Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
diamantsteen 1
dicht 1
dichte 1
die 554
dief 2
dienaars 2
dienen 8
Frequency    [«  »]
692 zijn
634 is
559 het
554 die
548 in
528 niet
475 van

Het boek Ecclesiasticus

IntraText - Concordances

die

1-500 | 501-554

    Chapter, Verse
1 1, 5 | 5 Het woord Gods, die in de allerhoogste plaatsen 2 1, 9 | hij verleent haar degenen die hem lief hebben.~ 3 1, 12| 12 Die de Here vreest die zal het 4 1, 12| 12 Die de Here vreest die zal het welgaan in de laatste 5 1, 18| verbreidt hem voor degenen, die hem liefhebben.~ 6 1, 19| heerlijkheid der genen, die haar vasthouden.~ 7 2, 7 | 7 Gij die de Here vreest, gelooft 8 2, 8 | 8 Gij die de Here vreest, hoopt het 9 2, 9 | 9 Gij die de Here vreest, verbiedt 10 2, 14| slappe handen en de zondaar die twee paden ingaat.~ 11 2, 16| 16 Wee ulieden die de lijdzaamheid verloren 12 2, 18| 18 Die de Here vrezen, zullen zijn 13 2, 18| niet ongehoorzaam zijn, en die Hem liefhebben, zullen zijn 14 2, 19| 19 Die de Here vrezen, zoeken dat 15 2, 20| 20 Die hem liefhebben, zullen van 16 2, 21| 21 Die de Here vrezen, bereiden 17 3, 3 | 3 Wie zijn vader eert, die verzoent zijn zonden;~ 18 3, 4 | moeder eert, is gelijk als die schatten vergadert.~ 19 3, 7 | als heren dienen degenen, die hem gegenereerd hebben.~ 20 3, 12| zijns vaders, en een moeder die in oneer is, die is de kinderen 21 3, 12| moeder die in oneer is, die is de kinderen een verwijt.~ 22 3, 15| Want de barmhartigheid, die gij uw vader bewijst, zal 23 3, 18| Wie zijn vader verlaat, die is gelijk een godslasteraar, 24 3, 18| broeder tot toorn verwekt, die is vervloekt van de Here.~ 25 3, 23| 23 Dingen die u te zwaar zijn, onderzoek 26 3, 23| onderzoek ze niet onbedacht, en die u te sterk zijn ondertast 27 3, 26| ontbreekt, zo verkondig die niet.~ 28 3, 27| laatste kwalijk varen, en die het gevaar liefheeft zal 29 3, 32| 32 En de Here, die de weldaden vergeldt, gedenkt 30 4, 4 | Weiger de verdrukte niet die u smeekt, en keer uw aangezicht 31 4, 6 | zijn gebed zal hij horen, die hem gemaakt heeft,~ 32 4, 9 | 9 Verlos degene die onrecht lijdt uit de hand 33 4, 9 | lijdt uit de hand van hem die onrecht doet, en zijt niet 34 4, 12| kinderen, en neemt degenen aan die haar zoeken.~ 35 4, 13| 13 Wie haar liefheeft, die heeft het leven lief, en 36 4, 13| heeft het leven lief, en die zich vroeg opmaken tot haar, 37 4, 14| 14 Die haar vasthoudt zal eer beërven, 38 4, 14| beërven, en waar zij ingaat, die zal de Here zegenen.~ 39 4, 15| 15 Die haar dienen, die zullen 40 4, 15| 15 Die haar dienen, die zullen de heilige dienen, 41 4, 15| zullen de heilige dienen, en die haar liefhebben, heeft de 42 4, 16| 16 Die haar gehoorzaam is, zal 43 4, 16| zal de volken richten; en die op haar acht neemt, zal 44 4, 25| daar is een beschaamdheid, die zonde aanbrengt, en daar 45 4, 25| daar is een beschaamdheid, die eer en gunst brengt.~ 46 4, 35| uw huisknechten als een die met verbeelding gekweld 47 5, 11| pad, zo doet de zondaar die tweetongig is.~ 48 6, 1 | zo zal ook de zondaar, die tweetongig is, oneer behalen.~ 49 6, 4 | ziel zal verderven degene die haar bezit, en zal maken 50 6, 6 | heb maar een van duizenden die uw raadgever zij.~ 51 6, 9 | 9 Ook is er menig vriend die veranderd wordt in een vijand, 52 6, 9 | wordt in een vijand, en die u in het openbaar met verwijt 53 6, 14| sterke bescherming, en wie die gevonden heeft, die heeft 54 6, 14| wie die gevonden heeft, die heeft een schat gevonden.~ 55 6, 16| medicijn des levens, en die de Here vrezen zullen hem 56 6, 17| 17 Die de Here vreest, gedraagt 57 7, 11| 11 Belach de mens niet die in bitterheid zijner ziel 58 7, 11| ziel is, want daar is een die vernedert en verhoogt.~ 59 7, 15| arbeid niet, en de landbouw, die door de Allerhoogste geschapen 60 7, 20| 20 Die de huisknecht geen kwaad 61 7, 20| de huisknecht geen kwaad die getrouw zijn werk doet, 62 7, 20| werk doet, noch de huurling die zijn ziel aan u overgeeft.~ 63 7, 29| geheel uw kracht lief degene die u gemaakt heeft, en verlaat 64 7, 36| wenende, en treur met degenen die treuren.