1-500 | 501-554
Chapter, Verse
1 1, 5 | 5 Het woord Gods, die in de allerhoogste plaatsen
2 1, 9 | hij verleent haar degenen die hem lief hebben.~
3 1, 12| 12 Die de Here vreest die zal het
4 1, 12| 12 Die de Here vreest die zal het welgaan in de laatste
5 1, 18| verbreidt hem voor degenen, die hem liefhebben.~
6 1, 19| heerlijkheid der genen, die haar vasthouden.~
7 2, 7 | 7 Gij die de Here vreest, gelooft
8 2, 8 | 8 Gij die de Here vreest, hoopt het
9 2, 9 | 9 Gij die de Here vreest, verbiedt
10 2, 14| slappe handen en de zondaar die twee paden ingaat.~
11 2, 16| 16 Wee ulieden die de lijdzaamheid verloren
12 2, 18| 18 Die de Here vrezen, zullen zijn
13 2, 18| niet ongehoorzaam zijn, en die Hem liefhebben, zullen zijn
14 2, 19| 19 Die de Here vrezen, zoeken dat
15 2, 20| 20 Die hem liefhebben, zullen van
16 2, 21| 21 Die de Here vrezen, bereiden
17 3, 3 | 3 Wie zijn vader eert, die verzoent zijn zonden;~
18 3, 4 | moeder eert, is gelijk als die schatten vergadert.~
19 3, 7 | als heren dienen degenen, die hem gegenereerd hebben.~
20 3, 12| zijns vaders, en een moeder die in oneer is, die is de kinderen
21 3, 12| moeder die in oneer is, die is de kinderen een verwijt.~
22 3, 15| Want de barmhartigheid, die gij uw vader bewijst, zal
23 3, 18| Wie zijn vader verlaat, die is gelijk een godslasteraar,
24 3, 18| broeder tot toorn verwekt, die is vervloekt van de Here.~
25 3, 23| 23 Dingen die u te zwaar zijn, onderzoek
26 3, 23| onderzoek ze niet onbedacht, en die u te sterk zijn ondertast
27 3, 26| ontbreekt, zo verkondig die niet.~
28 3, 27| laatste kwalijk varen, en die het gevaar liefheeft zal
29 3, 32| 32 En de Here, die de weldaden vergeldt, gedenkt
30 4, 4 | Weiger de verdrukte niet die u smeekt, en keer uw aangezicht
31 4, 6 | zijn gebed zal hij horen, die hem gemaakt heeft,~
32 4, 9 | 9 Verlos degene die onrecht lijdt uit de hand
33 4, 9 | lijdt uit de hand van hem die onrecht doet, en zijt niet
34 4, 12| kinderen, en neemt degenen aan die haar zoeken.~
35 4, 13| 13 Wie haar liefheeft, die heeft het leven lief, en
36 4, 13| heeft het leven lief, en die zich vroeg opmaken tot haar,
37 4, 14| 14 Die haar vasthoudt zal eer beërven,
38 4, 14| beërven, en waar zij ingaat, die zal de Here zegenen.~
39 4, 15| 15 Die haar dienen, die zullen
40 4, 15| 15 Die haar dienen, die zullen de heilige dienen,
41 4, 15| zullen de heilige dienen, en die haar liefhebben, heeft de
42 4, 16| 16 Die haar gehoorzaam is, zal
43 4, 16| zal de volken richten; en die op haar acht neemt, zal
44 4, 25| daar is een beschaamdheid, die zonde aanbrengt, en daar
45 4, 25| daar is een beschaamdheid, die eer en gunst brengt.~
46 4, 35| uw huisknechten als een die met verbeelding gekweld
47 5, 11| pad, zo doet de zondaar die tweetongig is.~
48 6, 1 | zo zal ook de zondaar, die tweetongig is, oneer behalen.~
49 6, 4 | ziel zal verderven degene die haar bezit, en zal maken
50 6, 6 | heb maar een van duizenden die uw raadgever zij.~
51 6, 9 | 9 Ook is er menig vriend die veranderd wordt in een vijand,
52 6, 9 | wordt in een vijand, en die u in het openbaar met verwijt
53 6, 14| sterke bescherming, en wie die gevonden heeft, die heeft
54 6, 14| wie die gevonden heeft, die heeft een schat gevonden.~
55 6, 16| medicijn des levens, en die de Here vrezen zullen hem
56 6, 17| 17 Die de Here vreest, gedraagt
57 7, 11| 11 Belach de mens niet die in bitterheid zijner ziel
