Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
herhaal 1
hermon 1
herwaarts 2
het 559
hetgeen 33
hetwelk 2
hetzelfde 1
Frequency    [«  »]
828 een
692 zijn
634 is
559 het
554 die
548 in
528 niet

Het boek Ecclesiasticus

IntraText - Concordances

het

1-500 | 501-559

    Chapter, Verse
1 1, 2 | 2 Wie zal het zand der zee en de droppelen 2 1, 4 | alle dingen geschapen, en het verstand der kloekheid is 3 1, 5 | 5 Het woord Gods, die in de allerhoogste 4 1, 11| vrees des Heren vermaakt het hart, en geeft vrolijkheid 5 1, 12| Die de Here vreest die zal het welgaan in de laatste dagen, 6 1, 13| 13 Het begin der wijsheid is de 7 1, 17| 17 En beide zijn het gaven Gods tot vrede.~ 8 1, 19| wetenschap en de kennis van het verstand uit als een plasregen 9 1, 31| dingen openbaren, en u in het midden der vergadering ter 10 2, 5 | 5 Want in het vuur wordt het goud beproefd, 11 2, 5 | 5 Want in het vuur wordt het goud beproefd, en aangename 12 2, 8 | die de Here vreest, hoopt het goede en eeuwige verheuging 13 2, 15| Wee een slap hart, omdat het niet gelooft, daarom zal 14 2, 15| niet gelooft, daarom zal het niet beschermd worden.~ 15 3, 2 | de kinderen, en bevestigt het oordeel der moeder boven 16 3, 14| 14 Indien hem het verstand begeeft, zo houd 17 3, 17| worden, gelijk schoon weder het ijs, zo zullen uw zonden 18 3, 24| 24 Want het is u niet van node, verborgen 19 3, 25| meer dingen aangewezen, dan het verstand der mensen begrijpen 20 3, 26| oogappelen hebt zult gij aan het licht gebrek hebben, en 21 3, 26| licht gebrek hebben, en als het u aan kennis ontbreekt, 22 3, 27| 27 Een hard hart zal op het laatste kwalijk varen, en 23 3, 27| laatste kwalijk varen, en die het gevaar liefheeft zal daarin 24 3, 30| 30 Het hart des verstandigen denkt 25 3, 30| denkt op gelijkenis, en het oor des toehoorders is des 26 3, 31| 31 Het water blust het vlammende 27 3, 31| 31 Het water blust het vlammende vuur uit, en door 28 3, 32| vergeldt, gedenkt aan deze in het toekomende, en hij zal in 29 4, 1 | 1 MIJN kind, laat het leven des armen geen gebrek 30 4, 13| haar liefheeft, die heeft het leven lief, en die zich 31 4, 18| Want verkeerd zal zij in het eerst met hem omgaan.~ 32 4, 23| tijds waar, en wacht u van het boze.~ 33 4, 27| 27 Weer het woord niet in de geschikte 34 4, 29| Want de wijsheid zal in het woord bekend worden, en 35 4, 36| en tezamen getrokken in het geven.~ ~ 36 5, 8 | Here te bekeren, en stel het niet uit dag op dag.~ 37 5, 15| 15 Eer en oneer is in het spreken, en des mensen tong 38 5, 18| niet in enig ding, noch in het grote, noch in het kleine.~ ~ 39 5, 18| noch in het grote, noch in het kleine.~ ~ 40 6, 9 | een vijand, en die u in het openbaar met verwijt bestrijden 41 6, 11| 11 Als het u wel gaat zal hij zijn 42 6, 35| en laat u de spreuken van het verstand niet ontgaan.~ 43 7, 6 | niet te eniger tijd voor het aangezicht des machtigen 44 7, 7 | begeef uzelf niet onder het oproerige volk.~ 45 7, 9 | Allerhoogste ofer, zo zal hij het aannemen.~ 46 7, 18| om enig middelmatig ding, het zij wat het wil, noch een 47 7, 18| middelmatig ding, het zij wat het wil, noch een oprechte broeder 48 7, 19| 19 Het ontbreke u niet aan een 49 7, 19| aangenaamheid overtreft het goud.~ 50 7, 22| heb opzicht daarop, en zo het u nut is, laat het bij u 51 7, 22| en zo het u nut is, laat het bij u blijven.~ 52 7, 32| Namelijk de eerstelingen, en het schuldoffer,~ 53 7, 37| 37 Wees niet traag in het bezoeken van de kranke; 54 8, 3 | 3 Want het goud heeft velen verdorven, 55 8, 12| en hoe gij in de tijd als het nodig is zult antwoorden.~ 56 8, 13| gij niet verbrand wordt in het vuur zijner vlam.~ 57 8, 15| hebben, zo zijt als een die het verloren hebt.~ 58 8, 19| woestijn, gelijk als niets is het bloed in zijn ogen, en waar 59 9, 11| met uw geest niet valt in het verderf.