~ 65 8, 6 | 6 Verwijt geen mens die zich van zonde afkeert; 66 8, 7 | want ook uit ons zijn er die oud worden.~ 67 8, 15| 15 Leen niemand die machtiger is dan gij, en 68 8, 15| hebben, zo zijt als een die het verloren hebt.~ 69 9, 16| 16 Verwijder van de mens die macht heeft om te doden, 70 9, 22| verschrikkelijk in zijn stad, en die te voortvarend is in zijn 71 10, 2 | der stad is, zo zijn allen die deze bewonen.~ 72 10, 3 | 3 Een koning, die niet onderwezen is, zal 73 10, 4 | over haar verwekken een, die nuttig is.~ 74 10, 8 | moedwilligheden en rijkdommen, die door bedrog verkregen zijn; 75 10, 13| hart afwijkt van degene die hem gemaakt heeft.~ 76 10, 14| een beginsel der zonde, en die daarbij blijft, die bedrijft 77 10, 14| en die daarbij blijft, die bedrijft zeer gruwelijke 78 10, 21| grimmige toorn in degenen, die van vrouwen geboren zijn.~ 79 10, 22| 22 Die de Here vrezen zijn een 80 10, 22| zijn een gewis zaad, en die Hem liefhebben een kostelijke 81 10, 22| kostelijke plant; daarentegen die op de wet niet achten, zijn 82 10, 22| zijn een schandelijk zaad; die de geboden overtreden een 83 10, 23| broeders is degene geëerd, die hun leidsman is, en die 84 10, 23| die hun leidsman is, en die de Here vrezen worden geëerd 85 10, 26| dat men een arme onteert die verstandig is, en het betaamt 86 10, 27| geen hunner is meerder dan die de Here vreest.~ 87 10, 32| 32 Wie zal die rechtvaardigen die tegen 88 10, 32| Wie zal die rechtvaardigen die tegen zijn ziel zondigt 89 10, 32| ziel zondigt en wie zal die eren, die zijn leven onteert?~ 90 10, 32| zondigt en wie zal die eren, die zijn leven onteert?~ 91 10, 34| 34 Die geëerd wordt in armoede, 92 10, 34| meer ook in rijk dom. En die in rijkdom ongeëerd is, 93 11, 4 | Pronk niet met de klederen die gij aandoet, en in de dag 94 11, 9 | 9 Twist niet om een zaak die u niet aangaat; en zit niet 95 11, 11| 11 Menigeen is er die moeite doet, en arbeidt, 96 11, 12| 12 Menigeen is er die traag is, hebbende hulp 97 11, 16| de zondaren geschapen, en die over kwade dingen pochen, 98 11, 16| kwade dingen pochen, met die veroudert de boosheid.~ 99 11, 18| 18 Menigeen is er die rijk wordt door zijn opmerken 100 11, 31| en gelijk een bespieden die daarover komt om te doen 101 11, 33| vermenigvuldigd, en een mens die een zondaar is loert op 102 12, 3 | 3 Die in het kwade voortgaat, 103 12, 3 | in het kwade voortgaat, die zal het niet wèl gaan, noch 104 12, 3 | niet wèl gaan, noch degene, die geen aalmoezen ter zijde 105 12, 4 | 4 Geef degene die God vreest, en neem u de 106 12, 6 | dag der wraak. Geef degene die vroom is, en neem u de zondaar 107 12, 11| en gij zult hem zijn als die een spiegel heeft afgeveegd, 108 12, 11| zult gewaar worden, dat hij die niet tot het einde toe verroest 109 12, 13| ontfermen over een bezweerder, die van een slang gebeten is? 110 12, 13| gebeten is? en over allen die tot de wilde dieren naderen? 111 12, 13| naderen? zo gaat het met hem die zich ophoudt bij een zondaar, 112 12, 17| zich stellende als een mens die helpen wil, zal hij uw hiel 113 13, 1 | 1 DIE pek aanroert, wordt daarmede 114 13, 1 | wordt daarmede besmet, en die met de hovaardige gemeenschap 115 13, 2 | in uw leven geen last op, die u te zwaar is, en heb geen 116 13, 2 | gemeenschap met degene, die sterker en rijker is dan 117 13, 14| 14 Onbarmhartig is hij die zijn woorden niet houdt, 118 13, 20| een zondaar tegen degene, die de Here vreest.~ 119 13, 25| struikelt, zo heeft hij velen, die hem ophelpen; heeft hij 120 14, 1 | 1 ZALIG is de man die niet feilt met zijn mond, 121 14, 2 | 2 Zalig is hij, die zijn ziel niet verdoemt, 122 14, 2 | zijn ziel niet verdoemt, en die niet vervalt van zijn hoop, 123 14, 2 | niet vervalt van zijn hoop, die hij op de Here heeft.