58 7, 11| ziel is, want daar is een die vernedert en verhoogt.~
59 7, 15| arbeid niet, en de landbouw, die door de Allerhoogste geschapen
60 7, 20| 20 Die de huisknecht geen kwaad
61 7, 20| de huisknecht geen kwaad die getrouw zijn werk doet,
62 7, 20| werk doet, noch de huurling die zijn ziel aan u overgeeft.~
63 7, 29| geheel uw kracht lief degene die u gemaakt heeft, en verlaat
64 7, 36| wenende, en treur met degenen die treuren.~
65 8, 6 | 6 Verwijt geen mens die zich van zonde afkeert;
66 8, 7 | want ook uit ons zijn er die oud worden.~
67 8, 15| 15 Leen niemand die machtiger is dan gij, en
68 8, 15| hebben, zo zijt als een die het verloren hebt.~
69 9, 16| 16 Verwijder van de mens die macht heeft om te doden,
70 9, 22| verschrikkelijk in zijn stad, en die te voortvarend is in zijn
71 10, 2 | der stad is, zo zijn allen die deze bewonen.~
72 10, 3 | 3 Een koning, die niet onderwezen is, zal
73 10, 4 | over haar verwekken een, die nuttig is.~
74 10, 8 | moedwilligheden en rijkdommen, die door bedrog verkregen zijn;
75 10, 13| hart afwijkt van degene die hem gemaakt heeft.~
76 10, 14| een beginsel der zonde, en die daarbij blijft, die bedrijft
77 10, 14| en die daarbij blijft, die bedrijft zeer gruwelijke
78 10, 21| grimmige toorn in degenen, die van vrouwen geboren zijn.~
79 10, 22| 22 Die de Here vrezen zijn een
80 10, 22| zijn een gewis zaad, en die Hem liefhebben een kostelijke
81 10, 22| kostelijke plant; daarentegen die op de wet niet achten, zijn
82 10, 22| zijn een schandelijk zaad; die de geboden overtreden een
83 10, 23| broeders is degene geëerd, die hun leidsman is, en die
84 10, 23| die hun leidsman is, en die de Here vrezen worden geëerd
85 10, 26| dat men een arme onteert die verstandig is, en het betaamt
86 10, 27| geen hunner is meerder dan die de Here vreest.~
87 10, 32| 32 Wie zal die rechtvaardigen die tegen
88 10, 32| Wie zal die rechtvaardigen die tegen zijn ziel zondigt
89 10, 32| ziel zondigt en wie zal die eren, die zijn leven onteert?~
90 10, 32| zondigt en wie zal die eren, die zijn leven onteert?~
91 10, 34| 34 Die geëerd wordt in armoede,
92 10, 34| meer ook in rijk dom. En die in rijkdom ongeëerd is,
93 11, 4 | Pronk niet met de klederen die gij aandoet, en in de dag
94 11, 9 | 9 Twist niet om een zaak die u niet aangaat; en zit niet
95 11, 11| 11 Menigeen is er die moeite doet, en arbeidt,
96 11, 12| 12 Menigeen is er die traag is, hebbende hulp
97 11, 16| de zondaren geschapen, en die over kwade dingen pochen,
98 11, 16| kwade dingen pochen, met die veroudert de boosheid.~
99 11, 18| 18 Menigeen is er die rijk wordt door zijn opmerken
100 11, 31| en gelijk een bespieden die daarover komt om te doen
101 11, 33| vermenigvuldigd, en een mens die een zondaar is loert op
102 12, 3 | 3 Die in het kwade voortgaat,
103 12, 3 | in het kwade voortgaat, die zal het niet wèl gaan, noch
104 12, 3 | niet wèl gaan, noch degene, die geen aalmoezen ter zijde
105 12, 4 | 4 Geef degene die God vreest, en neem u de
106 12, 6 | dag der wraak. Geef degene die vroom is, en neem u de zondaar
107 12, 11| en gij zult hem zijn als die een spiegel heeft afgeveegd,
108 12, 11| zult gewaar worden, dat hij die niet tot het einde toe verroest
109 12, 13| ontfermen over een bezweerder, die van een slang gebeten is?
110 12, 13| gebeten is? en over allen die tot de wilde dieren naderen?
