1-500 | 501-548
Chapter, Verse
1 1, 1 | van de Here, en is met hem in der eeuwigheid.~
2 1, 5 | 5 Het woord Gods, die in de allerhoogste plaatsen
3 1, 12| vreest die zal het welgaan in de laatste dagen, en in
4 1, 12| in de laatste dagen, en in de dag van zijn dood zal
5 1, 13| gelovigen tezamen geschapen in 's moeders lichaam.~
6 1, 25| 25 In de schatten der wijsheid
7 1, 31| verborgen dingen openbaren, en u in het midden der vergadering
8 2, 2 | verdraag, en haast niet in de tijd, als deze over u
9 2, 3 | moogt vermeerderd worden in uw laatste dagen.~
10 2, 4 | zou mogen overkomen, en in de verandering van uw vernedering
11 2, 5 | 5 Want in het vuur wordt het goud
12 2, 5 | beproefd, en aangename mensen in de oven der vernedering.~
13 2, 12| 12 Of wie is in zijn vreze gebleven en verlaten
14 2, 13| vergeeft de zonden, en behoedt in de tijd der verdrukking.~
15 2, 22| 22 Zeggende, laat ons in de handen Gods vallen, en
16 2, 22| handen Gods vallen, en niet in de handen der mensen.~
17 3, 5 | kinderen verheugen, en zal in de dag zijns gebeds verhoord
18 3, 11| 11 Roem niet in de oneer uws vaders, want
19 3, 12| vaders, en een moeder die in oneer is, die is de kinderen
20 3, 13| Mijn kind, verzorg uw vader in zijn ouderdom, en bedroef
21 3, 13| ouderdom, en bedroef hem niet in uw leven.~
22 3, 16| 16 En in plaats der zonden zult gij
23 3, 17| 17 In de dag der verdrukking zal
24 3, 25| 25 Zijt niet ijdel bezig in overvloedigheid uwer woorden,
25 3, 29| een plant der boosheid is in hem ingeworteld.~
26 3, 32| vergeldt, gedenkt aan deze in het toekomende, en hij zal
27 3, 32| het toekomende, en hij zal in de tijd van zijn val een
28 4, 6 | Want als iemand u vervloekt in bitterheid zijner ziel,
29 4, 7 | 7 Maak u zelf lieftallig in de vergadering, en verneder
30 4, 10| een vader, en hun moeder in plaats van een man.~
31 4, 17| zijn nakomelingen zullen in bezitting blijven.~
32 4, 18| 18 Want verkeerd zal zij in het eerst met hem omgaan.~
33 4, 19| haar tuchtiging, totdat zij in zijn ziel vertrouwen zal
34 4, 22| verlaten, en hem overlaten in de handen van zijn ongeval.~
35 4, 26| en word niet schaamrood in uw ongeval.~
36 4, 27| 27 Weer het woord niet in de geschikte tijd der behouding;~
37 4, 29| 29 Want de wijsheid zal in het woord bekend worden,
38 4, 29| worden, en de onderwijzing in de woorden der tong.~
39 4, 30| Spreek de waarheid niet tegen in enig stuk, en word schaamrood
40 4, 33| Kamp voor de waarheid tot in de dood, en God de Here
41 4, 34| uw tong, en lui en slap in uw werken.~
42 4, 35| Zijt niet als een leeuw in uw huis, en onder uw huisknechten
43 4, 36| nemen, en tezamen getrokken in het geven.~ ~
44 5, 2 | noch uw sterkte, om te gaan in de wegen uws harten.~
45 5, 9 | gij vermorzeld worden, en in de tijd der wraak verderven.~
46 5, 10| zal u geen voordeel doen in de dag, wanneer ongeluk
47 5, 11| 11 Wan niet in allerlei wind, en ga niet
48 5, 11| allerlei wind, en ga niet in allerlei pad, zo doet de
49 5, 12| 12 Als gij in uw mening zeker zijt, zo
50 5, 13| goeds te horen, en leef in oprechtheid, en geef een
51 5, 15| 15 Eer en oneer is in het spreken, en des mensen
52 5, 18| niet onwetende ook niet in enig ding, noch in het grote,
53 5, 18| niet in enig ding, noch in het grote, noch in het kleine.~ ~
54 5, 18| noch in het grote, noch in het kleine.~ ~
55 6, 1 | 1 WORD geen vijand in plaats van een vriend, want
56 6, 2 | 2 Verhef u niet in de raad uwer ziel, opdat
57 6, 6 | 6 Maak dat velen met u in vrede leven, doch heb maar
58 6, 7 | verkrijgen, zo krijg hem in de verzoeking en vertrouw
59 6, 8 | Want daar is menig vriend in zijn gelegene tijd, en blijft
60 6, 8 | tijd, en blijft u niet bij in de dag van uw verdrukking.~
61 6, 9 | vriend die veranderd wordt in een vijand, en die u in
62 6, 9 | in een vijand, en die u in het openbaar met verwijt
63 6, 10| zijn, en blijft u niet bij in de dag uwer verdrukking.~
64 6, 17| vreest, gedraagt zich recht in zijn vriendschap; want naar
