Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
ijzerwerk 1
ik 95
immers 1
in 548
inbeeldingen 1
indien 67
indompeling 1
Frequency    [«  »]
634 is
559 het
554 die
548 in
528 niet
475 van
473 hij

Het boek Ecclesiasticus

IntraText - Concordances

in

1-500 | 501-548

    Chapter, Verse
1 1, 1 | van de Here, en is met hem in der eeuwigheid.~ 2 1, 5 | 5 Het woord Gods, die in de allerhoogste plaatsen 3 1, 12| vreest die zal het welgaan in de laatste dagen, en in 4 1, 12| in de laatste dagen, en in de dag van zijn dood zal 5 1, 13| gelovigen tezamen geschapen in 's moeders lichaam.~ 6 1, 25| 25 In de schatten der wijsheid 7 1, 31| verborgen dingen openbaren, en u in het midden der vergadering 8 2, 2 | verdraag, en haast niet in de tijd, als deze over u 9 2, 3 | moogt vermeerderd worden in uw laatste dagen.~ 10 2, 4 | zou mogen overkomen, en in de verandering van uw vernedering 11 2, 5 | 5 Want in het vuur wordt het goud 12 2, 5 | beproefd, en aangename mensen in de oven der vernedering.~ 13 2, 12| 12 Of wie is in zijn vreze gebleven en verlaten 14 2, 13| vergeeft de zonden, en behoedt in de tijd der verdrukking.~ 15 2, 22| 22 Zeggende, laat ons in de handen Gods vallen, en 16 2, 22| handen Gods vallen, en niet in de handen der mensen.~ 17 3, 5 | kinderen verheugen, en zal in de dag zijns gebeds verhoord 18 3, 11| 11 Roem niet in de oneer uws vaders, want 19 3, 12| vaders, en een moeder die in oneer is, die is de kinderen 20 3, 13| Mijn kind, verzorg uw vader in zijn ouderdom, en bedroef 21 3, 13| ouderdom, en bedroef hem niet in uw leven.~ 22 3, 16| 16 En in plaats der zonden zult gij 23 3, 17| 17 In de dag der verdrukking zal 24 3, 25| 25 Zijt niet ijdel bezig in overvloedigheid uwer woorden, 25 3, 29| een plant der boosheid is in hem ingeworteld.~ 26 3, 32| vergeldt, gedenkt aan deze in het toekomende, en hij zal 27 3, 32| het toekomende, en hij zal in de tijd van zijn val een 28 4, 6 | Want als iemand u vervloekt in bitterheid zijner ziel, 29 4, 7 | 7 Maak u zelf lieftallig in de vergadering, en verneder 30 4, 10| een vader, en hun moeder in plaats van een man.~ 31 4, 17| zijn nakomelingen zullen in bezitting blijven.~ 32 4, 18| 18 Want verkeerd zal zij in het eerst met hem omgaan.~ 33 4, 19| haar tuchtiging, totdat zij in zijn ziel vertrouwen zal 34 4, 22| verlaten, en hem overlaten in de handen van zijn ongeval.~ 35 4, 26| en word niet schaamrood in uw ongeval.~ 36 4, 27| 27 Weer het woord niet in de geschikte tijd der behouding;~ 37 4, 29| 29 Want de wijsheid zal in het woord bekend worden, 38 4, 29| worden, en de onderwijzing in de woorden der tong.~ 39 4, 30| Spreek de waarheid niet tegen in enig stuk, en word schaamrood 40 4, 33| Kamp voor de waarheid tot in de dood, en God de Here 41 4, 34| uw tong, en lui en slap in uw werken.~ 42 4, 35| Zijt niet als een leeuw in uw huis, en onder uw huisknechten 43 4, 36| nemen, en tezamen getrokken in het geven.~ ~ 44 5, 2 | noch uw sterkte, om te gaan in de wegen uws harten.~ 45 5, 9 | gij vermorzeld worden, en in de tijd der wraak verderven.~ 46 5, 10| zal u geen voordeel doen in de dag, wanneer ongeluk 47 5, 11| 11 Wan niet in allerlei wind, en ga niet 48 5, 11| allerlei wind, en ga niet in allerlei pad, zo doet de 49 5, 12| 12 Als gij in uw mening zeker zijt, zo 50 5, 13| goeds te horen, en leef in oprechtheid, en geef een 51 5, 15| 15 Eer en oneer is in het spreken, en des mensen 52 5, 18| niet onwetende ook niet in enig ding, noch in het grote, 53 5, 18| niet in enig ding, noch in het grote, noch in het kleine.~ ~ 54 5, 18| noch in het grote, noch in het kleine.~ ~ 55 6, 1 | 1 WORD geen vijand in plaats van een vriend, want 56 6, 2 | 2 Verhef u niet in de raad uwer ziel, opdat 57 6, 6 | 6 Maak dat velen met u in vrede leven, doch heb maar 58 6, 7 | verkrijgen, zo krijg hem in de verzoeking en vertrouw 59 6, 8 | Want daar is menig vriend in zijn gelegene tijd, en blijft 60 6, 8 | tijd, en blijft u niet bij in de dag van uw verdrukking.