~ 60 9, 18| 18 Weet, dat gij in het midden der strikken doorgaat, 61 10, 5 | mensen voorspoed, en op het aangezicht des schriftgeleerden 62 10, 8 | Een koninkrijk wordt van het ene volk tot het andere 63 10, 8 | wordt van het ene volk tot het andere overgebracht, vanwege 64 10, 13| 13 Het beginsel der hovaardigheid 65 10, 14| gruwelijke moedwil, doch op het einde zal hij omgekeerd 66 10, 23| 23 In het midden der broeders is degene 67 10, 24| een heerschappij ook voor het lot, maar hardigheid en 68 10, 26| 26 Het is niet recht dat men een 69 10, 26| onteert die verstandig is, en het betaamt niet dat men een 70 10, 30| 30 Want het is beter dat iemand werkt, 71 11, 1 | hoofd verheffen, en hem in het midden der groten zetten.~ 72 11, 3 | gedierten, en haar vrucht is het voornaamste der zoetigheden.~ 73 11, 8 | gij gehoord hebt, en in het midden der woorden spreek 74 11, 9 | aangaat; en zit niet bij in het gericht der zondaren.~ 75 11, 12| hebbende hulp van node, het ontbreekt hem aan sterkte, 76 11, 12| heeft grote armoede, en het oog des Heren ziet op hem 77 11, 13| En verheft zijn hoofd van het verderven; en velen dat 78 11, 22| 22 Want het is in de ogen des Heren 79 11, 23| De zegen des Heren is in het loon van de godvrezende; 80 11, 26| goede dagen vergeet men het kwade, en in de kwade dagen 81 11, 26| de kwade dagen wordt aan het goede niet gedacht.~ 82 11, 27| 27 Want het is voor de Here licht, in 83 11, 28| wellust vergeet, en aan het einde van de mens is de 84 11, 31| veldhoen in een kooi, alzo is het hart des hovaardigen, en 85 11, 32| Want hij loert verkerende het goede in het kwade; ja in 86 11, 32| verkerende het goede in het kwade; ja in uitgelezen 87 12, 1 | weldoet, zo weet aan wie gij het doet, en gij zult dank voor 88 12, 2 | vergelding vinden, en is het niet bij hem, immers bij 89 12, 3 | 3 Die in het kwade voortgaat, die zal 90 12, 3 | kwade voortgaat, die zal het niet wèl gaan, noch degene, 91 12, 5 | zal u overkomen voor al het goede, dat gij hem gedaan 92 12, 8 | 8 Als het iemand wèl gaat, dan zijn 93 12, 8 | vijanden in droefheid, en als het hem kwalijk gaat, dan scheidt 94 12, 10| 10 Want gelijk het koper verroest, zo ook zijn 95 12, 11| worden, dat hij die niet tot het einde toe verroest maken 96 12, 13| dieren naderen? zo gaat het met hem die zich ophoudt 97 13, 8 | twee of driemaal toe, en op het laatste zal hij u bespotten, 98 13, 30| 30 Het hart des mensen verandert 99 13, 30| verandert zijn aangezicht, het zij ten goede of ten kwade, 100 14, 7 | Indien hij wel doet, hij doet het ongaarne, en op het laatst 101 14, 7 | doet het ongaarne, en op het laatst zal hij zijn boosheid 102 14, 8 | 8 Het is een boos mens, die met 103 14, 8 | is een boos mens, die met het oog afgunstig is, die het 104 14, 8 | het oog afgunstig is, die het aangezicht afwendt, en veracht 105 14, 9 | 9 Het oog van de gierigaard wordt 106 14, 12| dood niet zal vertoeven, en het verbond des grafs is u niet 107 14, 14| van de goede dag, en laat het deel der goede begeerte 108 14, 17| 17 Want men behoeft in het graf geen spijs te zoeken.~ 109 14, 18| veroudert gelijk een kleed, want het verbond van de eeuw aan 110 14, 19| doet hij uitspruiten; zo is het met het geslacht van het 111 14, 19| uitspruiten; zo is het met het geslacht van het vlees en 112 14, 19| het met het geslacht van het vlees en van het bloed, 113 14, 19| geslacht van het vlees en van het bloed, het ene sterft en 114 14, 19| vlees en van het bloed, het ene sterft en het andere 115 14, 19| bloed, het ene sterft en het andere wordt geboren.~ 116 14, 20| onderworpen is, bezwijkt, en die het gewrocht heeft zal met hetzelve 117 15, 5 | zijn naaste, en zij zal in het midden der vergadering zijn 118 15, 15| zult de geboden houden en het geloof om te doen hetgeen 119 15, 17| 17 Het leven en de dood zijn voor 120 16, 4 | 4 En het is beter zonder kinderen 121 16, 5 | inwoners bezet worden; maar het geslacht der goddelozen 122 16, 10| ontfermde zich niet over het volk des verderfs, die uitgingen 123 16, 11| hardnekkige zou zijn onder het volk, het ware een wonder 124 16, 11| zou zijn onder het volk, het ware een wonder dat die 125 16, 15| zouden bekend worden bij het geslacht onder de hemel; 126 16, 20| 20 En het hart overdenkt deze dingen 127 16, 21| de mens niet zien kan; en het meerderdeel zijner werken 128 16, 22| wie zal ze verdragen? Want het verbond is verre, en onderzoeking 129 16, 22| onderzoeking aller dingen is in het einde.