~ 124 14, 4 | onttrekkende van zijn ziel, die vergadert voor anderen, 125 14, 5 | 5 Die tegen zichzelf kwaad is, 126 14, 6 | Daar is geen bozer mens dan die zichzelf wangunstig is, 127 14, 8 | 8 Het is een boos mens, die met het oog afgunstig is, 128 14, 8 | met het oog afgunstig is, die het aangezicht afwendt, 129 14, 20| onderworpen is, bezwijkt, en die het gewrocht heeft zal met 130 14, 21| 21 Zalig is de man die met wijsheid betracht hetgeen 131 14, 21| betracht hetgeen eerlijk is, en die met zijn verstand van heilige 132 14, 22| 22 Die zijn wegen in zijn hart 133 14, 22| wegen in zijn hart bezint, die zal ook in haar verborgenheden 134 15, 1 | 1 DIE de Here vreest zal zulks 135 15, 1 | vreest zal zulks doen en die de kennis der wet verkregen 136 15, 2 | gaan, en gelijk een vrouw die hij als zij maagd was getrouwd 137 15, 10| gesproken worden, en de Here zal die voorspoedig maken.~ 138 15, 13| niet bemind van degenen die hem vrezen.~ 139 15, 19| zijn ogen zijn op degenen die hem vrezen, en hij zal kennis 140 16, 8 | over al de oude reuzen, die afgevallen zijn door de 141 16, 9 | 9 Hij verschoonde die niet, bij welke Lot woonde; 142 16, 10| over het volk des verderfs, die uitgingen in hun zonden, 143 16, 10| uitgingen in hun zonden, die zij deden.~ 144 16, 11| het ware een wonder dat die ongestraft zou blijven.~ 145 16, 12| hij is een machtig Here, die haastig verzoend wordt, 146 16, 18| worden; de ganse wereld die geweest is, en is, die is 147 16, 18| wereld die geweest is, en is, die is door zijn wil.~ 148 16, 23| 23 Die klein geworden is overlegt 149 17, 2 | macht gegeven over de dingen die daarop zijn.~ 150 17, 18| heeft tot zich geroepen die de lijdzaamheid verlieten.~ 151 17, 22| der levenden, en dergenen die dankzegging spreken?~ 152 17, 23| 23 Van een dode, als die van een die niet meer is, 153 17, 23| een dode, als die van een die niet meer is, gaat de dankzegging 154 17, 24| 24 Maar die leeft en gezond van hart 155 17, 25| verzoening voor degenen die zich heilig tot hem bekeren.~ 156 17, 27| bezwijkt ze; zo ook de mens die vlees en bloed betracht.~ 157 18, 1 | 1 DIE in eeuwigheid leeft, heeft 158 18, 14| ontfermt zich over degenen, die onderwijzing aannemen, en 159 18, 14| onderwijzing aannemen, en die zich zeer haasten tot zijn 160 18, 23| en wees niet gelijk een die de Here verzoekt.~ 161 18, 24| Gedenk aan de gramschap die komen zal in de dagen van 162 18, 27| 27 Een ieder die verstandig is kent wijsheid 163 18, 28| 28 En wie ze vindt, die zal zij geven zulks openbaar 164 18, 29| 29 Die verstandig zijn in woorden, 165 18, 29| verstandig zijn in woorden, die handelen ook wijs; en gieten 166 18, 31| zo zult gij uw vijanden die u benijden een vreugde maken.~ 167 19, 1 | 1 EEN arbeider, die een dronkaard is, zal niet 168 19, 1 | zal niet rijk worden, en die het weinige versmaadt, zal 169 19, 2 | wie de hoeren aanhangt, die wordt stout.~ 170 19, 3 | 3 Die zullen de maden en wormen 171 19, 4 | Wie haar licht vertrouwt die is lichtvaardig van hart, 172 19, 4 | lichtvaardig van hart, en die tegen zijn ziel zondigt, 173 19, 5 | de wellusten wederstaat, die kroont zijn leven.~ 174 19, 6 | bedwingt, zal met degene die niet twistig is, leven; 175 19, 6 | leven; en wie klappen haat, die neemt af in boosheid.~ 176 19, 12| 12 Gelijk een pijl, die in de heup van het vlees 177 19, 16| van harte, en wie is er die met zijn tong niet struikelt?~ 178 19, 18| aanneming, en de wijsheid die van hem komt verkrijgt liefde; 179 19, 18| onderwijzing des levens, en die doen wat hem behagelijk 180 19, 19| doet, ver toornt degene, die hem voedt.~ 181 19, 21| 21 Daar is boosheid en die is een gruwel, en daar is 182 19, 21| daar is een onverstandige, die het aan wijsheid ontbreekt.~ 183 19, 22| 22 Die het aan verstand ontbreekt, 184 19, 22| ontbreekt, en bevreesd is, die is beter dan degene, die 185 19, 22| die is beter dan degene, die overvloedig is in kloekheid, 186 19, 23| onrechtvaardig, en menigeen is er die de genade verandert, om 187 19, 23| blijken, en menigeen is er die rechtvaardig oordeelt, en 188 19, 23| rechtvaardig oordeelt, en die is wijs.~ 189 19, 24| 24 Menigeen is er die boosheid doet, gaande gebukt 190 19, 29| Daar is een bestraffing die ontijdig is, en daar is 191 19, 29| ontijdig is, en daar is een die zwijgt, en hij is wijs.