~ 61 6, 9 | vriend die veranderd wordt in een vijand, en die u in 62 6, 9 | in een vijand, en die u in het openbaar met verwijt 63 6, 10| zijn, en blijft u niet bij in de dag uwer verdrukking.~ 64 6, 17| vreest, gedraagt zich recht in zijn vriendschap; want naar 65 6, 20| 20 Want in haar werking zult gij wel 66 6, 25| 25 En steek uw voeten in haar boeien, en uw hals 67 6, 25| haar boeien, en uw hals in haar halsijzer.~ 68 6, 37| volkomen, en oefen u altijd in zijn bevelen, zo zal hij 69 7, 3 | 3 Mijn zoon, zaai niet in de voren der ongerechtigheid, 70 7, 6 | vreest, en een aanstoot legt in uw rechte handeling.~ 71 7, 8 | tweemaal aan, want zelfs in een zult gij niet onschuldig 72 7, 10| 10 Wees niet kleinmoedig in uw gebed, en verzuim niet 73 7, 11| Belach de mens niet die in bitterheid zijner ziel is, 74 7, 14| 14 Spreek niet veel in de menigte der ouden, en 75 7, 14| wederhaal uw woord niet in uw gebed.~ 76 7, 28| zult gij hun daarvoor geven in gelijkheid van hetgeen zij 77 7, 29| en houd zijn priesters in waarde; heb uit geheel uw 78 7, 37| 37 Wees niet traag in het bezoeken van de kranke; 79 7, 38| 38 In al uw doen gedenk aan uw 80 7, 38| uw uiterste, en gij zult in der eeuwigheid niet zondigen.~ ~ 81 8, 1 | dat gij niet misschien in zijn handen valt.~ 82 8, 7 | 7 Onteer niemand in zijn ouderdom, want ook 83 8, 9 | verteld wordt, en oefen uzelf in hun spreuken.~ 84 8, 12| verstand leren, en hoe gij in de tijd als het nodig is 85 8, 13| gij niet verbrand wordt in het vuur zijner vlam.~ 86 8, 19| gelijk als niets is het bloed in zijn ogen, en waar geen 87 9, 3 | gij niet te eniger tijd in haar strikken valt.~ 88 9, 4 | eniger tijd gevangen wordt in haar handelingen.~ 89 9, 5 | misschien geërgerd wordt in haar bestraffingen.~ 90 9, 7 | 7 Zie niet om in de straten der stad, en 91 9, 7 | der stad, en dwaal niet om in de woeste plaatsen derzelve.~ 92 9, 9 | leg u niet neder met haar in de armen.~ 93 9, 11| gij met uw geest niet valt in het verderf.~ 94 9, 15| hebben; gedenk dat zij tot in de hel toe niet, zullen 95 9, 18| 18 Weet, dat gij in het midden der strikken 96 9, 20| zijn, en laat uw roem zijn in de vreze des Heren.~ 97 9, 22| klapachtig man is verschrikkelijk in zijn stad, en die te voortvarend 98 9, 22| en die te voortvarend is in zijn rede, zal gehaat worden.~ ~ 99 10, 4 | 4 De macht op aarde is in de hand des Heren, en hij 100 10, 5 | 5 In de hand des Heren is des 101 10, 16| en heeft zachtmoedigen in hun plaats daarin gezet.~ 102 10, 17| uit, en plant de nederigen in hun plaats met heerlijkheid.~ 103 10, 21| hovaardigheid is niet geschapen in de mensen, noch de grimmige 104 10, 21| noch de grimmige toorn in degenen, die van vrouwen 105 10, 23| 23 In het midden der broeders 106 10, 29| werk doet, en poch niet in de tijd uwer benauwdheid.~ 107 10, 30| beter dat iemand werkt, en in alles overvloed heeft, dan 108 10, 34| 34 Die geëerd wordt in armoede, hoeveel te meer 109 10, 34| armoede, hoeveel te meer ook in rijk dom. En die in rijkdom 110 10, 34| ook in rijk dom. En die in rijkdom ongeëerd is, hoeveel 111 10, 34| ongeëerd is, hoeveel te meer in ar moede.~ ~ 112 11, 1 | hoofd verheffen, en hem in het midden der groten zetten.~ 113 11, 4 | klederen die gij aandoet, en in de dag der heerlijkheid 114 11, 6 | lieden zijn overgeleverd in handen van anderen.~ 115 11, 8 | eer gij gehoord hebt, en in het midden der woorden spreek 116 11, 9 | aangaat; en zit niet bij in het gericht der zondaren.~ 117 11, 17| welbehagen maakt voorspoedig in der eeuwigheid.~ 118 11, 20| 20 Sta in uw verbond, en verkeer daarin, 119 11, 21| 21 Verwonder u niet in de werken des zondaars, 120 11, 21| vertrouw de Here, en blijf in uw arbeid.~ 121 11, 22| 22 Want het is in de ogen des Heren licht, 122 11, 23| 23 De zegen des Heren is in het loon van de godvrezende; 123 11, 23| loon van de godvrezende; en in een korte tijd doet hij 124 11, 25| en wat zal mij voortaan in dit leven voor kwaad geschieden?