~ 130 16, 26| oordeel zijn zijn werken van het begin en van dat zij gemaakt 131 16, 30| 30 Hij bedekt het leven van alle gedierte, 132 17, 5 | 5 En voor het zesde heeft hij hun het 133 17, 5 | het zesde heeft hij hun het vernuft geschonken, uit 134 17, 5 | delende zijn gaven, en voor het zevende, de spraak, welke 135 17, 13| de jeugd af geneigd tot het kwade, en, zij hebben hun 136 17, 14| verdeling der volken van het ganse aardrijk heeft bij 137 17, 14| voedt, en hij deelt hem mede het licht der liefde, en begeeft 138 17, 22| Allerhoogste prijzen in het graf, in plaats der levenden, 139 18, 1 | leeft, heeft alle dingen in het gemeen geschapen.~ 140 18, 2 | daarin hetgeen heilig is van het onheilige.~ 141 18, 8 | 8 Het getal der dagen des mensen 142 18, 8 | honderd jaren zijn vele, maar het ontslapen van een ieder 143 18, 9 | water is te rekenen tegen het water van de zee, en een 144 18, 9 | een greintje zand tegen het zand aan de zee, zo zijn 145 18, 11| en verstaan hun einde dat het kwaad is, daarom heeft hij 146 18, 15| 15 Mijn kind, wanneer het u wèl gaat, zo geef geen 147 18, 29| scherpzinnige spreuken tot het leven. Beter is het betrouwen 148 18, 29| tot het leven. Beter is het betrouwen op de Here alleen, 149 18, 29| op de Here alleen, daar het dode hart hangt aan hetgeen 150 19, 1 | niet rijk worden, en die het weinige versmaadt, zal gaandeweg 151 19, 5 | 5 Wie zich verheugt in het kwaaddoen, zal verdoemd 152 19, 7 | een rede nimmermeer, en het zal u niet wezen tot vermindering.~ 153 19, 8 | bij vriend noch bij vijand het leven van anderen, en indien 154 19, 8 | leven van anderen, en indien het u geen zonde is, zo openbaar 155 19, 8 | geen zonde is, zo openbaar het niet.~ 156 19, 10| Hebt gij wat gehoord, laat het bij u sterven, en zijt welgemoed, 157 19, 10| en zijt welgemoed, want het zal u niet doen barsten.~ 158 19, 11| een barende vrouw vanwege het kind.~ 159 19, 12| pijl, die in de heup van het vlees vaststeekt, zo is 160 19, 13| vriend, misschien heeft hij het niet gedaan, en zo hij het 161 19, 13| het niet gedaan, en zo hij het gedaan heeft, dat hij het 162 19, 13| het gedaan heeft, dat hij het niet te eniger tijd meer 163 19, 14| naaste, misschien heeft hij het niet gezegd, en zo hij het 164 19, 14| het niet gezegd, en zo hij het gezegd heeft, dat hij het 165 19, 14| het gezegd heeft, dat hij het ten tweeden male niet zegge.~ 166 19, 19| zeggende tot zijn heer: Gelijk het u behaagt zal ik niet doen, 167 19, 19| ik niet doen, indien hij het daarna doet, ver toornt 168 19, 21| is een onverstandige, die het aan wijsheid ontbreekt.~ 169 19, 22| 22 Die het aan verstand ontbreekt, 170 19, 23| de genade verandert, om het recht te doen blijken, en 171 19, 24| gebukt in zwarte klederen, en het binnenste van hem is vol 172 19, 25| 25 Hij bukt het aangezicht, en maakt de 173 19, 27| 27 Een mens wordt aan het gezicht gekend, en een verstandige 174 19, 28| De kleding des mans, en het lachen der tanden, en de 175 20, 1 | 1 HOE veel beter is het te bestraffen dan heimelijk 176 20, 2 | hij die geweld oefent in het gericht.~ 177 20, 5 | mens zal zwijgen totdat het gelegen tijd is, maar een 178 20, 7 | 7 Hoe fraai is het, dat degene die bestraft 179 20, 10| er die uit de vernedering het hoofd opheft.~ 180 20, 11| weinig geld koopt, en betaalt het zevenvoudig.~ 181 20, 17| bespotten! want hij heeft het bezit zijner goederen met 182 20, 17| rechte kennis ontvangen, en het ontberen daarvan is hem 183 20, 18| 18 Het is beter op een vloer te 184 20, 22| door schaamte, en verliest het omdat hij de persoon aanneemt.