111 12, 13| naderen? zo gaat het met hem die zich ophoudt bij een zondaar,
112 12, 17| zich stellende als een mens die helpen wil, zal hij uw hiel
113 13, 1 | 1 DIE pek aanroert, wordt daarmede
114 13, 1 | wordt daarmede besmet, en die met de hovaardige gemeenschap
115 13, 2 | in uw leven geen last op, die u te zwaar is, en heb geen
116 13, 2 | gemeenschap met degene, die sterker en rijker is dan
117 13, 14| 14 Onbarmhartig is hij die zijn woorden niet houdt,
118 13, 20| een zondaar tegen degene, die de Here vreest.~
119 13, 25| struikelt, zo heeft hij velen, die hem ophelpen; heeft hij
120 14, 1 | 1 ZALIG is de man die niet feilt met zijn mond,
121 14, 2 | 2 Zalig is hij, die zijn ziel niet verdoemt,
122 14, 2 | zijn ziel niet verdoemt, en die niet vervalt van zijn hoop,
123 14, 2 | niet vervalt van zijn hoop, die hij op de Here heeft.~
124 14, 4 | onttrekkende van zijn ziel, die vergadert voor anderen,
125 14, 5 | 5 Die tegen zichzelf kwaad is,
126 14, 6 | Daar is geen bozer mens dan die zichzelf wangunstig is,
127 14, 8 | 8 Het is een boos mens, die met het oog afgunstig is,
128 14, 8 | met het oog afgunstig is, die het aangezicht afwendt,
129 14, 20| onderworpen is, bezwijkt, en die het gewrocht heeft zal met
130 14, 21| 21 Zalig is de man die met wijsheid betracht hetgeen
131 14, 21| betracht hetgeen eerlijk is, en die met zijn verstand van heilige
132 14, 22| 22 Die zijn wegen in zijn hart
133 14, 22| wegen in zijn hart bezint, die zal ook in haar verborgenheden
134 15, 1 | 1 DIE de Here vreest zal zulks
135 15, 1 | vreest zal zulks doen en die de kennis der wet verkregen
136 15, 2 | gaan, en gelijk een vrouw die hij als zij maagd was getrouwd
137 15, 10| gesproken worden, en de Here zal die voorspoedig maken.~
138 15, 13| niet bemind van degenen die hem vrezen.~
139 15, 19| zijn ogen zijn op degenen die hem vrezen, en hij zal kennis
140 16, 8 | over al de oude reuzen, die afgevallen zijn door de
141 16, 9 | 9 Hij verschoonde die niet, bij welke Lot woonde;
142 16, 10| over het volk des verderfs, die uitgingen in hun zonden,
143 16, 10| uitgingen in hun zonden, die zij deden.~
144 16, 11| het ware een wonder dat die ongestraft zou blijven.~
145 16, 12| hij is een machtig Here, die haastig verzoend wordt,
146 16, 18| worden; de ganse wereld die geweest is, en is, die is
147 16, 18| wereld die geweest is, en is, die is door zijn wil.~
148 16, 23| 23 Die klein geworden is overlegt
149 17, 2 | macht gegeven over de dingen die daarop zijn.~
150 17, 18| heeft tot zich geroepen die de lijdzaamheid verlieten.~
151 17, 22| der levenden, en dergenen die dankzegging spreken?~
152 17, 23| 23 Van een dode, als die van een die niet meer is,
153 17, 23| een dode, als die van een die niet meer is, gaat de dankzegging
154 17, 24| 24 Maar die leeft en gezond van hart
155 17, 25| verzoening voor degenen die zich heilig tot hem bekeren.~
156 17, 27| bezwijkt ze; zo ook de mens die vlees en bloed betracht.~
157 18, 1 | 1 DIE in eeuwigheid leeft, heeft
158 18, 14| ontfermt zich over degenen, die onderwijzing aannemen, en
159 18, 14| onderwijzing aannemen, en die zich zeer haasten tot zijn
160 18, 23| en wees niet gelijk een die de Here verzoekt.~
161 18, 24| Gedenk aan de gramschap die komen zal in de dagen van
162 18, 27| 27 Een ieder die verstandig is kent wijsheid
163 18, 28| 28 En wie ze vindt, die zal zij geven zulks openbaar
164 18, 29| 29 Die verstandig zijn in woorden,
165 18, 29| verstandig zijn in woorden, die handelen ook wijs; en gieten
166 18, 31| zo zult gij uw vijanden die u benijden een vreugde maken.~
167 19, 1 | 1 EEN arbeider, die een dronkaard is, zal niet
168 19, 1 | zal niet rijk worden, en die het weinige versmaadt, zal
169 19, 2 | wie de hoeren aanhangt, die wordt stout.~
170 19, 3 | 3 Die zullen de maden en wormen
171 19, 4 | Wie haar licht vertrouwt die is lichtvaardig van hart,
172 19, 4 | lichtvaardig van hart, en die tegen zijn ziel zondigt,
173 19, 5 | de wellusten wederstaat, die kroont zijn leven.~
174 19, 6 | bedwingt, zal met degene die niet twistig is, leven;
175 19, 6 | leven; en wie klappen haat, die neemt af in boosheid.~
176 19, 12| 12 Gelijk een pijl, die in de heup van het vlees