~ ~ 192 20, 1 | en wie zijn zonde bekent, die zal voor schade bewaard 193 20, 2 | dochter te onteren, zo is hij die geweld oefent in het gericht.~ 194 20, 3 | 3 Menigeen is er die zwijgende wijs wordt bevonden, 195 20, 3 | bevonden, en menig een is er die gehaat wordt vanwege zijn 196 20, 4 | 4 Menigeen is er die zwijgt, want hij heeft niet 197 20, 4 | antwoorden, en menigeen is er die zwijgt, wetende de gelegen 198 20, 6 | 6 Die te veel woorden heeft, van 199 20, 6 | veel woorden heeft, van die heeft men een gruwel, en 200 20, 6 | heeft men een gruwel, en die zichzelf te veel macht aanneemt, 201 20, 7 | fraai is het, dat degene die bestraft is geworden, boet 202 20, 9 | 9 Daar is menige gave die u niet bevorderlijk zal 203 20, 9 | en daar is menige gave die tweevoudige vergelding heeft.~ 204 20, 10| 10 Menigeen is er die vernederd wordt uit oorzaak 205 20, 10| pracht; en menigeen is er die uit de vernedering het hoofd 206 20, 11| 11 Menigeen is er die veel voor weinig geld koopt, 207 20, 13| gave van een onwijze zal u, die ze ontvangen hebt niet bevorderlijk 208 20, 16| dank voor mijn weldaden; die mijn brood eten spreken 209 20, 20| worden, want hij spreekt die niet op de bekwame tijd.~ 210 20, 25| dief is te kiezen voor een die steeds liegt, maar beiden 211 20, 28| 28 Die zijn land bouwt, verhoogt 212 20, 28| verhoogt zijn hoop, en die de groten behaagt, verzoent 213 20, 30| 30 Wijsheid die verborgen is, en een schat 214 20, 30| verborgen is, en een schat die niet bekend is, wat nuttigheid 215 20, 31| 31 Een mens die zijn dwaasheid verbergt, 216 20, 31| verbergt, is beter dan een mens die zijn wijsheid verbergt; 217 20, 31| verdraagzaamheid in degene, die de Here zoekt, dan zonder 218 21, 7 | 7 Wie bestraffing haat, die staat in de voetstappen 219 21, 7 | en wie de Here vreest, die bekeert zich van harte.~ 220 21, 8 | machtig is met de tong, die is van verre bekend, maar 221 21, 9 | van andere lieden bouwt, die is gelijk een die voor zichzelf 222 21, 9 | bouwt, die is gelijk een die voor zichzelf stenen vergadert 223 21, 12| de wet des Heren bewaart, die heerst over zijn gedachten.~ 224 21, 14| 14 Wie niet kloek is, die zal niet onderwezen worden, 225 21, 14| hoewel er een kloekheid is die bitterheid vermeerdert.~ 226 21, 21| niets anders dan woorden, die men niet onderzoeken kan.~ 227 21, 25| te gaan, maar een mens, die veel ervaren heeft, wordt 228 21, 26| huis kijken, maar een man die wel opgevoed is, zal buiten 229 21, 28| veelsprekers verhalen dingen die hun niet aangaan, maar de 230 22, 4 | zijn van haar man, maar een die beschaamd maakt, is tot 231 22, 4 | is tot droefheid desgenen die haar gegenereerd heeft.~ 232 22, 7 | 7 Kinderen, die in een goed leven worden 233 22, 7 | van hun ouders; kinderen die in verachting en ongeschiktheid 234 22, 7 | ongeschiktheid zich beroemen, die bevlekken de edele afkomst 235 22, 8 | 8 Wie een dwaas leert, die lijmt scherven aaneen, en 236 22, 9 | Wie een dwaas wat vertelt, die vertelt het een sluimerende, 237 22, 23| brengt daar tranen uit, en die in het hart steekt brengt 238 22, 24| onder de vogelen werpt, die jaagt ze weg, en wie zijn 239 22, 24| wie zijn vriend scheldt, die maakt de vriendschap los.~ 240 22, 28| verachten, noch de rijke, die geen verstand heeft, in 241 22, 30| zijnentwil, een iegelijk die het hoort zal zich voor 242 23, 3 | niet valle voor degenen die mij tegen zijn, en mijn 243 23, 5 | begeerte, en behoud hem die u altijd wil dienen; laat 244 23, 6 | mond, en wie zij bewaart, die zal in zijn lippen niet 245 23, 9 | gelijkerwijs een huisknecht, die steeds met geselen onderzocht 246 23, 9 | heeft van striemen, zo wordt die zweert en doorgaans de heilige 247 23, 10| 10 Een man die veel zweert, is vol ongerechtigheid, 248 23, 13| met de dood bekleed; laat die niet gevonden worden in 249 23, 18| 18 Een mens die gewend is tot scheldwoorden, 250 23, 18| gewend is tot scheldwoorden, die zal al de dagen zijns levens 251 23, 21| 21 Een hoereerder, die met het lichaam zijns vleses 252 23, 23| 23 Een mens die aftreedt van zijn bed, zegt 253 23, 29| Desgelijks ook een vrouw, die haar man verlaat, en een 254 24, 8 | schepper aller dingen, en die mij geschapen heeft, deed 255 24, 21| eeuwigblijvende dingen, namelijk die mij van hem toegezegd worden.