~ 185 21, 5 | verwoesten rijkdom; zo zal het huis der hovaardigen verwoest 186 21, 11| stenen geëffend, doch aan het uiterste daarvan is de gracht 187 21, 16| 16 Het binnenste van de dwaas is 188 21, 16| gelijk een gebroken vat, het zal geen kennis vatten, 189 21, 18| 18 Heeft het een onverstandige gehoord, 190 21, 18| onverstandige gehoord, zo mishaagt het hem, enhij werpt het achter 191 21, 18| mishaagt het hem, enhij werpt het achter zijn rug.~ 192 21, 23| dwaas verheft zijn stem in het lachen, maar een kloek man 193 21, 26| onwijze zal over de deur in het huis kijken, maar een man 194 21, 27| 27 Het is een ongeschiktheid des 195 21, 29| 29 Het hart der dwazen is in hun 196 22, 3 | 3 Het is des vaders schande wanneer 197 22, 9 | wat vertelt, die vertelt het een sluimerende, en in het 198 22, 9 | het een sluimerende, en in het einde zal hij zeggen: Wat 199 22, 9 | einde zal hij zeggen: Wat is het?~ 200 22, 10| Ween over een dode, want het licht heeft hem begeven. 201 22, 10| Beween ook een dwaas, want het verstand heeft hem begeven.~ 202 22, 12| 12 Want het leven van een dwaas is boven 203 22, 23| daar tranen uit, en die in het hart steekt brengt het gevoelen 204 22, 23| in het hart steekt brengt het gevoelen te voorschijn.~ 205 22, 25| 25 Indien gij het zwaard getrokken hebt tegen 206 22, 27| gij u verheugen moogt als het hem wèl gaat.~ 207 22, 29| ovens en de rook gaan voor het vuur, zo gaan scheldwoorden 208 22, 30| zijnentwil, een iegelijk die het hoort zal zich voor hem 209 23, 11| is op hem, en indien hij het niet acht, zo zondigt hij 210 23, 13| 13 Het is een wijze van spreken 211 23, 13| niet gevonden worden in het erfdeel Jakobs.~ 212 23, 16| vader en moeder; want in het midden der groten zult gij 213 23, 20| gelijk een brandend vuur; het wordt niet uitgeblust tot 214 23, 20| wordt niet uitgeblust tot het verslonden is.~ 215 23, 21| Een hoereerder, die met het lichaam zijns vleses hoererij 216 23, 28| gegrepen worden waar hij het niet heeft gemeend.~ 217 23, 35| 35 Het is een grote heerlijkheid 218 24, 1 | wijsheid prijst zichzelf, en in het midden van haar volk beroemt 219 24, 12| een verheerlijkt volk, in het deel des Heren, dat is zijn 220 24, 15| boom Platanus ben ik uit het water verhoogd.~ 221 24, 26| 26 Al deze dingen leert het boek des verbonds van God 222 24, 28| 28 Die vervult het verstand gelijk de Eufraat, 223 24, 33| waterloop ben ik uitgegaan in het paradijs.~ 224 25, 6 | 6 Wat een schone zaak is het dat grijze haren zitten 225 25, 9 | geprezen in mijn hart, en het tiende zal ik met mijn tong 226 25, 16| 16 De vreze des Heren is het begin zijner liefde, maar 227 25, 16| begin zijner liefde, maar het geloof het begin zijner 228 25, 16| liefde, maar het geloof het begin zijner aankleving.~ 229 25, 19| Daar is geen hoofd boven het hoofd der slang, en daar 230 25, 22| 22 In het midden van zijn naasten 231 25, 23| boosheid van een vrouw; en het lot des zondaars valle haar 232 25, 29| 29 Van de vrouw is het begin der zonde, en om harentwil 233 25, 30| 30 Geef het water geen doortocht, noch 234 26, 1 | die een goede vrouw heeft; het getal zijner dagen wordt 235 26, 4 | 4 En het hart van zo'n man is goed 236 26, 5 | ontziet mijn hart, en voor het vierde word ik in mijn aangezicht 237 26, 6 | stad, en de vergadering van het volk, en leugen tegen iemand 238 26, 17| schoonheid van een goede vrouw in het sieraad van haar huis.~ 239 26, 18| 18 Gelijk het licht op de heilige kandelaar 240 26, 22| overblijvende, en vrijmoedigheid van het edele geslacht hebbende, 241 26, 28| goede vrouw heeft, want het getal zijner jaren zal dubbel 242 26, 30| bedroefd geworden, en over het derde is mij gramschap aangekomen:~ 243 26, 32| zonde; de Here zal hem tot het zwaard bereiden.~ 244 27, 6 | gedachten blijken wat in het hart des mensen is.