177 19, 16| van harte, en wie is er die met zijn tong niet struikelt?~
178 19, 18| aanneming, en de wijsheid die van hem komt verkrijgt liefde;
179 19, 18| onderwijzing des levens, en die doen wat hem behagelijk
180 19, 19| doet, ver toornt degene, die hem voedt.~
181 19, 21| 21 Daar is boosheid en die is een gruwel, en daar is
182 19, 21| daar is een onverstandige, die het aan wijsheid ontbreekt.~
183 19, 22| 22 Die het aan verstand ontbreekt,
184 19, 22| ontbreekt, en bevreesd is, die is beter dan degene, die
185 19, 22| die is beter dan degene, die overvloedig is in kloekheid,
186 19, 23| onrechtvaardig, en menigeen is er die de genade verandert, om
187 19, 23| blijken, en menigeen is er die rechtvaardig oordeelt, en
188 19, 23| rechtvaardig oordeelt, en die is wijs.~
189 19, 24| 24 Menigeen is er die boosheid doet, gaande gebukt
190 19, 29| Daar is een bestraffing die ontijdig is, en daar is
191 19, 29| ontijdig is, en daar is een die zwijgt, en hij is wijs.~ ~
192 20, 1 | en wie zijn zonde bekent, die zal voor schade bewaard
193 20, 2 | dochter te onteren, zo is hij die geweld oefent in het gericht.~
194 20, 3 | 3 Menigeen is er die zwijgende wijs wordt bevonden,
195 20, 3 | bevonden, en menig een is er die gehaat wordt vanwege zijn
196 20, 4 | 4 Menigeen is er die zwijgt, want hij heeft niet
197 20, 4 | antwoorden, en menigeen is er die zwijgt, wetende de gelegen
198 20, 6 | 6 Die te veel woorden heeft, van
199 20, 6 | veel woorden heeft, van die heeft men een gruwel, en
200 20, 6 | heeft men een gruwel, en die zichzelf te veel macht aanneemt,
201 20, 7 | fraai is het, dat degene die bestraft is geworden, boet
202 20, 9 | 9 Daar is menige gave die u niet bevorderlijk zal
203 20, 9 | en daar is menige gave die tweevoudige vergelding heeft.~
204 20, 10| 10 Menigeen is er die vernederd wordt uit oorzaak
205 20, 10| pracht; en menigeen is er die uit de vernedering het hoofd
206 20, 11| 11 Menigeen is er die veel voor weinig geld koopt,
207 20, 13| gave van een onwijze zal u, die ze ontvangen hebt niet bevorderlijk
208 20, 16| dank voor mijn weldaden; die mijn brood eten spreken
209 20, 20| worden, want hij spreekt die niet op de bekwame tijd.~
210 20, 25| dief is te kiezen voor een die steeds liegt, maar beiden
211 20, 28| 28 Die zijn land bouwt, verhoogt
212 20, 28| verhoogt zijn hoop, en die de groten behaagt, verzoent
213 20, 30| 30 Wijsheid die verborgen is, en een schat
214 20, 30| verborgen is, en een schat die niet bekend is, wat nuttigheid
215 20, 31| 31 Een mens die zijn dwaasheid verbergt,
216 20, 31| verbergt, is beter dan een mens die zijn wijsheid verbergt;
217 20, 31| verdraagzaamheid in degene, die de Here zoekt, dan zonder
218 21, 7 | 7 Wie bestraffing haat, die staat in de voetstappen
219 21, 7 | en wie de Here vreest, die bekeert zich van harte.~
220 21, 8 | machtig is met de tong, die is van verre bekend, maar
221 21, 9 | van andere lieden bouwt, die is gelijk een die voor zichzelf
222 21, 9 | bouwt, die is gelijk een die voor zichzelf stenen vergadert
223 21, 12| de wet des Heren bewaart, die heerst over zijn gedachten.~
224 21, 14| 14 Wie niet kloek is, die zal niet onderwezen worden,
225 21, 14| hoewel er een kloekheid is die bitterheid vermeerdert.~
226 21, 21| niets anders dan woorden, die men niet onderzoeken kan.~
227 21, 25| te gaan, maar een mens, die veel ervaren heeft, wordt
228 21, 26| huis kijken, maar een man die wel opgevoed is, zal buiten
229 21, 28| veelsprekers verhalen dingen die hun niet aangaan, maar de
230 22, 4 | zijn van haar man, maar een die beschaamd maakt, is tot
231 22, 4 | is tot droefheid desgenen die haar gegenereerd heeft.~
232 22, 7 | 7 Kinderen, die in een goed leven worden
233 22, 7 | van hun ouders; kinderen die in verachting en ongeschiktheid
234 22, 7 | ongeschiktheid zich beroemen, die bevlekken de edele afkomst
235 22, 8 | 8 Wie een dwaas leert, die lijmt scherven aaneen, en
236 22, 9 | Wie een dwaas wat vertelt, die vertelt het een sluimerende,
237 22, 23| brengt daar tranen uit, en die in het hart steekt brengt
238 22, 24| onder de vogelen werpt, die jaagt ze weg, en wie zijn
239 22, 24| wie zijn vriend scheldt, die maakt de vriendschap los.~
240 22, 28| verachten, noch de rijke, die geen verstand heeft, in