~ 256 24, 22| Komt herwaarts tot mij, gij die mij begeert, en verzadigt 257 24, 24| 24 Die mij eten, zullen niet hongeren, 258 24, 24| zullen niet hongeren, en die mij drinken, zullen niet 259 24, 25| 25 Die naar mij luistert zal nimmermeer 260 24, 25| nimmermeer beschaamd worden, en die naar mij arbeiden zullen 261 24, 28| 28 Die vervult het verstand gelijk 262 24, 29| 29 Die de leer der kennis doet 263 24, 38| gearbeid, maar voor al degenen die ze zoeken.~ ~ ~ ~ 264 25, 4 | 4 Namelijk een arme, die hovaardig is, en een rijke, 265 25, 4 | hovaardig is, en een rijke, die een leugenaar is, en een 266 25, 4 | leugenaar is, en een oude die een overspeler is, en aan 267 25, 7 | ouden wijsheid, en degenen die verheerlijkt zijn, bedachtzaamheid 268 25, 10| 10 Een mens die verheugd wordt aan zijn 269 25, 10| terwijl hij nog leeft, en die de val zijner vijanden ziet.~ 270 25, 11| 11 Hij is zalig die bij een verstandige vrouw 271 25, 11| verstandige vrouw woont, en die met de tong niet struikelt, 272 25, 11| tong niet struikelt, en die niet dient degene, die zijns 273 25, 11| en die niet dient degene, die zijns niet waardig is.~ 274 25, 12| 12 Hij is zalig die kloekheid gevonden heeft, 275 25, 13| 13 Hoe groot is bij die wijsheid vindt! doch hij 276 25, 13| hij is niet boven degene, die de Here vreest.~ 277 25, 18| doch niet de inval dergenen die haten, en alle wraak, doch 278 25, 28| troost in zijn benauwdheid, die maakt trage handen en slappe 279 26, 1 | 1 GELUKKIG is de man, die een goede vrouw heeft; het 280 26, 3 | een deel gegeven degenen, die de Here vrezen.~ 281 26, 7 | 7 Maar een vrouw die op een andere vrouw jaloers 282 26, 7 | en bij allen overbrengt, die is een hartzeer en droefheid.~ 283 26, 8 | neemt, is gelijk degene, die een schorpioen aangrijpt.~ 284 26, 9 | 9 Een dronken vrouw, en die ginds en weer loopt veroorzaakt 285 26, 15| 15 Een vrouw die weinig spreekt, en van een 286 26, 23| 23 Een vrouw die loon neemt, wordt een mestvarken 287 26, 23| mestvarken gelijk geacht, maar die een man heeft, zal een toren 288 26, 23| doods geacht worden, degenen die haar gebruiken.~ 289 26, 24| vrouw wordt gegeven hem, die de Here vreest.~ 290 26, 26| worden als een hond, maar die schaamte heeft, zal de Here 291 26, 27| 27 Een vrouw, die haar eigen man eert, zal 292 26, 27| wijs gehouden worden, maar die de man onteert, zal van 293 26, 28| 28 Gelukzalig is de man die een goede vrouw heeft, want 294 26, 29| 29 Een vrouw die groot getier maakt, en de 295 26, 29| een ieders mensen ziel, die deze in zeden gelijk is, 296 27, 1 | een middelmatige zaak, en die zoekt zijn goed te vermeerderen, 297 27, 6 | boom doet blijken hoe men die heeft verpleegd, zo doet 298 27, 9 | komt weder tot degenen, die haar betrachten.~ 299 27, 10| loert de zonde op degenen, die boosheid werken.~ 300 27, 14| 14 De spraak desgenen die veel zweert, doet de haren 301 27, 16| heimelijke dingen openbaart, die verliest zijn geloof, en 302 27, 22| scheldwoord is verzoening, maar die heimelijke zaken openbaart, 303 27, 23| 23 Wie met het oog wenkt, die smeedt boze dingen, en wie 304 27, 23| smeedt boze dingen, en wie die kent zal van hem afwijken.~ 305 27, 26| steen in de hoogte werpt, die werpt hem op zijn eigen 306 27, 27| 27 Wie een kuil graaft, die zal daarin vallen, en die 307 27, 27| die zal daarin vallen, en die een strik voor anderen legt, 308 27, 28| 28 Wie kwaad doet, bij die zal dat kwaad herberg nemen, 309 27, 30| 30 Die zich verheugen in de val 310 28, 1 | 1 WIE zichzelf wreekt, die zal van de Here wraak vinden, 311 28, 4 | barmhartigheid over een mens die hem gelijk is, en bidt om 312 28, 10| vrienden, en onder degenen die vrede hebben, werpt hij 313 28, 14| hebben velen verdorven, die in vrede leefden.