65 6, 20| 20 Want in haar werking zult gij wel
66 6, 25| 25 En steek uw voeten in haar boeien, en uw hals
67 6, 25| haar boeien, en uw hals in haar halsijzer.~
68 6, 37| volkomen, en oefen u altijd in zijn bevelen, zo zal hij
69 7, 3 | 3 Mijn zoon, zaai niet in de voren der ongerechtigheid,
70 7, 6 | vreest, en een aanstoot legt in uw rechte handeling.~
71 7, 8 | tweemaal aan, want zelfs in een zult gij niet onschuldig
72 7, 10| 10 Wees niet kleinmoedig in uw gebed, en verzuim niet
73 7, 11| Belach de mens niet die in bitterheid zijner ziel is,
74 7, 14| 14 Spreek niet veel in de menigte der ouden, en
75 7, 14| wederhaal uw woord niet in uw gebed.~
76 7, 28| zult gij hun daarvoor geven in gelijkheid van hetgeen zij
77 7, 29| en houd zijn priesters in waarde; heb uit geheel uw
78 7, 37| 37 Wees niet traag in het bezoeken van de kranke;
79 7, 38| 38 In al uw doen gedenk aan uw
80 7, 38| uw uiterste, en gij zult in der eeuwigheid niet zondigen.~ ~
81 8, 1 | dat gij niet misschien in zijn handen valt.~
82 8, 7 | 7 Onteer niemand in zijn ouderdom, want ook
83 8, 9 | verteld wordt, en oefen uzelf in hun spreuken.~
84 8, 12| verstand leren, en hoe gij in de tijd als het nodig is
85 8, 13| gij niet verbrand wordt in het vuur zijner vlam.~
86 8, 19| gelijk als niets is het bloed in zijn ogen, en waar geen
87 9, 3 | gij niet te eniger tijd in haar strikken valt.~
88 9, 4 | eniger tijd gevangen wordt in haar handelingen.~
89 9, 5 | misschien geërgerd wordt in haar bestraffingen.~
90 9, 7 | 7 Zie niet om in de straten der stad, en
91 9, 7 | der stad, en dwaal niet om in de woeste plaatsen derzelve.~
92 9, 9 | leg u niet neder met haar in de armen.~
93 9, 11| gij met uw geest niet valt in het verderf.~
94 9, 15| hebben; gedenk dat zij tot in de hel toe niet, zullen
95 9, 18| 18 Weet, dat gij in het midden der strikken
96 9, 20| zijn, en laat uw roem zijn in de vreze des Heren.~
97 9, 22| klapachtig man is verschrikkelijk in zijn stad, en die te voortvarend
98 9, 22| en die te voortvarend is in zijn rede, zal gehaat worden.~ ~
99 10, 4 | 4 De macht op aarde is in de hand des Heren, en hij
100 10, 5 | 5 In de hand des Heren is des
101 10, 16| en heeft zachtmoedigen in hun plaats daarin gezet.~
102 10, 17| uit, en plant de nederigen in hun plaats met heerlijkheid.~
103 10, 21| hovaardigheid is niet geschapen in de mensen, noch de grimmige
104 10, 21| noch de grimmige toorn in degenen, die van vrouwen
105 10, 23| 23 In het midden der broeders
106 10, 29| werk doet, en poch niet in de tijd uwer benauwdheid.~
107 10, 30| beter dat iemand werkt, en in alles overvloed heeft, dan
108 10, 34| 34 Die geëerd wordt in armoede, hoeveel te meer
109 10, 34| armoede, hoeveel te meer ook in rijk dom. En die in rijkdom
110 10, 34| ook in rijk dom. En die in rijkdom ongeëerd is, hoeveel
111 10, 34| ongeëerd is, hoeveel te meer in ar moede.~ ~
112 11, 1 | hoofd verheffen, en hem in het midden der groten zetten.~
113 11, 4 | klederen die gij aandoet, en in de dag der heerlijkheid
114 11, 6 | lieden zijn overgeleverd in handen van anderen.~
115 11, 8 | eer gij gehoord hebt, en in het midden der woorden spreek
116 11, 9 | aangaat; en zit niet bij in het gericht der zondaren.~
117 11, 17| welbehagen maakt voorspoedig in der eeuwigheid.~
118 11, 20| 20 Sta in uw verbond, en verkeer daarin,
119 11, 21| 21 Verwonder u niet in de werken des zondaars,
120 11, 21| vertrouw de Here, en blijf in uw arbeid.~
121 11, 22| 22 Want het is in de ogen des Heren licht,
122 11, 23| 23 De zegen des Heren is in het loon van de godvrezende;
123 11, 23| loon van de godvrezende; en in een korte tijd doet hij
124 11, 25| en wat zal mij voortaan in dit leven voor kwaad geschieden?~
125 11, 26| 26 In de goede dagen vergeet men
126 11, 26| vergeet men het kwade, en in de kwade dagen wordt aan
127 11, 27| het is voor de Here licht, in de dag des doods de mens
128 11, 30| 30 Leid niet een ieder in uw huis, want de lagen van