~ 245 27, 8 | is najaagt, zo zult gij het achterhalen, en zult het 246 27, 8 | het achterhalen, en zult het aantrekken als een lange 247 27, 9 | 9 Het gevogelte nestelt bij zijns 248 27, 11| 11 Het verhaal van de godvrezende 249 27, 13| 13 Het verhaal der zotten is verdriet, 250 27, 21| is verre van u weg, en is het ontvloden gelijk een ree 251 27, 23| 23 Wie met het oog wenkt, die smeedt boze 252 27, 28| hij zal niet weten vanwaar het hem komt.~ 253 28, 2 | 2 Vergeef uw naaste het onrecht dat hij u gedaan 254 28, 8 | tegen de naaste, en aan het verbond des Allerhoogsten, 255 28, 11| 11 Hoe meer hout men in het vuur legt, hoe meer het 256 28, 11| het vuur legt, hoe meer het brandt; hoe meer het gekijf 257 28, 11| meer het brandt; hoe meer het gekijf wordt gesterkt, hoe 258 28, 11| wordt gesterkt, hoe meer het vuur toeneemt; hoe sterker 259 28, 12| haastige twist ontsteekt het vuur, en een haastend gevecht 260 28, 15| bewogen, en heeft hen van het ene volk in het andere verzet,~ 261 28, 15| hen van het ene volk in het andere verzet,~ 262 28, 19| slag der tong vermorzelt het gebeente.~ 263 28, 24| dood is een boze dood, en het graf is nuttiger dan zij.~ 264 29, 2 | behoefte, en wederom, geef het uw naaste weder te zijner 265 29, 4 | 4 Velen menen dat het geleende als gevonden is, 266 29, 6 | 6 Maar wanneer hij het behoort weder te geven, 267 29, 6 | zijn zorgeloosheid en wijt het de tijd.~ 268 29, 7 | 7 En indien hij het vermag te geven, zo zal 269 29, 7 | de helft brengen, en zal het rekenen als gevonden.~ 270 29, 10| af, en vrezen dat zij van het hunne mochten beroofd worden.~ 271 29, 12| Neem u de arme aan vanwege het gebod, en keer u niet af 272 29, 23| zware werken najaagt, zal in het gericht vallen.~ 273 29, 25| 25 Het voornaamste van het leven 274 29, 25| 25 Het voornaamste van het leven des mensen is water 275 29, 26| 26 Het leven des armen onder een 276 29, 27| een welbehagen zo wel aan het kleine als aan het grote, 277 29, 27| wel aan het kleine als aan het grote, opdat gij niet hoort 278 29, 27| grote, opdat gij niet hoort het verwijt van uw huis.~ 279 29, 28| 28 Het is een ellendig leven uit 280 29, 28| is een ellendig leven uit het ene huis in het andere te 281 29, 28| leven uit het ene huis in het andere te vertrekken, want 282 29, 31| heerlijk aangezicht, ik heb het huis nodig, mijn broeder 283 29, 32| De bestraffing vanwege het huis, en het verwijt van 284 29, 32| bestraffing vanwege het huis, en het verwijt van die hem geleend 285 30, 2 | hem verblijd worden, en in het midden der vermaarde lieden 286 30, 4 | zijn vader gestorven, zo is het alsof hij niet gestorven 287 30, 9 | 9 Streel uw kind, en het zal u verschrikken; speel 288 30, 9 | verschrikken; speel met hem, en het zal u bedroeven.~ 289 30, 15| lichaam, is beter dan al het goud, en een goed sterk 290 30, 19| 19 Wat is het brandoffer de afgod nut? 291 30, 19| hij riekt niet; zo gaat het hem die door de Here vervolgd 292 31, 1 | 1 HET waken om des rijkdoms wil 293 31, 1 | om des rijkdoms wil doet het vlees verdwijnen, en daarover 294 31, 7 | 7 Het is een hout des aanstoots 295 31, 7 | des aanstoots degenen die het offeren, en alle onwijze 296 31, 8 | gevonden wordt, en die naar het goud niet gaat.~ 297 31, 10| en kwaad doen, en heeft het niet gedaan?~ 298 31, 15| zulk een oog? daarom weent het vanwege al hetgeen dat het 299 31, 15| het vanwege al hetgeen dat het ziet.~ 300 31, 28| de wijn heeft er velen in het verderf gebracht.~ 301 31, 29| zo doet ook de wijn in het hart der hovaardigen als 302 31, 30| wijn is de mensen gelijk het leven; indien gij deze matig 303 31, 31| een leven heeft hij die het aan wijn ontbreekt? Want 304 31, 35| Bestraf uw naaste niet in het wijngelag, en veracht hem 305 32, 4 | wetenschap, en gij zult het snarenspel verhinderen.~ 306 32, 7 | 7 Het gezang der muzikanten bij 307 32, 8 | Spreek gij jongeling, als het u van node is, en zulks 308 32, 20| zonder raad, en als gij het gedaan hebt, laat het u 309 32, 20| gij het gedaan hebt, laat het u niet berouwen.~ 310 32, 24| Here gelooft, die let op het gebod, en wie zijn betrouwen 311 33, 5 | 5 Het binnenste van de zot is 312 33, 5 | binnenste van de zot is gelijk het rad aan een wagen, en zijn 313 33, 7 | de andere dag, zo toch al het licht der dagen in het jaar 314 33, 7 | al het licht der dagen in het jaar van de zon komt?