Chapter, Verse
1 6, 4 | bezit, en zal maken dat de vijanden over haar verblijd worden.~
2 6, 13| 13 Scheid u af van uw vijanden, en wacht u voor uw vrienden.~
3 12, 8 | wèl gaat, dan zijn zijn vijanden in droefheid, en als het
4 18, 31| welbehagen, zo zult gij uw vijanden die u benijden een vreugde
5 25, 10| leeft, en die de val zijner vijanden ziet.~
6 25, 18| doch niet de wraak der vijanden.~
7 26, 29| bekwaam tot afwering der vijanden; en een ieders mensen ziel,
8 30, 6 | nagelaten, die zich aan de vijanden wreken zal, en de vrienden
9 37, 2 | metgezel en een vriend tot vijanden worden?~
10 42, 14| niet misschien make dat uw vijanden over u vrolijk zijn, dat
11 45, 2 | heeft hem door de vrees der vijanden groot gemaakt; door zijn
12 46, 2 | om wraak te doen aan de vijanden die tegen hen opstonden,
13 46, 6 | Allerhoogste God aan als hij de vijanden rondom onderdrukte, en de
14 46, 18| machtige, aan, als hem zijn vijanden rondom drukten, en offerde
15 47, 8 | 8 Hij verdelgde de vijanden rondom, en bracht tot niet
16 49, 11| Want ook gedacht hij de vijanden in de plasregen, en bracht
17 51, 11| verlost uit de hand der vijanden.~
|