~ 314 28, 18| Wie naar haar luistert, die zal geen rust vinden, noch 315 28, 21| 21 Zalig is bij die voor haar beschermd is, 316 28, 21| voor haar beschermd is, die door haar gramschap niet 317 28, 22| 22 Die haar juk niet getrokken 318 28, 26| 26 Die de Here verlaten, zullen 319 28, 30| tegenwoordigheid desgenen, die op u loert.~ ~ 320 29, 1 | WIE barmhartigheid oefent, die leent zijn naaste en wie 321 29, 1 | hem sterkt met zijn hand, die houdt de geboden.~ 322 29, 4 | doen de genen moeite aan, die hen geholpen hebben.~ 323 29, 17| naaste borg worden, maar die de schaamte verloren heeft, 324 29, 18| de weldaden niet van hen, die voor u borg geworden is, 325 29, 20| gedachten verlaten degene, die hem verlost heeft.~ 326 29, 21| heeft er velen verdorven, die welgesteld waren, en heeft 327 29, 22| heeft zij doen verhuizen, die onder vreemde volken zijn 328 29, 23| borgschap vervallen, en die aanneming van zware werken 329 29, 32| dingen zijn zwaar voor een die verstand heeft. De bestraffing 330 29, 32| huis, en het verwijt van die hem geleend heeft.~ ~ 331 30, 1 | 1 DIE zijn zoon liefheeft, die 332 30, 1 | DIE zijn zoon liefheeft, die zal de roeden altijd aan 333 30, 3 | 3 Wie zijn zoon leert, die zal zijn vijand tot jaloersheid 334 30, 4 | achter zich gelaten een die hem gelijk is.~ 335 30, 6 | Hij heeft een nagelaten, die zich aan de vijanden wreken 336 30, 7 | Wie zijn zoon afstrijkt, die verbindt zijn wonden, en 337 30, 14| 14 Een arme die gezond en sterk van lijf 338 30, 14| sterk van lijf en leden is, die is beter dan een rijke die 339 30, 14| die is beter dan een rijke die aan zijn lichaam geslagen 340 30, 19| riekt niet; zo gaat het hem die door de Here vervolgd wordt.~ 341 30, 20| zucht gelijk een gesnedene, die een maagd omvat, en zucht.~ 342 30, 26| bezorgd over de spijzen, die hij eten zal.~ ~ 343 31, 5 | 5 Wie goud liefheeft die zal niet gerechtvaardigd 344 31, 7 | hout des aanstoots degenen die het offeren, en alle onwijze 345 31, 8 | 8 Zalig is de rijke, die onberispelijk gevonden wordt, 346 31, 8 | onberispelijk gevonden wordt, en die naar het goud niet gaat.~ 347 31, 21| is genoeg voor een mens die wel onderwezen is; en hij 348 31, 26| 26 Degene die heerlijk is in spijs, zegenen 349 31, 27| 27 Die karig is in spijs, over 350 31, 27| karig is in spijs, over die murmureert de stad, en de 351 31, 31| voor een leven heeft hij die het aan wijn ontbreekt? 352 32, 4 | 4 Spreek, gij die oud zijt, want dat betaamt 353 32, 9 | veel; wees gelijk als een die verstaat en evenwel zwijgt.~ 354 32, 14| 14 En dank hiervoor Hem die u gemaakt heeft, en u dronken 355 32, 15| 15 Wie de Here vreest, die zal zijn onderwijzing aannemen, 356 32, 15| onderwijzing aannemen, en die zich vroeg tot Hem maken, 357 32, 16| 16 Wie de wet zoekt, die zal daarvan vervuld worden; 358 32, 17| 17 Die de Here vrezen, zullen vinden 359 32, 22| Vertrouw op de weg niet, die zonder aanstoot is, en wacht 360 32, 24| 24 Wie de Here gelooft, die let op het gebod, en wie 361 32, 24| zijn betrouwen op hem zet, die zal geen gebrek hebben.~ ~ 362 33, 1 | 1 HEM die de Here vreest, zal geen 363 33, 2 | wie daarin geveinsd is, die is gelijk als een schip 364 33, 5 | overlegging is gelijk een as die omloopt.~ 365 33, 6 | 6 Een vriend, die een bespotter is, is gelijk 366 33, 6 | briest onder een ieder, die op hem zit.~ 367 33, 14| mens in de hand desgenen, die hem gemaakt heeft, dat hij 368 33, 16| laatste ontwaakt gelijk een die achter de wijnlezers de 369 33, 17| gearbeid, maar voor al degenen, die onderwijzing zoeken.~ 370 33, 18| Hoort gij groten, en gij die de gemeente regeert, laat 371 34, 2 | 2 Gelijk een die naar de schaduw grijpt, 372 34, 2 | winden najaagt, zo is hij die de dromen gadeslaat.~ 373 34, 5 | gelijk het hart ener vrouw die in barensnood is.~ 374 34, 7 | hebben velen verleid, en die daarop hoop ten, zijn gevallen.~ 375 34, 9 | 9 Een man, die gedwaald heeft, weet vele 376 34, 9 | heeft, weet vele dingen, en die veel ervaren heeft, zal 377 34, 10| 10 Die niet ervaren is, weet weinig, 378 34, 10| ervaren is, weet weinig, maar die gedwaald heeft, is meerder 379 34, 13| 13 De geest dergenen, die de Here vrezen, zal leven.