~ 125 11, 26| 26 In de goede dagen vergeet men 126 11, 26| vergeet men het kwade, en in de kwade dagen wordt aan 127 11, 27| het is voor de Here licht, in de dag des doods de mens 128 11, 30| 30 Leid niet een ieder in uw huis, want de lagen van 129 11, 31| Gelijk een gevangen veldhoen in een kooi, alzo is het hart 130 11, 32| loert verkerende het goede in het kwade; ja in uitgelezen 131 11, 32| het goede in het kwade; ja in uitgelezen dingen zal hij 132 11, 35| 35 Laat een vreemde in uw huis wonen, en hij zal 133 12, 3 | 3 Die in het kwade voortgaat, die 134 12, 7 | 7 In voorspoed wordt de vriend 135 12, 7 | vijand wordt niet verborgen in tegenspoed.~ 136 12, 8 | dan zijn zijn vijanden in droefheid, en als het hem 137 12, 9 | 9 Betrouw uw vijand in der eeuwigheid niet.~ 138 12, 12| tijd zoeke uw zitplaats in te nemen, en gij ten laatste 139 12, 13| zondaar, en zich vermengt in zijn zonden.~ 140 12, 14| zal een uur bij u blijven in een gerechte staat, en indien 141 12, 15| lippen zoet spreken, maar in zijn hart zal hij beraadslagen 142 12, 15| zal hij beraadslagen om u in een gracht te werpen.~ 143 13, 2 | 2 Neem in uw leven geen last op, die 144 13, 10| En niet vernederd wordt in de verheuging uws harten.~ 145 13, 12| 12 Val niet in iemands rede, opdat gij 146 13, 16| dingen hoort, zo waak zelfs in uw slaap.~ 147 13, 22| ezels der leeuwen jacht zijn in de woestijn, zo zijn de 148 13, 29| en de armoede is kwaad in de mond des goddelozen.~ 149 13, 30| of ten kwade, en een hart in genoegen groenende maakt 150 13, 31| vinding der gelijkenissen in overlegging met moeite.~ ~ 151 14, 5 | hij zich niet verheugen in zijn goederen.~ 152 14, 17| 17 Want men behoeft in het graf geen spijs te zoeken.~ 153 14, 22| 22 Die zijn wegen in zijn hart bezint, die zal 154 14, 22| hart bezint, die zal ook in haar verborgenheden verstandig 155 14, 24| haar huis herberg neemt en in haar muren zijn paal slaat, 156 14, 25| 25 Zal herberg hebben in een herberg vol goeds, en 157 14, 26| worden voor de hitte, en in haar heerlijkheid zal hij 158 15, 5 | zijn naaste, en zij zal in het midden der vergadering 159 15, 9 | 9 De lof in de mond des zondaars voegt 160 15, 14| gemaakt, en hem gelaten in de hand zijns raads.~ 161 15, 18| des Heren, en hij is sterk in kracht, en ziet alle dingen.~ 162 16, 7 | 7 In de vergadering der zondaren 163 16, 10| verderfs, die uitgingen in hun zonden, die zij deden.~ 164 16, 11| tezamen vergaderd waren in de hardigheid hunner harten, 165 16, 18| hetgeen daarin is, zullen in zijn bezoeking bewogen worden; 166 16, 22| onderzoeking aller dingen is in het einde.~ 167 16, 27| heeft zijn werken versierd in eeuwigheid, hun beginselen 168 16, 27| beginselen door zijn hand in alle geslachten; zij hebben 169 16, 27| zijn niet vermoeid geweest in zijn maakselen, en zijn 170 16, 28| 28 En tot in eeuwigheid zullen zij zijn 171 16, 30| leven van alle gedierte, en in baar keren zij weder.~ ~ 172 17, 1 | geschapen, en heeft hem weder in dezelve doen terugkeren.~ 173 17, 7 | gelegd; hij heeft hun gegeven in eeuwigheid te mogen roemen 174 17, 7 | eeuwigheid te mogen roemen in zijn wonderen, opdat zij 175 17, 13| en, zij hebben hun harten in plaats van steen en geen 176 17, 14| 14 Want in de verdeling der volken 177 17, 20| geleiden uit de duisternis in een verlichting der gezondheid.~ 178 17, 22| de Allerhoogste prijzen in het graf, in plaats der 179 17, 22| Allerhoogste prijzen in het graf, in plaats der levenden, en 180 17, 26| Want alle dingen kunnen in de mensen niet zijn, dewijl 181 18, 1 | 1 DIE in eeuwigheid leeft, heeft 182 18, 1 | leeft, heeft alle dingen in het gemeen geschapen.~ 183 18, 20| gij zult verzoening vinden in de ure der bezoeking.~ 184 18, 21| gij ziek wordt, en bewijs in de tijd der zonden uw bekering.~ 185 18, 24| gramschap die komen zal in de dagen van de dood, en 186 18, 25| aan de tijd des hongers, in de tijd der volheid, aan 187 18, 25| volheid, aan armoede en gebrek in de dag des rijkdoms.