241 22, 30| zijnentwil, een iegelijk die het hoort zal zich voor
242 23, 3 | niet valle voor degenen die mij tegen zijn, en mijn
243 23, 5 | begeerte, en behoud hem die u altijd wil dienen; laat
244 23, 6 | mond, en wie zij bewaart, die zal in zijn lippen niet
245 23, 9 | gelijkerwijs een huisknecht, die steeds met geselen onderzocht
246 23, 9 | heeft van striemen, zo wordt die zweert en doorgaans de heilige
247 23, 10| 10 Een man die veel zweert, is vol ongerechtigheid,
248 23, 13| met de dood bekleed; laat die niet gevonden worden in
249 23, 18| 18 Een mens die gewend is tot scheldwoorden,
250 23, 18| gewend is tot scheldwoorden, die zal al de dagen zijns levens
251 23, 21| 21 Een hoereerder, die met het lichaam zijns vleses
252 23, 23| 23 Een mens die aftreedt van zijn bed, zegt
253 23, 29| Desgelijks ook een vrouw, die haar man verlaat, en een
254 24, 8 | schepper aller dingen, en die mij geschapen heeft, deed
255 24, 21| eeuwigblijvende dingen, namelijk die mij van hem toegezegd worden.~
256 24, 22| Komt herwaarts tot mij, gij die mij begeert, en verzadigt
257 24, 24| 24 Die mij eten, zullen niet hongeren,
258 24, 24| zullen niet hongeren, en die mij drinken, zullen niet
259 24, 25| 25 Die naar mij luistert zal nimmermeer
260 24, 25| nimmermeer beschaamd worden, en die naar mij arbeiden zullen
261 24, 28| 28 Die vervult het verstand gelijk
262 24, 29| 29 Die de leer der kennis doet
263 24, 38| gearbeid, maar voor al degenen die ze zoeken.~ ~ ~ ~
264 25, 4 | 4 Namelijk een arme, die hovaardig is, en een rijke,
265 25, 4 | hovaardig is, en een rijke, die een leugenaar is, en een
266 25, 4 | leugenaar is, en een oude die een overspeler is, en aan
267 25, 7 | ouden wijsheid, en degenen die verheerlijkt zijn, bedachtzaamheid
268 25, 10| 10 Een mens die verheugd wordt aan zijn
269 25, 10| terwijl hij nog leeft, en die de val zijner vijanden ziet.~
270 25, 11| 11 Hij is zalig die bij een verstandige vrouw
271 25, 11| verstandige vrouw woont, en die met de tong niet struikelt,
272 25, 11| tong niet struikelt, en die niet dient degene, die zijns
273 25, 11| en die niet dient degene, die zijns niet waardig is.~
274 25, 12| 12 Hij is zalig die kloekheid gevonden heeft,
275 25, 13| 13 Hoe groot is bij die wijsheid vindt! doch hij
276 25, 13| hij is niet boven degene, die de Here vreest.~
277 25, 18| doch niet de inval dergenen die haten, en alle wraak, doch
278 25, 28| troost in zijn benauwdheid, die maakt trage handen en slappe
279 26, 1 | 1 GELUKKIG is de man, die een goede vrouw heeft; het
280 26, 3 | een deel gegeven degenen, die de Here vrezen.~
281 26, 7 | 7 Maar een vrouw die op een andere vrouw jaloers
282 26, 7 | en bij allen overbrengt, die is een hartzeer en droefheid.~
283 26, 8 | neemt, is gelijk degene, die een schorpioen aangrijpt.~
284 26, 9 | 9 Een dronken vrouw, en die ginds en weer loopt veroorzaakt
285 26, 15| 15 Een vrouw die weinig spreekt, en van een
286 26, 23| 23 Een vrouw die loon neemt, wordt een mestvarken
287 26, 23| mestvarken gelijk geacht, maar die een man heeft, zal een toren
288 26, 23| doods geacht worden, degenen die haar gebruiken.~
289 26, 24| vrouw wordt gegeven hem, die de Here vreest.~
290 26, 26| worden als een hond, maar die schaamte heeft, zal de Here
291 26, 27| 27 Een vrouw, die haar eigen man eert, zal
292 26, 27| wijs gehouden worden, maar die de man onteert, zal van
293 26, 28| 28 Gelukzalig is de man die een goede vrouw heeft, want
294 26, 29| 29 Een vrouw die groot getier maakt, en de
295 26, 29| een ieders mensen ziel, die deze in zeden gelijk is,
296 27, 1 | een middelmatige zaak, en die zoekt zijn goed te vermeerderen,
297 27, 6 | boom doet blijken hoe men die heeft verpleegd, zo doet
298 27, 9 | komt weder tot degenen, die haar betrachten.~
299 27, 10| loert de zonde op degenen, die boosheid werken.~
300 27, 14| 14 De spraak desgenen die veel zweert, doet de haren
301 27, 16| heimelijke dingen openbaart, die verliest zijn geloof, en
302 27, 22| scheldwoord is verzoening, maar die heimelijke zaken openbaart,
303 27, 23| 23 Wie met het oog wenkt, die smeedt boze dingen, en wie
304 27, 23| smeedt boze dingen, en wie die kent zal van hem afwijken.~
305 27, 26| steen in de hoogte werpt, die werpt hem op zijn eigen