~ 380 34, 14| Want hun hoop is op hem, die hen behouden heeft.~ 381 34, 15| 15 Wie de Here vreest, die zal geen ding vrezen, en 382 34, 16| Zalig is de ziel desgenen, die de Here vreest, aan wie 383 34, 17| des Heren zien op degenen die hem liefhebben; hij is hun 384 34, 19| 19 Die van onrechtvaardig goed 385 34, 21| tegenwoordigheid van zijn vader, die een slachtoffer toebrengt 386 34, 23| 23 Hij doodt zijn naaste, die hem zijn leeftocht afneemt.~ 387 34, 24| 24 En hij vergiet bloed, die het loon van de dagloner 388 34, 27| dode heeft aangeraakt, en die weder aanraakt, welke nuttigheid 389 34, 28| 28 Zo is het met een mens die vast vanwege zijn zonden, 390 35, 1 | 1 WIE de wet bewaart, die doet offeranden genoeg; 391 35, 1 | op de geboden acht heeft, die offert een slachtoffer des 392 35, 2 | weldaad vergeldt, is gelijk die meelbloem offert, en wie 393 35, 2 | en wie een aalmoes doet, die offert een dankoffer.~ 394 35, 14| het aangezicht desgenen die zich tegen de arme stelt 395 35, 14| maar de smeking desgenen die onrecht lijdt zal hij verhoren.~ 396 35, 16| haar geschrei tegen hem, die ze heeft doen nederkomen?~ 397 35, 17| 17 Die God dient met welbehagen 398 36, 2 | vrees over al de volken die u niet zoeken.~ 399 36, 11| 11 Die behouden is geweest, wordt 400 36, 11| vurige toorn verslonden, en die uw volk kwellen, laat die 401 36, 11| die uw volk kwellen, laat die het verderf vinden.~ 402 36, 12| de oversten der volken, die zeggen: Daar is niemand 403 36, 17| Geef getuigenis degenen die van den beginne af uw bezittingen 404 36, 18| 18 Geef loon degenen die u verwachten, en maak dat 405 36, 19| Aäron over uw volk, en allen die op aarde wonen zullen bekennen 406 36, 22| droefheid geven, maar een mens, die veel ervaren heeft, zal 407 36, 26| 26 Die een goede vrouw krijgt, 408 36, 26| een goede vrouw krijgt, die begint goederen te bezitten, 409 36, 26| aangezien hij een hulp heeft, die hem gelijk is, en een pilaar 410 36, 28| toegeruste moordenaar betrouwen, die uit de ene stad in de andere 411 36, 28| betrouwt men een mens niet, die geen nest heeft, en neemt 412 37, 7 | 7 Beraad u niet met hem die u overdwars aanziet, en 413 37, 7 | verberg uw raad voor degenen die u benijden.~ 414 37, 8 | 8 Een ieder die raad geeft, verheft zijn 415 37, 11| 11 Beraad u niet met hem, die u overdwars aanziet, en 416 37, 11| uw raadslag voor degenen, die u benijden;~ 417 37, 12| wissel; noch met degene, die koopt over de verkoop; noch 418 37, 12| noch met een huurling, die gij een jaar gehuurd hebt 419 37, 13| geboden des Heren bewaart, die gezind is gelijk gij, en 420 37, 13| zoudt komen te struikelen, die met u bedroefd is.~ 421 37, 15| verkondigen, dan zeven wachters die op een hoge wachttoren zitten.~ 422 37, 19| dood en de tong is het, die gedurig daarover heerst.~ 423 37, 21| 21 Daar is menigeen die wijsheid voorgeeft met woorden 424 37, 22| Want hem is door de Here die genade niet gegeven, dewijl 425 37, 25| worden met zegen, en allen die hem zien, zullen hem gelukzalig 426 37, 32| er velen gestorven, maar die daarop let zal zijn leven 427 38, 1 | uw behoeften, met de eer die hem toekomt; want ook hem 428 38, 11| een vette offerande, als die niet eerst begint, en geef 429 38, 15| Wie tegen degene zondigt, die hem gemaakt heeft, die zal 430 38, 15| die hem gemaakt heeft, die zal in de handen van de 431 38, 16| vallen, en begin te wenen als die zware dingen geleden hebt; 432 38, 25| verzuimachtig is in zijn handeling, die zal niet wijs worden.~ 433 38, 26| Wat zou hij wijs worden, die de ploeg houdt, en roem 434 38, 26| roem draagt in de prikkel, die de ossen drijft, en opgevoed 435 38, 26| in de werken derzelve, en die van jonge stieren weet te 436 38, 28| schrijnwerker en timmerman, die de nacht gelijk de dag met 437 38, 29| 29 Zo ook met hem die de zegelen uitsteekt, en 438 38, 29| de zegelen uitsteekt, en die steeds daarover blijft om 439 38, 31| 31 Zo ook een smid, die nabij het aanbeeld zit, 440 38, 41| wordt wijs behalve degene die zijn ziel daartoe begeeft, 441 38, 41| ziel daartoe begeeft, en die zijn betrachting heeft in 442 39, 6 | vroeg te komen tot degene die hem gemaakt heeft, en tot 443 39, 8 | 8 Indien die grote Here wil, zo zal hij 444 39, 15| rusten, zo verkrijgt hij die voor zich.