~ 315 33, 9 | hen sommige gesteld tot het getal der gemene dagen.~ 316 33, 13| zijn in zijn hand gelijk het leem eens pottenbakkers, 317 33, 15| 15 Gelijk het goede staat tegen het kwade, 318 33, 15| Gelijk het goede staat tegen het kwade, en het leven tegen 319 33, 15| staat tegen het kwade, en het leven tegen de dood, zo 320 33, 15| Allerhoogsten, zij zijn alle twee, het een tegen het ander.~ 321 33, 15| alle twee, het een tegen het ander.~ 322 33, 18| de gemeente regeert, laat het tot uw oren ingaan.~ 323 33, 21| 21 Want het is beter dat de kinderen 324 33, 26| 26 Het juk en touw buigen voor 325 33, 27| 27 Drijf hem tot het i werk, opdat hij niet ledig 326 33, 28| 28 Stel hem aan het werk, gelijk hem betaamt.~ 327 34, 3 | evenals de gelijkheid van het aangezicht tegen het aangezicht 328 34, 3 | van het aangezicht tegen het aangezicht over.~ 329 34, 4 | 4 Van het onreine, wat zal daarvan 330 34, 5 | inbeeldingen krijgt, gelijk het hart ener vrouw die in barensnood 331 34, 11| gezien in mijn afdwaling, en het is mijn verstand, dat mijn 332 34, 21| slachtoffer toebrengt van het geld der armen.~ 333 34, 22| 22 Het brood der behoeftigen is 334 34, 22| brood der behoeftigen is het leven der armen, wie hen 335 34, 24| En hij vergiet bloed, die het loon van de dagloner rooft.~ 336 34, 28| 28 Zo is het met een mens die vast vanwege 337 35, 3 | 3 Het is des Heren welbehagen 338 35, 4 | Verschijn niet ledig voor het aangezicht des Heren.~ 339 35, 5 | dingen moet men doen vanwege het gebod.~ 340 35, 6 | van de rechtvaardige maakt het altaar vet, en de goede 341 35, 7 | 7 Het slachtoffer eens rechtvaardigen 342 35, 11| een vergelden, en hij zal het zevenvoudig vergelden.~ 343 35, 14| 14 De Here zal het aangezicht desgenen die 344 35, 15| 15 Hij zal het smeken der wezen niet verachten, 345 35, 18| 18 Het gebed des nederigen gaat 346 35, 18| af totdat de Allerhoogste het zal ingezien hebben, welke 347 35, 22| hij zal hebben geoordeeld het recht van zijn volk, en 348 36, 11| uw volk kwellen, laat die het verderf vinden.~ 349 36, 13| hun erfdeel, gelijk van het begin.~ 350 36, 21| keel smaakt de spijs van het wildbraad, zo onderkent 351 36, 24| schoonheid der vrouw verblijdt het aangezicht, en gaat alle 352 37, 9 | opdat hij niet misschien het lot over u werpe,~ 353 37, 12| hebt over de voleinding van het werk, noch met een trage 354 37, 17| 17 Het begin van het werk is de 355 37, 17| 17 Het begin van het werk is de rede, en beraadslaging 356 37, 18| 18 Het aangezicht is een teken 357 37, 19| vertonen zich: namelijk het goede, het kwade, het leven 358 37, 19| zich: namelijk het goede, het kwade, het leven en de dood 359 37, 19| namelijk het goede, het kwade, het leven en de dood en de tong 360 37, 19| en de dood en de tong is het, die gedurig daarover heerst.~ 361 37, 21| hatelijk; deze ontbreekt het aan alle wijsheid.~ 362 37, 26| 26 Het leven van een man heeft 363 37, 28| haar schadelijk is, en geef het haar niet.~ 364 38, 5 | 5 Is het water niet zoet geworden 365 38, 9 | in uw krankheid verzuim het niet, maar bid de Here, 366 38, 17| bitter, en wees vurig in het geklag;~ 367 38, 20| blijft ook de droefheid, en het leven van een arme is een 368 38, 23| oordeel, want zo zal ook het uwe zijn; mij gisteren en 369 38, 28| 28 Zo is het gelegen met ieder schrijnwerker 370 38, 30| na te maken, en waakt om het werk te voleinden.~ 371 38, 31| ook een smid, die nabij het aanbeeld zit, en slaat het 372 38, 31| het aanbeeld zit, en slaat het ijzerwerk gade; de damp 373 38, 31| ijzerwerk gade; de damp van het vuur versmelt zijn vlees, 374 38, 32| De klank van de hamer en het aanbeeld vernieuwt zijn 375 38, 32| tegenover de gelijkenis van het vat.