306 27, 27| 27 Wie een kuil graaft, die zal daarin vallen, en die
307 27, 27| die zal daarin vallen, en die een strik voor anderen legt,
308 27, 28| 28 Wie kwaad doet, bij die zal dat kwaad herberg nemen,
309 27, 30| 30 Die zich verheugen in de val
310 28, 1 | 1 WIE zichzelf wreekt, die zal van de Here wraak vinden,
311 28, 4 | barmhartigheid over een mens die hem gelijk is, en bidt om
312 28, 10| vrienden, en onder degenen die vrede hebben, werpt hij
313 28, 14| hebben velen verdorven, die in vrede leefden.~
314 28, 18| Wie naar haar luistert, die zal geen rust vinden, noch
315 28, 21| 21 Zalig is bij die voor haar beschermd is,
316 28, 21| voor haar beschermd is, die door haar gramschap niet
317 28, 22| 22 Die haar juk niet getrokken
318 28, 26| 26 Die de Here verlaten, zullen
319 28, 30| tegenwoordigheid desgenen, die op u loert.~ ~
320 29, 1 | WIE barmhartigheid oefent, die leent zijn naaste en wie
321 29, 1 | hem sterkt met zijn hand, die houdt de geboden.~
322 29, 4 | doen de genen moeite aan, die hen geholpen hebben.~
323 29, 17| naaste borg worden, maar die de schaamte verloren heeft,
324 29, 18| de weldaden niet van hen, die voor u borg geworden is,
325 29, 20| gedachten verlaten degene, die hem verlost heeft.~
326 29, 21| heeft er velen verdorven, die welgesteld waren, en heeft
327 29, 22| heeft zij doen verhuizen, die onder vreemde volken zijn
328 29, 23| borgschap vervallen, en die aanneming van zware werken
329 29, 32| dingen zijn zwaar voor een die verstand heeft. De bestraffing
330 29, 32| huis, en het verwijt van die hem geleend heeft.~ ~
331 30, 1 | 1 DIE zijn zoon liefheeft, die
332 30, 1 | DIE zijn zoon liefheeft, die zal de roeden altijd aan
333 30, 3 | 3 Wie zijn zoon leert, die zal zijn vijand tot jaloersheid
334 30, 4 | achter zich gelaten een die hem gelijk is.~
335 30, 6 | Hij heeft een nagelaten, die zich aan de vijanden wreken
336 30, 7 | Wie zijn zoon afstrijkt, die verbindt zijn wonden, en
337 30, 14| 14 Een arme die gezond en sterk van lijf
338 30, 14| sterk van lijf en leden is, die is beter dan een rijke die
339 30, 14| die is beter dan een rijke die aan zijn lichaam geslagen
340 30, 19| riekt niet; zo gaat het hem die door de Here vervolgd wordt.~
341 30, 20| zucht gelijk een gesnedene, die een maagd omvat, en zucht.~
342 30, 26| bezorgd over de spijzen, die hij eten zal.~ ~
343 31, 5 | 5 Wie goud liefheeft die zal niet gerechtvaardigd
344 31, 7 | hout des aanstoots degenen die het offeren, en alle onwijze
345 31, 8 | 8 Zalig is de rijke, die onberispelijk gevonden wordt,
346 31, 8 | onberispelijk gevonden wordt, en die naar het goud niet gaat.~
347 31, 21| is genoeg voor een mens die wel onderwezen is; en hij
348 31, 26| 26 Degene die heerlijk is in spijs, zegenen
349 31, 27| 27 Die karig is in spijs, over
350 31, 27| karig is in spijs, over die murmureert de stad, en de
351 31, 31| voor een leven heeft hij die het aan wijn ontbreekt?
352 32, 4 | 4 Spreek, gij die oud zijt, want dat betaamt
353 32, 9 | veel; wees gelijk als een die verstaat en evenwel zwijgt.~
354 32, 14| 14 En dank hiervoor Hem die u gemaakt heeft, en u dronken
355 32, 15| 15 Wie de Here vreest, die zal zijn onderwijzing aannemen,
356 32, 15| onderwijzing aannemen, en die zich vroeg tot Hem maken,
357 32, 16| 16 Wie de wet zoekt, die zal daarvan vervuld worden;
358 32, 17| 17 Die de Here vrezen, zullen vinden
359 32, 22| Vertrouw op de weg niet, die zonder aanstoot is, en wacht
360 32, 24| 24 Wie de Here gelooft, die let op het gebod, en wie
361 32, 24| zijn betrouwen op hem zet, die zal geen gebrek hebben.~ ~
362 33, 1 | 1 HEM die de Here vreest, zal geen
363 33, 2 | wie daarin geveinsd is, die is gelijk als een schip
364 33, 5 | overlegging is gelijk een as die omloopt.~
365 33, 6 | 6 Een vriend, die een bespotter is, is gelijk
366 33, 6 | briest onder een ieder, die op hem zit.~
367 33, 14| mens in de hand desgenen, die hem gemaakt heeft, dat hij
368 33, 16| laatste ontwaakt gelijk een die achter de wijnlezers de
369 33, 17| gearbeid, maar voor al degenen, die onderwijzing zoeken.~
370 33, 18| Hoort gij groten, en gij die de gemeente regeert, laat
371 34, 2 | 2 Gelijk een die naar de schaduw grijpt,