129 11, 31| Gelijk een gevangen veldhoen in een kooi, alzo is het hart
130 11, 32| loert verkerende het goede in het kwade; ja in uitgelezen
131 11, 32| het goede in het kwade; ja in uitgelezen dingen zal hij
132 11, 35| 35 Laat een vreemde in uw huis wonen, en hij zal
133 12, 3 | 3 Die in het kwade voortgaat, die
134 12, 7 | 7 In voorspoed wordt de vriend
135 12, 7 | vijand wordt niet verborgen in tegenspoed.~
136 12, 8 | dan zijn zijn vijanden in droefheid, en als het hem
137 12, 9 | 9 Betrouw uw vijand in der eeuwigheid niet.~
138 12, 12| tijd zoeke uw zitplaats in te nemen, en gij ten laatste
139 12, 13| zondaar, en zich vermengt in zijn zonden.~
140 12, 14| zal een uur bij u blijven in een gerechte staat, en indien
141 12, 15| lippen zoet spreken, maar in zijn hart zal hij beraadslagen
142 12, 15| zal hij beraadslagen om u in een gracht te werpen.~
143 13, 2 | 2 Neem in uw leven geen last op, die
144 13, 10| En niet vernederd wordt in de verheuging uws harten.~
145 13, 12| 12 Val niet in iemands rede, opdat gij
146 13, 16| dingen hoort, zo waak zelfs in uw slaap.~
147 13, 22| ezels der leeuwen jacht zijn in de woestijn, zo zijn de
148 13, 29| en de armoede is kwaad in de mond des goddelozen.~
149 13, 30| of ten kwade, en een hart in genoegen groenende maakt
150 13, 31| vinding der gelijkenissen in overlegging met moeite.~ ~
151 14, 5 | hij zich niet verheugen in zijn goederen.~
152 14, 17| 17 Want men behoeft in het graf geen spijs te zoeken.~
153 14, 22| 22 Die zijn wegen in zijn hart bezint, die zal
154 14, 22| hart bezint, die zal ook in haar verborgenheden verstandig
155 14, 24| haar huis herberg neemt en in haar muren zijn paal slaat,
156 14, 25| 25 Zal herberg hebben in een herberg vol goeds, en
157 14, 26| worden voor de hitte, en in haar heerlijkheid zal hij
158 15, 5 | zijn naaste, en zij zal in het midden der vergadering
159 15, 9 | 9 De lof in de mond des zondaars voegt
160 15, 14| gemaakt, en hem gelaten in de hand zijns raads.~
161 15, 18| des Heren, en hij is sterk in kracht, en ziet alle dingen.~
162 16, 7 | 7 In de vergadering der zondaren
163 16, 10| verderfs, die uitgingen in hun zonden, die zij deden.~
164 16, 11| tezamen vergaderd waren in de hardigheid hunner harten,
165 16, 18| hetgeen daarin is, zullen in zijn bezoeking bewogen worden;
166 16, 22| onderzoeking aller dingen is in het einde.~
167 16, 27| heeft zijn werken versierd in eeuwigheid, hun beginselen
168 16, 27| beginselen door zijn hand in alle geslachten; zij hebben
169 16, 27| zijn niet vermoeid geweest in zijn maakselen, en zijn
170 16, 28| 28 En tot in eeuwigheid zullen zij zijn
171 16, 30| leven van alle gedierte, en in baar keren zij weder.~ ~
172 17, 1 | geschapen, en heeft hem weder in dezelve doen terugkeren.~
173 17, 7 | gelegd; hij heeft hun gegeven in eeuwigheid te mogen roemen
174 17, 7 | eeuwigheid te mogen roemen in zijn wonderen, opdat zij
175 17, 13| en, zij hebben hun harten in plaats van steen en geen
176 17, 14| 14 Want in de verdeling der volken
177 17, 20| geleiden uit de duisternis in een verlichting der gezondheid.~
178 17, 22| de Allerhoogste prijzen in het graf, in plaats der
179 17, 22| Allerhoogste prijzen in het graf, in plaats der levenden, en
180 17, 26| Want alle dingen kunnen in de mensen niet zijn, dewijl
181 18, 1 | 1 DIE in eeuwigheid leeft, heeft
182 18, 1 | leeft, heeft alle dingen in het gemeen geschapen.~
183 18, 20| gij zult verzoening vinden in de ure der bezoeking.~
184 18, 21| gij ziek wordt, en bewijs in de tijd der zonden uw bekering.~
185 18, 24| gramschap die komen zal in de dagen van de dood, en
186 18, 25| aan de tijd des hongers, in de tijd der volheid, aan
187 18, 25| volheid, aan armoede en gebrek in de dag des rijkdoms.~
188 18, 26| wijs mens vreest altijd, en in de dagen der zonden wacht
189 18, 29| 29 Die verstandig zijn in woorden, die handelen ook
190 18, 32| 32 Verheug u niet in de veelheid uwer lekkernijen,