~ 376 38, 34| en drijft met zijn voeten het wiel om; welke altijd bezorgd 377 38, 35| 35 Met zijn arm geeft hij het leem een gestalte, en voor 378 38, 38| wandelen, doch tot de raad van het volk zullen zij niet gevorderd 379 38, 39| rechters zitten zij niet, en het verbond van het recht verstaan 380 38, 39| niet, en het verbond van het recht verstaan zij niet, 381 38, 40| gevonden, maar zij bevestigen het bezit der wereld, en hun 382 38, 41| 41 In het algemeen, niemand wordt 383 39, 5 | 5 Het land van vreemde volken 384 39, 7 | doet zijn mond open tot het gebed, en smeekt voor zijn 385 39, 11| voorschijn, en in de wet van het verbond des Heren roemt 386 39, 15| 15 Indien hij in het leven blijft, zo zal hij 387 39, 21| 21 Door zijn woord stond het water gelijk een hoop, en 388 39, 21| gelijk een hoop, en door het woord van zijn mond de boezem 389 39, 26| en gelijk een watervloed het droge land dronken maakt;~ 390 39, 29| 29 Goede dingen zijn in het begin voor de goede mensen 391 39, 30| 30 Het voornaamste dat tot het 392 39, 30| Het voornaamste dat tot het leven des mensen nodig is, 393 39, 33| 33 Het vuur en de zee, en de honger, 394 39, 34| schorpioenen, en adders, en het zwaard doende wraak aan 395 39, 36| gekomen is, zo overtreden zij het woord niet.~ 396 39, 37| 37 Daarom ben ik van het begin af hierin bevestigd 397 39, 38| nodig is verleent hij als het tijd is.~ 398 40, 5 | haat en twist, en wanneer het tijd is om te rusten op 399 40, 5 | tijd is om te rusten op het bed verandert de slaap van 400 40, 7 | Hij wordt ontroerd door het gezicht van zijn hart, gelijk 401 40, 8 | 8 Zo gaat het met alle vlees, van de mens 402 40, 8 | vlees, van de mens af tot op het vee, doch over de zondaars 403 40, 13| overtreden, verdelgd worden tot het uiterste.~ 404 40, 17| 17 Het leven desgenen, die zich 405 40, 19| Wijn en muziek verheugen het hart, maar de liefde tot 406 40, 20| 20 De fluit en het snarenspel geven een zoete 407 40, 21| 21 Het oog verlustigt zich in hetgeen 408 40, 21| maar in de groente van het gezaaide meer dan in beide.~ 409 40, 25| Geld en sterkte verhogen het hart, maar de vreze des 410 40, 28| leef geen bedelaarsleven; het is beter sterven dan bedelen.~ 411 41, 2 | goede rust heeft, en die het welgaat in alles, en nog 412 41, 5 | 5 Vrees het oordeel des doods niet; 413 41, 5 | komen zullen, want dit is het oordeel aan uw vlees door 414 41, 7 | duizend jaren leeft, in het graf is geen bestraffing 415 41, 9 | 9 Het erfdeel van de kinderen 416 41, 12| indien gij vermenigvuldigt, het is tot verderfenis, en indien 417 41, 13| gaan de goddelozen naar het verderf.~ 418 41, 20| ontzie voor, mijn woord, want het is niet goed in alle dingen 419 41, 22| een vergadering en voor het volk, vanwege overtreding 420 41, 24| de elleboog te liggen op het brood, en voor schandelijke 421 41, 24| schandelijke afwijzing in het ontvangen en uitgeven.~ 422 41, 25| uw stilzwijgen; vanwege het aanschouwen van een lichte 423 42, 2 | wet des Allerhoogsten en het verbond, en vanwege het 424 42, 2 | het verbond, en vanwege het oordeel, om een goddeloze 425 42, 4 | gij nauw let op de waag en het gewicht; noch dat gij veel 426 42, 8 | Indien gij wat overgeeft, doe het bij getal en gewicht, en 427 42, 14| de stad van u spreke en het volk u naroepe, en zij u 428 42, 15| enig mens, en zit niet in het midden der vrouwen.~ 429 42, 22| 22 De afgrond en het hart onderzoekt hij, en 430 42, 30| Alle dingen zijn dubbel, het een tegenover het ander, 431 42, 30| dubbel, het een tegenover het ander, en hij heeft niets 432 42, 31| 31 Het een bevestigt het goede 433 42, 31| 31 Het een bevestigt het goede des anderen, en wie 434 43, 1 | 1 HET zuivere firmament is een 435 43, 3 | middag is, verdroogt zij het land, en wie zal tegen haar 436 43, 4 | dampen uitblaast, en met het glinsteren van haar stralen 437 43, 7 | heeft men een teken van het feest, zij is een licht 438 43, 9 | de hoogte, schijnende in het uitspansel des hemels.