372 34, 2 | winden najaagt, zo is hij die de dromen gadeslaat.~
373 34, 5 | gelijk het hart ener vrouw die in barensnood is.~
374 34, 7 | hebben velen verleid, en die daarop hoop ten, zijn gevallen.~
375 34, 9 | 9 Een man, die gedwaald heeft, weet vele
376 34, 9 | heeft, weet vele dingen, en die veel ervaren heeft, zal
377 34, 10| 10 Die niet ervaren is, weet weinig,
378 34, 10| ervaren is, weet weinig, maar die gedwaald heeft, is meerder
379 34, 13| 13 De geest dergenen, die de Here vrezen, zal leven.~
380 34, 14| Want hun hoop is op hem, die hen behouden heeft.~
381 34, 15| 15 Wie de Here vreest, die zal geen ding vrezen, en
382 34, 16| Zalig is de ziel desgenen, die de Here vreest, aan wie
383 34, 17| des Heren zien op degenen die hem liefhebben; hij is hun
384 34, 19| 19 Die van onrechtvaardig goed
385 34, 21| tegenwoordigheid van zijn vader, die een slachtoffer toebrengt
386 34, 23| 23 Hij doodt zijn naaste, die hem zijn leeftocht afneemt.~
387 34, 24| 24 En hij vergiet bloed, die het loon van de dagloner
388 34, 27| dode heeft aangeraakt, en die weder aanraakt, welke nuttigheid
389 34, 28| 28 Zo is het met een mens die vast vanwege zijn zonden,
390 35, 1 | 1 WIE de wet bewaart, die doet offeranden genoeg;
391 35, 1 | op de geboden acht heeft, die offert een slachtoffer des
392 35, 2 | weldaad vergeldt, is gelijk die meelbloem offert, en wie
393 35, 2 | en wie een aalmoes doet, die offert een dankoffer.~
394 35, 14| het aangezicht desgenen die zich tegen de arme stelt
395 35, 14| maar de smeking desgenen die onrecht lijdt zal hij verhoren.~
396 35, 16| haar geschrei tegen hem, die ze heeft doen nederkomen?~
397 35, 17| 17 Die God dient met welbehagen
398 36, 2 | vrees over al de volken die u niet zoeken.~
399 36, 11| 11 Die behouden is geweest, wordt
400 36, 11| vurige toorn verslonden, en die uw volk kwellen, laat die
401 36, 11| die uw volk kwellen, laat die het verderf vinden.~
402 36, 12| de oversten der volken, die zeggen: Daar is niemand
403 36, 17| Geef getuigenis degenen die van den beginne af uw bezittingen
404 36, 18| 18 Geef loon degenen die u verwachten, en maak dat
405 36, 19| Aäron over uw volk, en allen die op aarde wonen zullen bekennen
406 36, 22| droefheid geven, maar een mens, die veel ervaren heeft, zal
407 36, 26| 26 Die een goede vrouw krijgt,
408 36, 26| een goede vrouw krijgt, die begint goederen te bezitten,
409 36, 26| aangezien hij een hulp heeft, die hem gelijk is, en een pilaar
410 36, 28| toegeruste moordenaar betrouwen, die uit de ene stad in de andere
411 36, 28| betrouwt men een mens niet, die geen nest heeft, en neemt
412 37, 7 | 7 Beraad u niet met hem die u overdwars aanziet, en
413 37, 7 | verberg uw raad voor degenen die u benijden.~
414 37, 8 | 8 Een ieder die raad geeft, verheft zijn
415 37, 11| 11 Beraad u niet met hem, die u overdwars aanziet, en
416 37, 11| uw raadslag voor degenen, die u benijden;~
417 37, 12| wissel; noch met degene, die koopt over de verkoop; noch
418 37, 12| noch met een huurling, die gij een jaar gehuurd hebt
419 37, 13| geboden des Heren bewaart, die gezind is gelijk gij, en
420 37, 13| zoudt komen te struikelen, die met u bedroefd is.~
421 37, 15| verkondigen, dan zeven wachters die op een hoge wachttoren zitten.~
422 37, 19| dood en de tong is het, die gedurig daarover heerst.~
423 37, 21| 21 Daar is menigeen die wijsheid voorgeeft met woorden
424 37, 22| Want hem is door de Here die genade niet gegeven, dewijl
425 37, 25| worden met zegen, en allen die hem zien, zullen hem gelukzalig
426 37, 32| er velen gestorven, maar die daarop let zal zijn leven
427 38, 1 | uw behoeften, met de eer die hem toekomt; want ook hem
428 38, 11| een vette offerande, als die niet eerst begint, en geef
429 38, 15| Wie tegen degene zondigt, die hem gemaakt heeft, die zal
430 38, 15| die hem gemaakt heeft, die zal in de handen van de
431 38, 16| vallen, en begin te wenen als die zware dingen geleden hebt;
432 38, 25| verzuimachtig is in zijn handeling, die zal niet wijs worden.~
433 38, 26| Wat zou hij wijs worden, die de ploeg houdt, en roem
434 38, 26| roem draagt in de prikkel, die de ossen drijft, en opgevoed
435 38, 26| in de werken derzelve, en die van jonge stieren weet te