191 18, 33| geld, daar gij niets hebt in de beurs, want anders zult
192 19, 5 | 5 Wie zich verheugt in het kwaaddoen, zal verdoemd
193 19, 6 | klappen haat, die neemt af in boosheid.~
194 19, 12| 12 Gelijk een pijl, die in de heup van het vlees vaststeekt,
195 19, 12| vaststeekt, zo is een woord in de buik van een dwaas.~
196 19, 16| geloven; menigeen struikelt in een woord en niet van harte,
197 19, 19| is de gehele wijsheid, en in alle wijsheid is de onderhouding
198 19, 22| degene, die overvloedig is in kloekheid, en de wet des
199 19, 24| boosheid doet, gaande gebukt in zwarte klederen, en het
200 20, 2 | is hij die geweld oefent in het gericht.~
201 20, 8 | zondaar heeft een welbehagen in boze dingen, en menige vond
202 20, 19| als een ontijdige klucht, in de mond der ongeschikten
203 20, 21| vanwege gebrek, en wordt in zijn rust niet doorprikkeld.~
204 20, 24| is een lelijke schandvlek in een mens, en in de mond
205 20, 24| schandvlek in een mens, en in de mond der ongeschikten
206 20, 29| wijzen, en gelijk een toom in de mond, keren zij de bestraffingen
207 20, 30| bekend is, wat nuttigheid is in beide?~
208 20, 31| onvermijdelijke verdraagzaamheid in degene, die de Here zoekt,
209 21, 7 | bestraffing haat, die staat in de voetstappen van de zondaar,
210 21, 20| van de voorzichtige wordt in de gemeente gezocht, en
211 21, 20| elkeen overdenkt zijn woorden in zijn hart.~
212 21, 23| dwaas verheft zijn stem in het lachen, maar een kloek
213 21, 25| is haastig tot een huis in te gaan, maar een mens,
214 21, 26| onwijze zal over de deur in het huis kijken, maar een
215 21, 29| 29 Het hart der dwazen is in hun mond, maar de mond der
216 21, 29| maar de mond der wijzen is in hun hart.~
217 22, 6 | verhaal is gelijk muziek in rouw, maar geselen en tuchtiging
218 22, 7 | 7 Kinderen, die in een goed leven worden opgevoed,
219 22, 7 | hun ouders; kinderen die in verachting en ongeschiktheid
220 22, 9 | het een sluimerende, en in het einde zal hij zeggen:
221 22, 16| gij zult niet verluieren in zijn zinneloosheid.~
222 22, 19| houten band, vast ingebonden in een ge bouw, niet los gaat
223 22, 22| Zo kan een bevreesd hart in de gedachte van de dwaas
224 22, 23| 23 Wie in een oog steekt, brengt daar
225 22, 23| daar tranen uit, en die in het hart steekt brengt het
226 22, 26| daar is verzoening, behalve in versmading en hovaardigheid,
227 22, 27| Bewijs trouw jegens uw naaste in zijn armoede; opdat gij
228 22, 28| 28 In de tijd der verdrukking
229 22, 28| die geen verstand heeft, in waarde te houden.~
230 23, 1 | levens, verlaat mij niet in hun raad, en laat mij niet
231 23, 2 | onderrichting der wijsheid in mijn hart? opdat gij Here
232 23, 6 | wie zij bewaart, die zal in zijn lippen niet gevangen
233 23, 7 | 7 De zondaar zal in zijn onvoorzichtigheid gevat
234 23, 13| die niet gevonden worden in het erfdeel Jakobs.~
235 23, 14| godvrezende, en zij zullen in de zonden niet ingewikkeld
236 23, 16| uw vader en moeder; want in het midden der groten zult
237 23, 30| en ten derde heeft zij in hoererij overspel bedreven,
238 23, 31| 31 Deze zal in de gemeente uitgestoten
239 24, 1 | wijsheid prijst zichzelf, en in het midden van haar volk
240 24, 2 | Zij doet haar mond open in de gemeente des Allerhoogsten,
241 24, 2 | Allerhoogsten, en beroemt zich in tegenwoordigheid van zijn
242 24, 4 | 4 Ik heb mijn tent in de hoogste plaatsen opgeslagen,
243 24, 4 | opgeslagen, en mijn troon in een wolkkolom.~
244 24, 5 | hemels omgegaan, en heb in de diepte der afgronden
245 24, 6 | 6 In de baren der zee, en op
246 24, 7 | heb ik rust gezocht, om in iemands erfenis te huis
247 24, 9 | 9 In Jakob zult gij uw tent opslaan,
248 24, 10| hij mij geschapen, en tot in eeuwigheid neem ik niet
249 24, 10| eeuwigheid neem ik niet af; in een heilige tabernakel heb
250 24, 10| heilige tabernakel heb ik in zijn tegenwoordigheid gediend;~
251 24, 11| 11 En zo ben ik in Sion bevestigd. In een geheiligde