~ 188 18, 26| wijs mens vreest altijd, en in de dagen der zonden wacht 189 18, 29| 29 Die verstandig zijn in woorden, die handelen ook 190 18, 32| 32 Verheug u niet in de veelheid uwer lekkernijen, 191 18, 33| geld, daar gij niets hebt in de beurs, want anders zult 192 19, 5 | 5 Wie zich verheugt in het kwaaddoen, zal verdoemd 193 19, 6 | klappen haat, die neemt af in boosheid.~ 194 19, 12| 12 Gelijk een pijl, die in de heup van het vlees vaststeekt, 195 19, 12| vaststeekt, zo is een woord in de buik van een dwaas.~ 196 19, 16| geloven; menigeen struikelt in een woord en niet van harte, 197 19, 19| is de gehele wijsheid, en in alle wijsheid is de onderhouding 198 19, 22| degene, die overvloedig is in kloekheid, en de wet des 199 19, 24| boosheid doet, gaande gebukt in zwarte klederen, en het 200 20, 2 | is hij die geweld oefent in het gericht.~ 201 20, 8 | zondaar heeft een welbehagen in boze dingen, en menige vond 202 20, 19| als een ontijdige klucht, in de mond der ongeschikten 203 20, 21| vanwege gebrek, en wordt in zijn rust niet doorprikkeld.~ 204 20, 24| is een lelijke schandvlek in een mens, en in de mond 205 20, 24| schandvlek in een mens, en in de mond der ongeschikten 206 20, 29| wijzen, en gelijk een toom in de mond, keren zij de bestraffingen 207 20, 30| bekend is, wat nuttigheid is in beide?~ 208 20, 31| onvermijdelijke verdraagzaamheid in degene, die de Here zoekt, 209 21, 7 | bestraffing haat, die staat in de voetstappen van de zondaar, 210 21, 20| van de voorzichtige wordt in de gemeente gezocht, en 211 21, 20| elkeen overdenkt zijn woorden in zijn hart.~ 212 21, 23| dwaas verheft zijn stem in het lachen, maar een kloek 213 21, 25| is haastig tot een huis in te gaan, maar een mens, 214 21, 26| onwijze zal over de deur in het huis kijken, maar een 215 21, 29| 29 Het hart der dwazen is in hun mond, maar de mond der 216 21, 29| maar de mond der wijzen is in hun hart.~ 217 22, 6 | verhaal is gelijk muziek in rouw, maar geselen en tuchtiging 218 22, 7 | 7 Kinderen, die in een goed leven worden opgevoed, 219 22, 7 | hun ouders; kinderen die in verachting en ongeschiktheid 220 22, 9 | het een sluimerende, en in het einde zal hij zeggen: 221 22, 16| gij zult niet verluieren in zijn zinneloosheid.~ 222 22, 19| houten band, vast ingebonden in een ge bouw, niet los gaat 223 22, 22| Zo kan een bevreesd hart in de gedachte van de dwaas 224 22, 23| 23 Wie in een oog steekt, brengt daar 225 22, 23| daar tranen uit, en die in het hart steekt brengt het 226 22, 26| daar is verzoening, behalve in versmading en hovaardigheid, 227 22, 27| Bewijs trouw jegens uw naaste in zijn armoede; opdat gij 228 22, 28| 28 In de tijd der verdrukking 229 22, 28| die geen verstand heeft, in waarde te houden.~ 230 23, 1 | levens, verlaat mij niet in hun raad, en laat mij niet 231 23, 2 | onderrichting der wijsheid in mijn hart? opdat gij Here 232 23, 6 | wie zij bewaart, die zal in zijn lippen niet gevangen 233 23, 7 | 7 De zondaar zal in zijn onvoorzichtigheid gevat 234 23, 13| die niet gevonden worden in het erfdeel Jakobs.~ 235 23, 14| godvrezende, en zij zullen in de zonden niet ingewikkeld 236 23, 16| uw vader en moeder; want in het midden der groten zult 237 23, 30| en ten derde heeft zij in hoererij overspel bedreven, 238 23, 31| 31 Deze zal in de gemeente uitgestoten 239 24, 1 | wijsheid prijst zichzelf, en in het midden van haar volk 240 24, 2 | Zij doet haar mond open in de gemeente des Allerhoogsten, 241 24, 2 | Allerhoogsten, en beroemt zich in tegenwoordigheid van zijn 242 24, 4 | 4 Ik heb mijn tent in de hoogste plaatsen opgeslagen, 243 24, 4 | opgeslagen, en mijn troon in een wolkkolom.~ 244 24, 5 | hemels omgegaan, en heb in de diepte der afgronden 245 24, 6 | 6 In de baren der zee, en op 246 24, 7 | heb ik rust gezocht, om in iemands erfenis te huis 247 24, 9 | 9 In Jakob zult gij uw tent opslaan, 248 24, 10| hij mij geschapen, en tot in eeuwigheid neem ik niet 249 24, 10| eeuwigheid neem ik niet af; in een heilige tabernakel heb 250 24, 10| heilige tabernakel heb ik in zijn tegenwoordigheid gediend;~ 251 24, 11| 11 En zo ben ik in Sion bevestigd. In een geheiligde 252 24, 11| ben ik in Sion bevestigd. In een geheiligde stad heeft 253 24, 11| insgelijks doen rusten, en in Jeruzalem is mijn macht.