~ 439 43, 20| 20 Het oog is verwonderd over de 440 43, 20| schoonheid van haar witheid, en het hart wordt ontsteld over 441 43, 22| koude noordenwind blaast, en het water tot ijs bevriest, 442 43, 22| op alle vergadering van het water neder, en trekt het 443 43, 22| het water neder, en trekt het water gelijk als een pantser 444 43, 23| verbrandt de woestijn, en blust het groene gras uit, gelijk 445 43, 23| groene gras uit, gelijk het vuur.~ 446 43, 26| de zee bevaren vertellen het gevaar daarvan, en wij zijn 447 43, 26| zijn verwonderd als wij het met onze oren horen.~ 448 43, 29| zeggen, maar wij zouden het niet kunnen bereiken, en 449 43, 29| woorden voleindige, hij is het Al.~ 450 43, 30| verheerlijken, waar zullen wij het vermogen? Want hij is groot 451 43, 32| gij kunt; evenwel zal hij het nog overtreffen.~ 452 43, 33| vermoeit u niet, want gij zult het niet bereiken.~ 453 43, 34| heeft hem gezien, en zal het vertellen? en wie zal hem 454 44, 5 | 5 Leiders van het volk in de raadslagen, en 455 44, 5 | in de raadslagen, en in het verstand der beschreven 456 44, 5 | der beschreven wetten van het volk.~ 457 44, 17| en werd weggenomen, om het geslacht een voorbeeld der 458 44, 21| zijn vlees heeft de Here het verbond opgericht, en in 459 44, 23| vermenigvuldigen gelijk het stof der aarde; en dat zij 460 44, 23| en van de rivier tot aan het uiterste der aarde.~ 461 44, 24| de zegen aller mensen, en het verbond, en heeft het doen 462 44, 24| en het verbond, en heeft het doen rusten op het hoofd 463 44, 24| heeft het doen rusten op het hoofd van Jakob.~ 464 45, 2 | heeft hem verheerlijkt voor het aangezicht der koningen.~ 465 45, 5 | en heeft hem ingevoerd in het donker;~ 466 45, 6 | wetenschap; deze heeft Jakob het verbond geleerd, en Israël 467 45, 8 | opgericht, en hem gegeven het priesterdom onder zijn volk, 468 45, 11| te maken met geklank in het gaan; en een gerucht te 469 45, 12| hemelsblauwe en purperen rok, het werk van een borduurwerker; 470 45, 12| borduurwerker; met de lap van het gericht, openbare tekenen 471 45, 13| geschreven en gegraveerd was het getal der kinderen Israëls.~ 472 45, 19| dienst waar te nemen, en het priesterschap te bedienen, 473 45, 19| priesterschap te bedienen, en het volk in zijn naam te zegenen.~ 474 45, 20| verzoening te doen voor het volk.~ 475 45, 22| de woestijn; mannen die het met Dathan en Abiram hielden, 476 45, 23| 23 Maar de Here zag het, en had geen behagen daaraan, 477 45, 24| heeft hen verteerd door het vlammig vuur.~ 478 45, 27| 27 Doch in het land des volks had hij geen 479 45, 27| en kreeg geen deel onder het volk, want hij zelf was 480 45, 27| volk, want hij zelf was het deel zijner erfenis.~ 481 45, 29| En gestaan had als zich het volk had afgekeerd, met 482 45, 31| 31 En gelijk, volgens het verbond opgericht met David, 483 45, 31| zoon uit de stam van Juda het erfdeel des konings heeft, 484 45, 31| alleen tot de andere; zo is het erfdeel des priesterdoms 485 46, 3 | hij zijn handen ophief, en het zwaard tegen de steden uittrok?~ 486 46, 7 | oorlog tegen de volken, en in het afkomen tot hen vernielde 487 46, 9 | gemeente wederstonden, om het volk te verhinderen dat 488 46, 9 | volk te verhinderen dat het niet zou zondigen en om 489 46, 10| voet, om hen te brengen in het erfdeel, in het land dat 490 46, 10| brengen in het erfdeel, in het land dat van melk en honig 491 46, 11| ouderdom, dat hij opklom op het hoogste van het land, en 492 46, 11| opklom op het hoogste van het land, en zijn zaad heeft 493 46, 12| Israëls zouden zien, dat het goed is de Here na te volgen.~ 494 47, 2 | 2 Gelijk het vette is afgezonderd geweest 495 47, 2 | afgezonderd geweest van het dankoffer, zo is David afgezonderd 496 47, 4 | nam de versmaadheid uit het volk weg.~ 497 47, 7 | 7 Zodat het hem verheerlijkte onder 498 47, 11| heeft zangers ingesteld voor het altaar, om uit zijn geluid 499 47, 13| eeuwigheid; en heeft hem gegeven het verbond des koninkrijks, 500 47, 14| wijs man, en door hem heeft het volk in ruimte gewoond.~


1-500 | 501-559

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License