbond, en vanwege het
424 42, 2 | het verbond, en vanwege het oordeel, om een goddeloze
425 42, 4 | gij nauw let op de waag en het gewicht; noch dat gij veel
426 42, 8 | Indien gij wat overgeeft, doe het bij getal en gewicht, en
427 42, 14| de stad van u spreke en het volk u naroepe, en zij u
428 42, 15| enig mens, en zit niet in het midden der vrouwen.~
429 42, 22| 22 De afgrond en het hart onderzoekt hij, en
430 42, 30| Alle dingen zijn dubbel, het een tegenover het ander,
431 42, 30| dubbel, het een tegenover het ander, en hij heeft niets
432 42, 31| 31 Het een bevestigt het goede
433 42, 31| 31 Het een bevestigt het goede des anderen, en wie
434 43, 1 | 1 HET zuivere firmament is een
435 43, 3 | middag is, verdroogt zij het land, en wie zal tegen haar
436 43, 4 | dampen uitblaast, en met het glinsteren van haar stralen
437 43, 7 | heeft men een teken van het feest, zij is een licht
438 43, 9 | de hoogte, schijnende in het uitspansel des hemels.~
439 43, 20| 20 Het oog is verwonderd over de
440 43, 20| schoonheid van haar witheid, en het hart wordt ontsteld over
441 43, 22| koude noordenwind blaast, en het water tot ijs bevriest,
442 43, 22| op alle vergadering van het water neder, en trekt het
443 43, 22| het water neder, en trekt het water gelijk als een pantser
444 43, 23| verbrandt de woestijn, en blust het groene gras uit, gelijk
445 43, 23| groene gras uit, gelijk het vuur.~
446 43, 26| de zee bevaren vertellen het gevaar daarvan, en wij zijn
447 43, 26| zijn verwonderd als wij het met onze oren horen.~
448 43, 29| zeggen, maar wij zouden het niet kunnen bereiken, en
449 43, 29| woorden voleindige, hij is het Al.~
450 43, 30| verheerlijken, waar zullen wij het vermogen? Want hij is groot
451 43, 32| gij kunt; evenwel zal hij het nog overtreffen.~
452 43, 33| vermoeit u niet, want gij zult het niet bereiken.~
453 43, 34| heeft hem gezien, en zal het vertellen? en wie zal hem
454 44, 5 | 5 Leiders van het volk in de raadslagen, en
455 44, 5 | in de raadslagen, en in het verstand der beschreven
456 44, 5 | der beschreven wetten van het volk.~
457 44, 17| en werd weggenomen, om het geslacht een voorbeeld der
458 44, 21| zijn vlees heeft de Here het verbond opgericht, en in
459 44, 23| vermenigvuldigen gelijk het stof der aarde; en dat zij
460 44, 23| en van de rivier tot aan het uiterste der aarde.~
461 44, 24| de zegen aller mensen, en het verbond, en heeft het doen
462 44, 24| en het verbond, en heeft het doen rusten op het hoofd
463 44, 24| heeft het doen rusten op het hoofd van Jakob.~
464 45, 2 | heeft hem verheerlijkt voor het aangezicht der koningen.~
465 45, 5 | en heeft hem ingevoerd in het donker;~
466 45, 6 | wetenschap; deze heeft Jakob het verbond geleerd, en Israël
467 45, 8 | opgericht, en hem gegeven het priesterdom onder zijn volk,
468 45, 11| te maken met geklank in het gaan; en een gerucht te
469 45, 12| hemelsblauwe en purperen rok, het werk van een borduurwerker;
470 45, 12| borduurwerker; met de lap van het gericht, openbare tekenen
471 45, 13| geschreven en gegraveerd was het getal der kinderen Israëls.~
472 45, 19| dienst waar te nemen, en het priesterschap te bedienen,
473 45, 19| priesterschap te bedienen, en het volk in zijn naam te zegenen.~
474 45, 20| verzoening te doen voor het volk.~
475 45, 22| de woestijn; mannen die het met Dathan en Abiram hielden,
476 45, 23| 23 Maar de Here zag het, en had geen behagen daaraan,
477 45, 24| heeft hen verteerd door het vlammig vuur.~
478 45, 27| 27 Doch in het land des volks had hij geen
479 45, 27| en kreeg geen deel onder het volk, want hij zelf was
480 45, 27| volk, want hij zelf was het deel zijner erfenis.~
481 45, 29| En gestaan had als zich het volk had afgekeerd, met
482 45, 31| 31 En gelijk, volgens het verbond opgericht met David,
483 45, 31| zoon uit de stam van Juda het erfdeel des konings heeft,
484 45, 31| alleen tot de andere; zo is het erfdeel des priesterdoms
485 46, 3 | hij zijn handen ophief, en het zwaard tegen de steden uittrok?~
486 46, 7 | oorlog tegen de volken, en in het afkomen tot hen vernielde
487 46, 9 | gemeente wederstonden, om het volk te verhinderen dat
488 46, 9 | volk te verhinderen dat het niet zou zondigen en om
489 46, 10| voet, om hen te brengen in het erfdeel, in het land dat
490 46, 10| brengen in het erfdeel, in het land dat van melk en honig
491 46, 11| ouderdom, dat hij opklom op het hoogste van het land, en
492 46, 11| opklom op het hoogste van het land, en zijn zaad heeft
493 46, 12| Israëls zouden zien, dat het goed is de Here na te volgen.~
494 47, 2 | 2 Gelijk het vette is afgezonderd geweest
495 47, 2 | afgezonderd geweest van het dankoffer, zo is David afgezonderd
496 47, 4 | nam de versmaadheid uit het volk weg.~
497 47, 7 | 7 Zodat het hem verheerlijkte onder
498 47, 11| heeft zangers ingesteld voor het altaar, om uit zijn geluid
499 47, 13| eeuwigheid; en heeft hem gegeven het verbond des koninkrijks,
500 47, 14| wijs man, en door hem heeft het volk in ruimte gewoond.~
1-500 | 501-559 |