~ 254 24, 12| 12 En ben ingeworteld in een verheerlijkt volk, in 255 24, 12| in een verheerlijkt volk, in het deel des Heren, dat 256 24, 15| Gelijk een schone olijfboom in een fraai veld, en gelijk 257 24, 17| gelijk de damp des wierooks in de tabernakel.~ 258 24, 26| bevolen heeft tot een erfdeel in de vergaderingen van Jakob, 259 24, 26| Bezwijkt niet, maar zijt sterk in de Here, opdat hij u krachtig 260 24, 27| Pison, en gelijk de Tigris in de dagen der nieuwe vruchten.~ 261 24, 28| Eufraat, en gelijk de Jordaan in de dagen van de oogst.~ 262 24, 29| licht, en gelijk de Gihon in de tijd wanneer men de druiven 263 24, 33| waterloop ben ik uitgegaan in het paradijs.~ 264 24, 36| en doe ze schijnen tot in verre landen.~ 265 25, 5 | 5 In uw jeugd hebt gij niet vergaderd, 266 25, 5 | hoe zoudt gij wat vinden in uw ouderdom?~ 267 25, 9 | gedacht, en ze zalig geprezen in mijn hart, en het tiende 268 25, 12| gevonden heeft, en ze verhaalt in de oren der toehoorders.~ 269 25, 22| 22 In het midden van zijn naasten 270 25, 28| Welke haar man niet troost in zijn benauwdheid, die maakt 271 26, 5 | voor het vierde word ik in mijn aangezicht bevreesd:~ 272 26, 17| 17 Gelijk de zon opgaande in de hoogste plaatsen des 273 26, 17| schoonheid van een goede vrouw in het sieraad van haar huis.~ 274 26, 18| schoonheid van haar aangezicht in de staande ouderdom.~ 275 26, 20| beste kracht van uw leven in gezond heid, en geef de 276 26, 29| ieders mensen ziel, die deze in zeden gelijk is, zal zijn 277 26, 29| gelijk is, zal zijn leven in de oproeren des krijgs overbrengen.~ 278 27, 4 | blijft des mensen vuiligheid in zijn uitspraak.~ 279 27, 5 | maar de mens wordt beproefd in zijn samenspreking.~ 280 27, 6 | der gedachten blijken wat in het hart des mensen is.~ 281 27, 13| verdriet, en hun lachen bestaat in dartelheid der zonde.~ 282 27, 24| anders spreken, en maken dat in uw woorden aanstoot is.~ 283 27, 26| 26 Wie een steen in de hoogte werpt, die werpt 284 27, 30| 30 Die zich verheugen in de val der godvrezenden 285 27, 30| der godvrezenden zullen in een strik gevangen worden, 286 28, 7 | verderf en dood, maar blijf in de geboden.~ 287 28, 10| hebben, werpt hij laster in.~ 288 28, 11| 11 Hoe meer hout men in het vuur legt, hoe meer 289 28, 13| 13 Indien gij in een vonk blaast, zo zal 290 28, 14| hebben velen verdorven, die in vrede leefden.~ 291 28, 15| heeft hen van het ene volk in het andere verzet,~ 292 28, 26| de Here verlaten, zullen in haar vallen en in hen zal 293 28, 26| zullen in haar vallen en in hen zal zij worden ontstoken, 294 28, 30| struikelt, opdat gij niet valt in tegenwoordigheid desgenen, 295 29, 2 | 2 Leen uw naaste in de tijd zijner behoefte, 296 29, 11| 11 Evenwel in de vernedering uws naasten 297 29, 15| 15 Sluit uw aalmoes in uw schatkamers, en ze zal 298 29, 20| vlieden, en een onnut mens zal in zijn. gedachten verlaten 299 29, 23| de geboden des Heren zal in borgschap vervallen, en 300 29, 23| zware werken najaagt, zal in het gericht vallen.~ 301 29, 28| ellendig leven uit het ene huis in het andere te vertrekken, 302 30, 2 | hem verblijd worden, en in het midden der vermaarde 303 30, 3 | jaloersheid verwekken en in tegenwoordigheid der vrienden 304 30, 5 | 5 In zijn leven zag hij hem, 305 30, 5 | was over hem verheugd, en in zijn dood was hij niet bedroefd.~ 306 30, 11| 11 Geef hem geen macht in de jeugd, en overzie zijn 307 30, 12| 12 Buig hem zijn hals in de jeugd, en breek zijn 308 31, 16| en wrijf ze met hem niet in de schotel.~ 309 31, 22| waken, en buikpijn, en pijn in de darmen, is bij een onverzadelijk 310 31, 25| 25 Zijt in al uw werken wakker, en 311 31, 26| 26 Degene die heerlijk is in spijs, zegenen de lippen, 312 31, 27| 27 Die karig is in spijs, over die murmureert 313 31, 28| 28 Toon u geen man in de wijn, want de wijn heeft 314 31, 28| want de wijn heeft er velen in het verderf gebracht.