252 24, 11| ben ik in Sion bevestigd. In een geheiligde stad heeft
253 24, 11| insgelijks doen rusten, en in Jeruzalem is mijn macht.~
254 24, 12| 12 En ben ingeworteld in een verheerlijkt volk, in
255 24, 12| in een verheerlijkt volk, in het deel des Heren, dat
256 24, 15| Gelijk een schone olijfboom in een fraai veld, en gelijk
257 24, 17| gelijk de damp des wierooks in de tabernakel.~
258 24, 26| bevolen heeft tot een erfdeel in de vergaderingen van Jakob,
259 24, 26| Bezwijkt niet, maar zijt sterk in de Here, opdat hij u krachtig
260 24, 27| Pison, en gelijk de Tigris in de dagen der nieuwe vruchten.~
261 24, 28| Eufraat, en gelijk de Jordaan in de dagen van de oogst.~
262 24, 29| licht, en gelijk de Gihon in de tijd wanneer men de druiven
263 24, 33| waterloop ben ik uitgegaan in het paradijs.~
264 24, 36| en doe ze schijnen tot in verre landen.~
265 25, 5 | 5 In uw jeugd hebt gij niet vergaderd,
266 25, 5 | hoe zoudt gij wat vinden in uw ouderdom?~
267 25, 9 | gedacht, en ze zalig geprezen in mijn hart, en het tiende
268 25, 12| gevonden heeft, en ze verhaalt in de oren der toehoorders.~
269 25, 22| 22 In het midden van zijn naasten
270 25, 28| Welke haar man niet troost in zijn benauwdheid, die maakt
271 26, 5 | voor het vierde word ik in mijn aangezicht bevreesd:~
272 26, 17| 17 Gelijk de zon opgaande in de hoogste plaatsen des
273 26, 17| schoonheid van een goede vrouw in het sieraad van haar huis.~
274 26, 18| schoonheid van haar aangezicht in de staande ouderdom.~
275 26, 20| beste kracht van uw leven in gezond heid, en geef de
276 26, 29| ieders mensen ziel, die deze in zeden gelijk is, zal zijn
277 26, 29| gelijk is, zal zijn leven in de oproeren des krijgs overbrengen.~
278 27, 4 | blijft des mensen vuiligheid in zijn uitspraak.~
279 27, 5 | maar de mens wordt beproefd in zijn samenspreking.~
280 27, 6 | der gedachten blijken wat in het hart des mensen is.~
281 27, 13| verdriet, en hun lachen bestaat in dartelheid der zonde.~
282 27, 24| anders spreken, en maken dat in uw woorden aanstoot is.~
283 27, 26| 26 Wie een steen in de hoogte werpt, die werpt
284 27, 30| 30 Die zich verheugen in de val der godvrezenden
285 27, 30| der godvrezenden zullen in een strik gevangen worden,
286 28, 7 | verderf en dood, maar blijf in de geboden.~
287 28, 10| hebben, werpt hij laster in.~
288 28, 11| 11 Hoe meer hout men in het vuur legt, hoe meer
289 28, 13| 13 Indien gij in een vonk blaast, zo zal
290 28, 14| hebben velen verdorven, die in vrede leefden.~
291 28, 15| heeft hen van het ene volk in het andere verzet,~
292 28, 26| de Here verlaten, zullen in haar vallen en in hen zal
293 28, 26| zullen in haar vallen en in hen zal zij worden ontstoken,
294 28, 30| struikelt, opdat gij niet valt in tegenwoordigheid desgenen,
295 29, 2 | 2 Leen uw naaste in de tijd zijner behoefte,
296 29, 11| 11 Evenwel in de vernedering uws naasten
297 29, 15| 15 Sluit uw aalmoes in uw schatkamers, en ze zal
298 29, 20| vlieden, en een onnut mens zal in zijn. gedachten verlaten
299 29, 23| de geboden des Heren zal in borgschap vervallen, en
300 29, 23| zware werken najaagt, zal in het gericht vallen.~
301 29, 28| ellendig leven uit het ene huis in het andere te vertrekken,
302 30, 2 | hem verblijd worden, en in het midden der vermaarde
303 30, 3 | jaloersheid verwekken en in tegenwoordigheid der vrienden
304 30, 5 | 5 In zijn leven zag hij hem,
305 30, 5 | was over hem verheugd, en in zijn dood was hij niet bedroefd.~
306 30, 11| 11 Geef hem geen macht in de jeugd, en overzie zijn
307 30, 12| 12 Buig hem zijn hals in de jeugd, en breek zijn
308 31, 16| en wrijf ze met hem niet in de schotel.~
309 31, 22| waken, en buikpijn, en pijn in de darmen, is bij een onverzadelijk
310 31, 25| 25 Zijt in al uw werken wakker, en
311 31, 26| 26 Degene die heerlijk is in spijs, zegenen de lippen,
312 31, 27| 27 Die karig is in spijs, over die murmureert