436 38, 28| schrijnwerker en timmerman, die de nacht gelijk de dag met
437 38, 29| 29 Zo ook met hem die de zegelen uitsteekt, en
438 38, 29| de zegelen uitsteekt, en die steeds daarover blijft om
439 38, 31| 31 Zo ook een smid, die nabij het aanbeeld zit,
440 38, 41| wordt wijs behalve degene die zijn ziel daartoe begeeft,
441 38, 41| ziel daartoe begeeft, en die zijn betrachting heeft in
442 39, 6 | vroeg te komen tot degene die hem gemaakt heeft, en tot
443 39, 8 | 8 Indien die grote Here wil, zo zal hij
444 39, 15| rusten, zo verkrijgt hij die voor zich.~
445 39, 17| spruit uit gelijk een roos, die geplant is aan een stromend
446 39, 22| gebod, en daar is niemand die verminderen zal hetgeen
447 39, 32| 32 Daar zijn de geesten die tot wraak geschapen zijn,
448 39, 32| stillen de gramschap desgenen die ze gemaakt heeft.~
449 40, 1 | de kinderen van Adam; van die dag af dat zij uit hun moeders
450 40, 3 | 3 Zo wel bij hem, die op de troon der heerlijkheid
451 40, 3 | heerlijkheid zit, als bij degene, die vernederd is, zittende in
452 40, 4 | 4 Zo wel bij hem, die een purperen kleed en een
453 40, 4 | draagt, als bij degene, die met grof lijnwaad gekleed
454 40, 7 | van zijn hart, gelijk een die uit de krijg ontvloden is,
455 40, 13| verheugd; gelijk degenen die overtreden, verdelgd worden
456 40, 17| 17 Het leven desgenen, die zich genoegen laat, en des
457 40, 17| arbeiders, is zoet, maar die een schat vindt gaat beide
458 40, 27| heerlijkheid bedekt hij die.~
459 40, 29| 29 Een man die naar een vreemde tafel ziet,
460 40, 30| Maar een verstandig man. en die onderwezen is, wacht zich
461 41, 1 | gedachtenis van u, voor een mens, die in vrede leeft bij zijn
462 41, 2 | 2 Voor een man die goede rust heeft, en die
463 41, 2 | die goede rust heeft, en die het welgaat in alles, en
464 41, 3 | aangenaam voor een mens, die behoeftig is en die aan
465 41, 3 | mens, die behoeftig is en die aan sterkte afgenomen heeft.~
466 41, 4 | 4 Voor een die in zijn uiterste ouderdom
467 41, 5 | niet; gedenk aan degenen die voor u geweest zijn, en
468 41, 5 | voor u geweest zijn, en die na u komen zullen, want
469 41, 8 | gruwelijke kinderen, en die in de gebuurschappen der
470 41, 11| gij goddeloze mannen, gij die de wet des Allerhoogsten
471 41, 15| naam te verkrijgen, want die zal u bijblijven meer dan
472 41, 18| 18 De wijsheid, die verborgen is, en een schat,
473 41, 18| verborgen is, en een schat, die niet te voorschijn komt,
474 41, 19| 19 Een mens, die zijn dwaasheid verbergt,
475 41, 19| is beter dan een mens, die zijn wijsheid verbergt.~
476 41, 25| Schaamt u ook voor degene, die u groet vanwege uw stilzwijgen;
477 41, 25| aangezicht afwendt van een mens die edel is.~
478 41, 26| en te letten op een vrouw die een man heeft.~
479 42, 3 | spreken uw metgezel, en die met u over weg reizen; noch
480 42, 9 | onderwijst, en een geheel oude, die met de jonge lieden twist;~
481 42, 10| onderwezen, en bij een ieder, die leeft, geacht worden.~
482 42, 17| vrouw, namelijk een vrouw die beschaamd maakt tot versmaadheid.~
483 42, 24| Hij verkondigt de dingen die voorbijgegaan zijn, en die
484 42, 24| die voorbijgegaan zijn, en die nog worden zullen, en hij
485 42, 26| zijn wijsheid versierd; hij die is vóór de wereld en in
486 43, 4 | zon verhit driemaal meer; die de bergen aansteekt, en
487 43, 5 | 5 De Here is groot, die ze gemaakt heeft, en die
488 43, 5 | die ze gemaakt heeft, en die haar loop door woorden heeft
489 43, 12| de regenboog, en loof hem die hem gemaakt heeft, die zeer
490 43, 12| hem die hem gemaakt heeft, die zeer schoon is in zijn schijnsel.~
491 43, 19| de sneeuw gelijk vogelen, die nederwaarts vliegen, en
492 43, 19| af gelijk de sprinkhanen, die zich neder zetten op enig
493 43, 24| dingen is de nevel, de dauw die door de hitte ontstaat,
494 43, 25| staat de afgrond stil, en die heeft daarin eilanden geplant.~
495 43, 26| 26 Die de zee bevaren vertellen
496 43, 28| door zijn woord bestaan al die dingen.~
497 44, 4 | 4 Die raad gaven met verstand,
498 44, 9 | Enigen zijn er onder hen, die een naam nagelaten hebben,
499 44, 10| geen gedachtenis is, en die vergaan zijn gelijk of zij
500 44, 25| 25 Die heeft hij gekend in zijn
1-500 | 501-554 |