~ 315 31, 29| is, zo doet ook de wijn in het hart der hovaardigen 316 31, 35| 35 Bestraf uw naaste niet in het wijngelag, en veracht 317 31, 35| wijngelag, en veracht hem niet in zijn verheuging.~ 318 32, 6 | samenstemming der muzikanten in een wijngelag is gelijk 319 32, 7 | zoete wijn, is als een zegel in een smaragd op een gulden 320 32, 23| 23 Vertrouw uzelf in alle goede werken, want 321 33, 1 | ontmoeten, maar hij zal hem in verzoeking ook weder daaruit 322 33, 2 | is gelijk als een schip in een storm van vele baren.~ 323 33, 7 | toch al het licht der dagen in het jaar van de zon komt?~ 324 33, 8 | 8 Zij zijn in de kennis des Heren onderscheiden, 325 33, 13| 13 Zij zijn in zijn hand gelijk het leem 326 33, 14| 14 Zo is ook de mens in de hand desgenen, die hem 327 33, 20| als gij nog leeft en adem in u is, geef uzelf in niemands 328 33, 20| adem in u is, geef uzelf in niemands macht, over.~ 329 33, 22| 22 Maak, dat gij in al uw werken anderen te 330 33, 23| 23 Verdeel uw erfgoed in de dag van de voleinding 331 33, 23| der dagen van uw leven, en in de tijd uws doods.~ 332 34, 3 | 3 Wat men in de dromen ziet, is dit na 333 34, 5 | het hart ener vrouw die in barensnood is.~ 334 34, 10| gedwaald heeft, is meerder in schranderheid.~ 335 34, 11| Ik heb veel dingen gezien in mijn afdwaling, en het is 336 34, 12| 12 Menigmaal ben ik in gevaar geweest tot de dood 337 34, 21| 21 Hij slacht de zoon in tegenwoordigheid van zijn 338 35, 9 | Heb een vrolijk aangezicht in al uw gaven, en heilig uw 339 35, 22| volk, en hen doen verheugen in zijn barmhartigheid.~ 340 35, 23| tijdig is de barmhartigheid in de tijd der verdrukking; 341 35, 23| zij is gelijk de wolken in de tijd der droogte.~ ~ 342 36, 4 | ogen geheiligd zijt geweest in ons, dat gij ook voor ons 343 36, 4 | groot gemaakt moogt worden in hen.~ 344 36, 13| stammen Jakobs, en stel hen in hun erfdeel, gelijk van 345 36, 17| zijn, en verwek profeten in uw naam.~ 346 36, 28| betrouwen, die uit de ene stad in de andere sluipt; zo betrouwt 347 37, 4 | metgezel leeft met zijn vriend in verheuging, en in de tijd 348 37, 4 | vriend in verheuging, en in de tijd van verdrukking 349 37, 6 | 6 Vergeet uw vriend niet in uw hart, en stel hem niet 350 37, 6 | uw hart, en stel hem niet in vergetelheid, wanneer gij 351 37, 13| 13 Acht op deze niet in een van al uw beraadslagingen, 352 37, 16| 16 En in alle deze bid de Allerhoogste, 353 37, 23| vruchten van zijn verstand in zijn mond zijn prijzenswaardig.~ 354 37, 27| zijn volk, en zijn naam zal in eeuwigheid blijven.~ 355 37, 29| ieder neemt geen vermaak in alles.~ 356 37, 30| Zijt niet onverzadelijk in alle lekkernijen, en stort 357 38, 3 | en bij de groten is hij in bewondering.~ 358 38, 6 | mensen wetenschap gegeven, om in zijn wonderen verheerlijkt 359 38, 9 | 9 Mijn kind, in uw krankheid verzuim het 360 38, 13| mischien een tijd, dat er in hun handen een goede reuk 361 38, 15| hem gemaakt heeft, die zal in de handen van de geneesheer 362 38, 17| Ween bitter, en wees vurig in het geklag;~ 363 38, 25| en wie verzuimachtig is in zijn handeling, die zal 364 38, 26| ploeg houdt, en roem draagt in de prikkel, die de ossen 365 38, 26| drijft, en opgevoed wordt in de werken derzelve, en die 366 38, 37| handen, en elk is verstandig in zijn werk.~ 367 38, 38| worden, en men zal daar niet in wonen noch wandelen, doch 368 38, 38| niet gevorderd worden, en in de vergadering zullen zij 369 38, 40| en hun wens is dat zij in hun kunst werken mogen.~ 370 38, 41| 41 In het algemeen, niemand wordt 371 38, 41| die zijn betrachting heeft in de wet des Allerhoogsten.~ 372 39, 1 | aller ouden, en is bezig in de profetieën.