313 31, 28| 28 Toon u geen man in de wijn, want de wijn heeft
314 31, 28| want de wijn heeft er velen in het verderf gebracht.~
315 31, 29| is, zo doet ook de wijn in het hart der hovaardigen
316 31, 35| 35 Bestraf uw naaste niet in het wijngelag, en veracht
317 31, 35| wijngelag, en veracht hem niet in zijn verheuging.~
318 32, 6 | samenstemming der muzikanten in een wijngelag is gelijk
319 32, 7 | zoete wijn, is als een zegel in een smaragd op een gulden
320 32, 23| 23 Vertrouw uzelf in alle goede werken, want
321 33, 1 | ontmoeten, maar hij zal hem in verzoeking ook weder daaruit
322 33, 2 | is gelijk als een schip in een storm van vele baren.~
323 33, 7 | toch al het licht der dagen in het jaar van de zon komt?~
324 33, 8 | 8 Zij zijn in de kennis des Heren onderscheiden,
325 33, 13| 13 Zij zijn in zijn hand gelijk het leem
326 33, 14| 14 Zo is ook de mens in de hand desgenen, die hem
327 33, 20| als gij nog leeft en adem in u is, geef uzelf in niemands
328 33, 20| adem in u is, geef uzelf in niemands macht, over.~
329 33, 22| 22 Maak, dat gij in al uw werken anderen te
330 33, 23| 23 Verdeel uw erfgoed in de dag van de voleinding
331 33, 23| der dagen van uw leven, en in de tijd uws doods.~
332 34, 3 | 3 Wat men in de dromen ziet, is dit na
333 34, 5 | het hart ener vrouw die in barensnood is.~
334 34, 10| gedwaald heeft, is meerder in schranderheid.~
335 34, 11| Ik heb veel dingen gezien in mijn afdwaling, en het is
336 34, 12| 12 Menigmaal ben ik in gevaar geweest tot de dood
337 34, 21| 21 Hij slacht de zoon in tegenwoordigheid van zijn
338 35, 9 | Heb een vrolijk aangezicht in al uw gaven, en heilig uw
339 35, 22| volk, en hen doen verheugen in zijn barmhartigheid.~
340 35, 23| tijdig is de barmhartigheid in de tijd der verdrukking;
341 35, 23| zij is gelijk de wolken in de tijd der droogte.~ ~
342 36, 4 | ogen geheiligd zijt geweest in ons, dat gij ook voor ons
343 36, 4 | groot gemaakt moogt worden in hen.~
344 36, 13| stammen Jakobs, en stel hen in hun erfdeel, gelijk van
345 36, 17| zijn, en verwek profeten in uw naam.~
346 36, 28| betrouwen, die uit de ene stad in de andere sluipt; zo betrouwt
347 37, 4 | metgezel leeft met zijn vriend in verheuging, en in de tijd
348 37, 4 | vriend in verheuging, en in de tijd van verdrukking
349 37, 6 | 6 Vergeet uw vriend niet in uw hart, en stel hem niet
350 37, 6 | uw hart, en stel hem niet in vergetelheid, wanneer gij
351 37, 13| 13 Acht op deze niet in een van al uw beraadslagingen,
352 37, 16| 16 En in alle deze bid de Allerhoogste,
353 37, 23| vruchten van zijn verstand in zijn mond zijn prijzenswaardig.~
354 37, 27| zijn volk, en zijn naam zal in eeuwigheid blijven.~
355 37, 29| ieder neemt geen vermaak in alles.~
356 37, 30| Zijt niet onverzadelijk in alle lekkernijen, en stort
357 38, 3 | en bij de groten is hij in bewondering.~
358 38, 6 | mensen wetenschap gegeven, om in zijn wonderen verheerlijkt
359 38, 9 | 9 Mijn kind, in uw krankheid verzuim het
360 38, 13| mischien een tijd, dat er in hun handen een goede reuk
361 38, 15| hem gemaakt heeft, die zal in de handen van de geneesheer
362 38, 17| Ween bitter, en wees vurig in het geklag;~
363 38, 25| en wie verzuimachtig is in zijn handeling, die zal
364 38, 26| ploeg houdt, en roem draagt in de prikkel, die de ossen
365 38, 26| drijft, en opgevoed wordt in de werken derzelve, en die
366 38, 37| handen, en elk is verstandig in zijn werk.~
367 38, 38| worden, en men zal daar niet in wonen noch wandelen, doch
368 38, 38| niet gevorderd worden, en in de vergadering zullen zij
369 38, 40| en hun wens is dat zij in hun kunst werken mogen.~
370 38, 41| 41 In het algemeen, niemand wordt
371 38, 41| die zijn betrachting heeft in de wet des Allerhoogsten.~
372 39, 1 | aller ouden, en is bezig in de profetieën.~
373 39, 2 | vermaarde manen onthoudt hij, en in kloeke spreuken gaat hij
374 39, 3 | verborgen spreekwoorden, en in raadselen der spreuken oefent
