1-500 | 501-559
Chapter, Verse
501 47, 20| lood vermenigvuldigdet gij, het zilver; maar gij hebt uw
502 47, 24| uitverkorenen ook niet uit, en nam het zaad desgenen, die hem had
503 47, 26| zaad een zeer dwaze onder het volk, en gering van verstand,
504 47, 26| namelijk Rehabeäm, die het volk deed afvallen door
505 47, 28| zij afvallig werden van het land, totdat de toorn en
506 48, 3 | 3 Door het woord des Heren hield hij
507 48, 5 | opgewekt, en een ziel uit het graf door het woord des
508 48, 5 | een ziel uit het graf door het woord des Allerhoogsten.~
509 48, 6 | hebt koningen afgevoerd in het verderf, en die verheven
510 48, 8 | koningen hebt gezalfd, dat zij het zouden vergelden, en profeten
511 48, 10| te stillen de toorn van het grimmige oordeel des Heren;
512 48, 10| oordeel des Heren; te keren het hart van de vader tot de
513 48, 13| 13 Elia is het, die bedekt werd met een
514 48, 16| deze dingen bekeerde zich het volk niet, en stond van
515 48, 17| over, en een overste in het huis van David.~
516 48, 19| vast, en leidde water in het midden daarvan; hij groef
517 48, 24| 24 Hij sloeg het leger der Assyriërs, en
518 48, 26| Here verlengde de koning het leven.~
519 49, 10| 10 Ezechiël is het, die een heerlijk gezicht
520 49, 14| Josadak, die in hun dagen het huis weder hebben gebouwd,
521 50, 1 | hogepriester, welke in zijn leven het huis des Heren heeft vermaakt,
522 50, 1 | heeft ook in zijn dagen het volk bevestigd.~
523 50, 2 | 2 Onder hem is het fundament gelegd van de
524 50, 4 | zorg voor zijn volk, dat het niet viel.~
525 50, 5 | verheerlijkt door uw verkeer met het volk, en door de uitgang
526 50, 5 | en door de uitgang uit het huis waar het voorhangsel
527 50, 5 | uitgang uit het huis waar het voorhangsel voorhangt.~
528 50, 6 | gelijk de morgenster in het midden der wolken, gelijk
529 50, 7 | leliën aan de oorsprong van het water; gelijk een spruit
530 50, 10| tot aan de wolken; als hij het kleed der heerlijkheid nam,
531 50, 11| 11 In het opklimmen tot het heilige
532 50, 11| 11 In het opklimmen tot het heilige altaar verheerlijkte
533 50, 12| hij zelf bij de haard van het altaar.~
534 50, 14| voleindigende de diensten op het altaar, om te versieren
535 50, 15| offerbeker, en offerde van het druivenbloed,~
536 50, 16| Uitgietende op de fundamenten van het altaar een welriekende reuk
537 50, 18| 18 Dan haastte al het volk in het gemeen, en viel
538 50, 18| Dan haastte al het volk in het gemeen, en viel op hun aangezicht
539 50, 19| God met hun stemmen, en in het meeste geluid was een zoet
540 50, 20| 20 En het volk van de Here, des Allerhoogsten,
541 50, 20| smeekte in hun gebed, voor het aangezicht van de ontfermer,
542 50, 20| totdat vol eindigd was het versiersel des Heren, en
543 50, 24| 24 En bidt dat het vrede worde in onze dagen
544 50, 24| dagen in Israël, gelijk het in de dagen der vorige eeuw
545 50, 25| mijn ziel verstoord, en het derde is geen volk:~
546 50, 26| Filistijnen land wonen, en het dwaze volk dat te Sichem
547 50, 27| gesteld een onderwijzing van het verstand en der wetenschap;
548 50, 29| dingen bekwaam zijn, dewijl het licht des Heren zijn voetstap
549 51, 6 | verstikking des vuurs rondom; uit het midden des vuurs, dat ik
550 51, 7 | van de onreine tong, van het leugenachtige woord, door
551 51, 8 | en mijn leven was nabij het diepste graf.~
552 51, 15| gij hebt ons verlost uit het verderf, en mij getrokken
553 51, 18| om haar gebeden, en tot het uiterste toe zal ik haar
554 51, 19| gelijk over een druif die na het bloeisel rijp wordt.~
555 51, 24| ik heb gedacht om haar in het werk te stellen, en te beijveren
556 51, 24| stellen, en te beijveren het goede, en zal geenszins
557 51, 28| 28 Ik heb van het begin af tot haar een hart
558 51, 31| onderwezen zijt, en overnacht in het huis der onderwijzing.~
559 51, 34| 34 Legt uw hals onder het juk, en uw ziel neme onderwijzing
1-500 | 501-559 |