~ 373 39, 2 | vermaarde manen onthoudt hij, en in kloeke spreuken gaat hij 374 39, 3 | verborgen spreekwoorden, en in raadselen der spreuken oefent 375 39, 9 | een regen uitgieten, en in zijn gebed dankt hij de 376 39, 11| zijner leer te voorschijn, en in de wet van het verbond des 377 39, 12| verstand prijzen, en dat zal in eeuwigheid niet uitgewist 378 39, 13| zijn naam zal leven tot in alle geslachten.~ 379 39, 15| 15 Indien hij in het leven blijft, zo zal 380 39, 19| en met citers; en zegt zo in uw dankzegging:~ 381 39, 20| wat hij gebiedt geschiedt in zijn tijd; men mag niet 382 39, 22| 22 Al zijn welbehagen is in zijn gebod, en daar is niemand 383 39, 27| toorn, gelijk hij de wateren in pekel verkeert.~ 384 39, 29| 29 Goede dingen zijn in het begin voor de goede 385 39, 31| zo worden ze de zondaar in kwaad verkeerd.~ 386 39, 35| 35 In zijn bevel verheugen zij 387 39, 37| deze dingen overdacht en in geschrift nagelaten.~ 388 40, 1 | de dag dat zij wederkeren in de moeder van allen.~ 389 40, 3 | die vernederd is, zittende in aarde en as.~ 390 40, 6 | daarna slaapt hij gelijk in de dagen der schildwacht.~ 391 40, 7 | ontvloden is, en ontwakende in de tijd zijner behoudenis, 392 40, 11| worden, maar geloof zal in eeuwigheid bestaan.~ 393 40, 16| zegeningen, en aalmoes blijft in eeuwigheid.~ 394 40, 21| Het oog verlustigt zich in hetgeen dat aangenaam en 395 40, 21| aangenaam en schoon is, maar in de groente van het gezaaide 396 40, 21| van het gezaaide meer dan in beide.~ 397 40, 23| Broeders en hulp zijn goed in de tijd der verdrukking, 398 40, 26| 26 Daar is in de vreze des Heren geen 399 40, 31| 31 In de mond des onbeschaamden 400 40, 31| de bedelarij zoet, maar in zijn buik zal een vuur branden.~ ~ 401 41, 1 | van u, voor een mens, die in vrede leeft bij zijn goederen.~ 402 41, 2 | heeft, en die het welgaat in alles, en nog sterk is om 403 41, 4 | 4 Voor een die in zijn uiterste ouderdom is, 404 41, 6 | wilt gij weigerend zijn in hetgeen de Allerhoogste 405 41, 7 | of duizend jaren leeft, in het graf is geen bestraffing 406 41, 8 | gruwelijke kinderen, en die in de gebuurschappen der goddelozen 407 41, 13| uit de aarde is, zal weder in de aarde keren; gelijk gaan 408 41, 16| maar een goede naam blijft in eeuwigheid.~ 409 41, 17| kinderen, bewaart de tucht in vrede.~ 410 41, 20| woord, want het is niet goed in alle dingen schaamte te 411 41, 20| dingen worden niet door allen in getrouwheid goed gekend.~ 412 41, 24| voor schandelijke afwijzing in het ontvangen en uitgeven.~ 413 42, 8 | uitgifte en ontvangst, in geschrift.~ 414 42, 12| 12 En in haar jeugd vreest hij dat 415 42, 13| misschien ontreinigd, en in haars vaders huis zwanger 416 42, 14| u vrolijk zijn, dat men in de stad van u spreke en 417 42, 14| naroepe, en zij u beschame in de menigte van lieden.~ 418 42, 15| van enig mens, en zit niet in het midden der vrouwen.~ 419 42, 18| gezien heb zal ik vertellen: in de woorden des Heren ziet 420 42, 26| die is vóór de wereld en in der eeuwigheid.~ 421 42, 29| dingen leven en blijven in der eeuwigheid in al hun 422 42, 29| blijven in der eeuwigheid in al hun gebruik en zijn hem 423 43, 2 | aanschouwt, verkondigt God in haar opgang; zij is een 424 43, 6 | gemaakt, dat zij staan zou in haar tijd, tot een aanwijzing 425 43, 8 | wassende is zij wonderbaar in haar verandering.~ 426 43, 9 | hetwelk legerplaats heeft in de hoogte, schijnende in 427 43, 9 | in de hoogte, schijnende in het uitspansel des hemels.~ 428 43, 10| gesternte, een sieraad lichtende in de hoogste plaatsen des 429 43, 11| en worden niet verhinderd in haar wacht.~ 430 43, 12| heeft, die zeer schoon is in zijn schijnsel.~ 431 43, 17| zijn donder brengt de aarde in barensnood, en door zijn 432 44, 3 | 3 Zij hebben geheerst in hun koninkrijken, en zijn 433 44, 3 | vermaarde mannen geweest in vermogen;~ 434 44, 5 | 5 Leiders van het volk in de raadslagen, en in het 435 44, 5 | volk in de raadslagen, en in het verstand der beschreven 436 44, 6 | Wijze redenen zijn geweest in hun onderwijzing, en zij 437 44, 7 | sterkte, en vreedzaam levende in hun woningen.