375 39, 9 | een regen uitgieten, en in zijn gebed dankt hij de
376 39, 11| zijner leer te voorschijn, en in de wet van het verbond des
377 39, 12| verstand prijzen, en dat zal in eeuwigheid niet uitgewist
378 39, 13| zijn naam zal leven tot in alle geslachten.~
379 39, 15| 15 Indien hij in het leven blijft, zo zal
380 39, 19| en met citers; en zegt zo in uw dankzegging:~
381 39, 20| wat hij gebiedt geschiedt in zijn tijd; men mag niet
382 39, 22| 22 Al zijn welbehagen is in zijn gebod, en daar is niemand
383 39, 27| toorn, gelijk hij de wateren in pekel verkeert.~
384 39, 29| 29 Goede dingen zijn in het begin voor de goede
385 39, 31| zo worden ze de zondaar in kwaad verkeerd.~
386 39, 35| 35 In zijn bevel verheugen zij
387 39, 37| deze dingen overdacht en in geschrift nagelaten.~
388 40, 1 | de dag dat zij wederkeren in de moeder van allen.~
389 40, 3 | die vernederd is, zittende in aarde en as.~
390 40, 6 | daarna slaapt hij gelijk in de dagen der schildwacht.~
391 40, 7 | ontvloden is, en ontwakende in de tijd zijner behoudenis,
392 40, 11| worden, maar geloof zal in eeuwigheid bestaan.~
393 40, 16| zegeningen, en aalmoes blijft in eeuwigheid.~
394 40, 21| Het oog verlustigt zich in hetgeen dat aangenaam en
395 40, 21| aangenaam en schoon is, maar in de groente van het gezaaide
396 40, 21| van het gezaaide meer dan in beide.~
397 40, 23| Broeders en hulp zijn goed in de tijd der verdrukking,
398 40, 26| 26 Daar is in de vreze des Heren geen
399 40, 31| 31 In de mond des onbeschaamden
400 40, 31| de bedelarij zoet, maar in zijn buik zal een vuur branden.~ ~
401 41, 1 | van u, voor een mens, die in vrede leeft bij zijn goederen.~
402 41, 2 | heeft, en die het welgaat in alles, en nog sterk is om
403 41, 4 | 4 Voor een die in zijn uiterste ouderdom is,
404 41, 6 | wilt gij weigerend zijn in hetgeen de Allerhoogste
405 41, 7 | of duizend jaren leeft, in het graf is geen bestraffing
406 41, 8 | gruwelijke kinderen, en die in de gebuurschappen der goddelozen
407 41, 13| uit de aarde is, zal weder in de aarde keren; gelijk gaan
408 41, 16| maar een goede naam blijft in eeuwigheid.~
409 41, 17| kinderen, bewaart de tucht in vrede.~
410 41, 20| woord, want het is niet goed in alle dingen schaamte te
411 41, 20| dingen worden niet door allen in getrouwheid goed gekend.~
412 41, 24| voor schandelijke afwijzing in het ontvangen en uitgeven.~
413 42, 8 | uitgifte en ontvangst, in geschrift.~
414 42, 12| 12 En in haar jeugd vreest hij dat
415 42, 13| misschien ontreinigd, en in haars vaders huis zwanger
416 42, 14| u vrolijk zijn, dat men in de stad van u spreke en
417 42, 14| naroepe, en zij u beschame in de menigte van lieden.~
418 42, 15| van enig mens, en zit niet in het midden der vrouwen.~
419 42, 18| gezien heb zal ik vertellen: in de woorden des Heren ziet
420 42, 26| die is vóór de wereld en in der eeuwigheid.~
421 42, 29| dingen leven en blijven in der eeuwigheid in al hun
422 42, 29| blijven in der eeuwigheid in al hun gebruik en zijn hem
423 43, 2 | aanschouwt, verkondigt God in haar opgang; zij is een
424 43, 6 | gemaakt, dat zij staan zou in haar tijd, tot een aanwijzing
425 43, 8 | wassende is zij wonderbaar in haar verandering.~
426 43, 9 | hetwelk legerplaats heeft in de hoogte, schijnende in
427 43, 9 | in de hoogte, schijnende in het uitspansel des hemels.~
428 43, 10| gesternte, een sieraad lichtende in de hoogste plaatsen des
429 43, 11| en worden niet verhinderd in haar wacht.~
430 43, 12| heeft, die zeer schoon is in zijn schijnsel.~
431 43, 17| zijn donder brengt de aarde in barensnood, en door zijn
432 44, 3 | 3 Zij hebben geheerst in hun koninkrijken, en zijn
433 44, 3 | vermaarde mannen geweest in vermogen;~
434 44, 5 | 5 Leiders van het volk in de raadslagen, en in het
435 44, 5 | volk in de raadslagen, en in het verstand der beschreven
436 44, 6 | Wijze redenen zijn geweest in hun onderwijzing, en zij
437 44, 7 | sterkte, en vreedzaam levende in hun woningen.~