~ 445 39, 17| spruit uit gelijk een roos, die geplant is aan een stromend 446 39, 22| gebod, en daar is niemand die verminderen zal hetgeen 447 39, 32| 32 Daar zijn de geesten die tot wraak geschapen zijn, 448 39, 32| stillen de gramschap desgenen die ze gemaakt heeft.~ 449 40, 1 | de kinderen van Adam; van die dag af dat zij uit hun moeders 450 40, 3 | 3 Zo wel bij hem, die op de troon der heerlijkheid 451 40, 3 | heerlijkheid zit, als bij degene, die vernederd is, zittende in 452 40, 4 | 4 Zo wel bij hem, die een purperen kleed en een 453 40, 4 | draagt, als bij degene, die met grof lijnwaad gekleed 454 40, 7 | van zijn hart, gelijk een die uit de krijg ontvloden is, 455 40, 13| verheugd; gelijk degenen die overtreden, verdelgd worden 456 40, 17| 17 Het leven desgenen, die zich genoegen laat, en des 457 40, 17| arbeiders, is zoet, maar die een schat vindt gaat beide 458 40, 27| heerlijkheid bedekt hij die.~ 459 40, 29| 29 Een man die naar een vreemde tafel ziet, 460 40, 30| Maar een verstandig man. en die onderwezen is, wacht zich 461 41, 1 | gedachtenis van u, voor een mens, die in vrede leeft bij zijn 462 41, 2 | 2 Voor een man die goede rust heeft, en die 463 41, 2 | die goede rust heeft, en die het welgaat in alles, en 464 41, 3 | aangenaam voor een mens, die behoeftig is en die aan 465 41, 3 | mens, die behoeftig is en die aan sterkte afgenomen heeft.~ 466 41, 4 | 4 Voor een die in zijn uiterste ouderdom 467 41, 5 | niet; gedenk aan degenen die voor u geweest zijn, en 468 41, 5 | voor u geweest zijn, en die na u komen zullen, want 469 41, 8 | gruwelijke kinderen, en die in de gebuurschappen der 470 41, 11| gij goddeloze mannen, gij die de wet des Allerhoogsten 471 41, 15| naam te verkrijgen, want die zal u bijblijven meer dan 472 41, 18| 18 De wijsheid, die verborgen is, en een schat, 473 41, 18| verborgen is, en een schat, die niet te voorschijn komt, 474 41, 19| 19 Een mens, die zijn dwaasheid verbergt, 475 41, 19| is beter dan een mens, die zijn wijsheid verbergt.~ 476 41, 25| Schaamt u ook voor degene, die u groet vanwege uw stilzwijgen; 477 41, 25| aangezicht afwendt van een mens die edel is.~ 478 41, 26| en te letten op een vrouw die een man heeft.~ 479 42, 3 | spreken uw metgezel, en die met u over weg reizen; noch 480 42, 9 | onderwijst, en een geheel oude, die met de jonge lieden twist;~ 481 42, 10| onderwezen, en bij een ieder, die leeft, geacht worden.~ 482 42, 17| vrouw, namelijk een vrouw die beschaamd maakt tot versmaadheid.~ 483 42, 24| Hij verkondigt de dingen die voorbijgegaan zijn, en die 484 42, 24| die voorbijgegaan zijn, en die nog worden zullen, en hij 485 42, 26| zijn wijsheid versierd; hij die is vóór de wereld en in 486 43, 4 | zon verhit driemaal meer; die de bergen aansteekt, en 487 43, 5 | 5 De Here is groot, die ze gemaakt heeft, en die 488 43, 5 | die ze gemaakt heeft, en die haar loop door woorden heeft 489 43, 12| de regenboog, en loof hem die hem gemaakt heeft, die zeer 490 43, 12| hem die hem gemaakt heeft, die zeer schoon is in zijn schijnsel.~ 491 43, 19| de sneeuw gelijk vogelen, die nederwaarts vliegen, en 492 43, 19| af gelijk de sprinkhanen, die zich neder zetten op enig 493 43, 24| dingen is de nevel, de dauw die door de hitte ontstaat, 494 43, 25| staat de afgrond stil, en die heeft daarin eilanden geplant.~ 495 43, 26| 26 Die de zee bevaren vertellen 496 43, 28| door zijn woord bestaan al die dingen.~ 497 44, 4 | 4 Die raad gaven met verstand, 498 44, 9 | Enigen zijn er onder hen, die een naam nagelaten hebben, 499 44, 10| geen gedachtenis is, en die vergaan zijn gelijk of zij 500 44, 25| 25 Die heeft hij gekend in zijn


1-500 | 501-554

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License