~ 438 44, 8 | verheerlijkt geweest en in hun dagen beroemd.~ 439 44, 12| erfdeel; hun nakomelingen zijn in de verbonden.~ 440 44, 13| 13 Hun zaad is in de verbonden, en hun kinderen 441 44, 14| 14 Tot in der eeuwigheid blijft hun 442 44, 15| 15 Hun lichamen zijn in vrede begraven, en hun naam 443 44, 18| bevonden en rechtvaardig, in de tijd des toorns geschiedde 444 44, 20| niemand gevonden hem gelijk in zijn heerlijkheid, welke 445 44, 20| bewaard heeft, en met hem in een verbond geweest is.~ 446 44, 21| 21 In zijn vlees heeft de Here 447 44, 21| het verbond opgericht, en in de verzoeking werd hij getrouw 448 44, 22| hij de vol ken zou zegenen in zijn zaad;~ 449 44, 24| 24 En alzo heeft hij ook in Izaäk gesteld, om Abraham, 450 44, 25| 25 Die heeft hij gekend in zijn zegeningen, en hem 451 44, 25| heeft zijn deel gescheiden in stammen, die hij verdeeld 452 44, 25| die hij verdeeld heeft in twaalf.~ 453 44, 26| die gunst gevonden heeft in de ogen van alle vlees.~ ~ 454 45, 1 | bemind, wiens gedachtenis is in zegening.~ 455 45, 5 | en heeft hem ingevoerd in het donker;~ 456 45, 11| geluid te maken met geklank in het gaan; en een gerucht 457 45, 11| maken dat men horen kon in de tempel, en dat tot een 458 45, 13| gegraveerd, als een zegel in goud ingevat, een werk des 459 45, 19| te bedienen, en het volk in zijn naam te zegenen.~ 460 45, 21| bevelen gegeven, en macht in de inzet tingen der rechten, 461 45, 22| opgestaan, en hebben hem benijd in de woestijn; mannen die 462 45, 23| daaraan, en zij zijn vernield in de grimmigheid van zijn 463 45, 26| hij hem brood toebereid in verzadiging; want zij eten 464 45, 27| 27 Doch in het land des volks had hij 465 45, 28| van Eleazar, is de derde in heerlijk heid, omdat hij 466 45, 28| omdat hij had geijverd in de vreze des Heren.~ 467 45, 30| priesterdoms zou hebben in der eeuwigheid.~ 468 45, 32| Hij geve ulieden wijsheid in uw hart om te richten zijn 469 45, 32| om te richten zijn volk in gerechtigheid, opdat hun 470 45, 32| en geve zijn heerlijkheid in hun geslachten.~ ~ 471 46, 1 | zoon van Nun, was sterk in de oorlog, en kwam in Mozes' 472 46, 1 | sterk in de oorlog, en kwam in Mozes' plaats in de profetieën.~ 473 46, 1 | en kwam in Mozes' plaats in de profetieën.~ 474 46, 2 | werd, volgens zijn naam, in de verlossing zijner uitverkorenen; 475 46, 7 | oorlog tegen de volken, en in het afkomen tot hen vernielde 476 46, 10| voet, om hen te brengen in het erfdeel, in het land 477 46, 10| brengen in het erfdeel, in het land dat van melk en 478 46, 11| sterkte, die hem bijbleef tot in zijn ouderdom, dat hij opklom 479 46, 14| gebeente wederom spruit in hun plaats, en hun naam 480 46, 14| verwisseling vernieuwd worde in de zonen van hun beroemde 481 47, 1 | stond Nathan, de profeet, op in de dagen van David.~ 482 47, 4 | 4 In zijn jeugd bracht hij een 483 47, 6 | Here aan, en die gaf hem in zijn rechterhand kracht 484 47, 6 | een mens, die machtig, was in de oorlog, om de hoorn zijns 485 47, 9 | 9 In al wat hij deed gaf hij 486 47, 13| en zijn hoorn verhoogd in eeuwigheid; en heeft hem 487 47, 13| de troon der heerlijkheid in Israël.~ 488 47, 14| door hem heeft het volk in ruimte gewoond.~ 489 47, 15| 15 Salomo regeerde in de tijd des vredes, en is 490 47, 15| en een heiligdom bereiden in der eeuwigheid.~ 491 47, 16| 16 Hoe wijs was hij in zijn jeugd? en werd vervuld 492 47, 18| 18 Uw naam is verre tot in de eilanden gekomen, en 493 47, 18| gij zijt bemind geweest in uw vrede.~ 494 47, 20| 20 In de naam des Heren, de God 495 47, 21| 21 En zijt met uw lichaam in haar macht gekomen.~ 496 47, 22| dwaasheid, als de heerschappij in twee gescheurd werd, en 497 48, 6 | hebt koningen afgevoerd in het verderf, en die verheven 498 48, 9 | door een vurige draaiwind, in een wagen met vurige paarden.~ 499 48, 11| u gezien hebben, en die in liefde ontslapen zijn.~ 500 48, 13| met de Heilige Geest; en in zijn dagen werd hij niet


1-500 | 501-548

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License