438 44, 8 | verheerlijkt geweest en in hun dagen beroemd.~
439 44, 12| erfdeel; hun nakomelingen zijn in de verbonden.~
440 44, 13| 13 Hun zaad is in de verbonden, en hun kinderen
441 44, 14| 14 Tot in der eeuwigheid blijft hun
442 44, 15| 15 Hun lichamen zijn in vrede begraven, en hun naam
443 44, 18| bevonden en rechtvaardig, in de tijd des toorns geschiedde
444 44, 20| niemand gevonden hem gelijk in zijn heerlijkheid, welke
445 44, 20| bewaard heeft, en met hem in een verbond geweest is.~
446 44, 21| 21 In zijn vlees heeft de Here
447 44, 21| het verbond opgericht, en in de verzoeking werd hij getrouw
448 44, 22| hij de vol ken zou zegenen in zijn zaad;~
449 44, 24| 24 En alzo heeft hij ook in Izaäk gesteld, om Abraham,
450 44, 25| 25 Die heeft hij gekend in zijn zegeningen, en hem
451 44, 25| heeft zijn deel gescheiden in stammen, die hij verdeeld
452 44, 25| die hij verdeeld heeft in twaalf.~
453 44, 26| die gunst gevonden heeft in de ogen van alle vlees.~ ~
454 45, 1 | bemind, wiens gedachtenis is in zegening.~
455 45, 5 | en heeft hem ingevoerd in het donker;~
456 45, 11| geluid te maken met geklank in het gaan; en een gerucht
457 45, 11| maken dat men horen kon in de tempel, en dat tot een
458 45, 13| gegraveerd, als een zegel in goud ingevat, een werk des
459 45, 19| te bedienen, en het volk in zijn naam te zegenen.~
460 45, 21| bevelen gegeven, en macht in de inzet tingen der rechten,
461 45, 22| opgestaan, en hebben hem benijd in de woestijn; mannen die
462 45, 23| daaraan, en zij zijn vernield in de grimmigheid van zijn
463 45, 26| hij hem brood toebereid in verzadiging; want zij eten
464 45, 27| 27 Doch in het land des volks had hij
465 45, 28| van Eleazar, is de derde in heerlijk heid, omdat hij
466 45, 28| omdat hij had geijverd in de vreze des Heren.~
467 45, 30| priesterdoms zou hebben in der eeuwigheid.~
468 45, 32| Hij geve ulieden wijsheid in uw hart om te richten zijn
469 45, 32| om te richten zijn volk in gerechtigheid, opdat hun
470 45, 32| en geve zijn heerlijkheid in hun geslachten.~ ~
471 46, 1 | zoon van Nun, was sterk in de oorlog, en kwam in Mozes'
472 46, 1 | sterk in de oorlog, en kwam in Mozes' plaats in de profetieën.~
473 46, 1 | en kwam in Mozes' plaats in de profetieën.~
474 46, 2 | werd, volgens zijn naam, in de verlossing zijner uitverkorenen;
475 46, 7 | oorlog tegen de volken, en in het afkomen tot hen vernielde
476 46, 10| voet, om hen te brengen in het erfdeel, in het land
477 46, 10| brengen in het erfdeel, in het land dat van melk en
478 46, 11| sterkte, die hem bijbleef tot in zijn ouderdom, dat hij opklom
479 46, 14| gebeente wederom spruit in hun plaats, en hun naam
480 46, 14| verwisseling vernieuwd worde in de zonen van hun beroemde
481 47, 1 | stond Nathan, de profeet, op in de dagen van David.~
482 47, 4 | 4 In zijn jeugd bracht hij een
483 47, 6 | Here aan, en die gaf hem in zijn rechterhand kracht
484 47, 6 | een mens, die machtig, was in de oorlog, om de hoorn zijns
485 47, 9 | 9 In al wat hij deed gaf hij
486 47, 13| en zijn hoorn verhoogd in eeuwigheid; en heeft hem
487 47, 13| de troon der heerlijkheid in Israël.~
488 47, 14| door hem heeft het volk in ruimte gewoond.~
489 47, 15| 15 Salomo regeerde in de tijd des vredes, en is
490 47, 15| en een heiligdom bereiden in der eeuwigheid.~
491 47, 16| 16 Hoe wijs was hij in zijn jeugd? en werd vervuld
492 47, 18| 18 Uw naam is verre tot in de eilanden gekomen, en
493 47, 18| gij zijt bemind geweest in uw vrede.~
494 47, 20| 20 In de naam des Heren, de God
495 47, 21| 21 En zijt met uw lichaam in haar macht gekomen.~
496 47, 22| dwaasheid, als de heerschappij in twee gescheurd werd, en
497 48, 6 | hebt koningen afgevoerd in het verderf, en die verheven
498 48, 9 | door een vurige draaiwind, in een wagen met vurige paarden.~
499 48, 11| u gezien hebben, en die in liefde ontslapen zijn.~
500 48, 13| met de Heilige Geest; en in zijn dagen werd hij niet
1-500 | 501-548 |