Chapter, Verse
1 8, 22| Verklaar uw hart niet aan ieder mens, en laat u geen valse
2 11, 30| 30 Leid niet een ieder in uw huis, want de lagen
3 13, 18| 18 Ieder dier heeft zijns gelijke
4 13, 18| heeft zijns gelijke lief, en ieder mens heeft zijn naaste lief.~
5 16, 13| kastijding; hij zal een ieder oordelen naar zijn werken.~
6 16, 15| allerlei aalmoezen, want een ieder zal vinden naar zijn werken.
7 17, 13| zijnde altijd voor hem, maar ieder mens is van de jeugd af
8 18, 8 | maar het ontslapen van een ieder kan van niemand berekend
9 18, 27| 27 Een ieder die verstandig is kent wijsheid
10 22, 1 | beslijkte steen, en een ieder schuift hem weg om zijn
11 33, 6 | springhengst, hij briest onder een ieder, die op hem zit.~
12 37, 1 | 1 IEDER vriend zal wel zeggen: Ik
13 37, 8 | 8 Een ieder die raad geeft, verheft
14 37, 29| zijn allen niet nut, en ieder neemt geen vermaak in alles.~
15 38, 28| 28 Zo is het gelegen met ieder schrijnwerker en timmerman,
16 40, 1 | 1 VOOR een ieder mens is een grote onrust
17 42, 10| recht onderwezen, en bij een ieder, die leeft, geacht worden.~
18 49, 2 | zoet in de mond van een ieder als honig, en als een muziekspel
|