1-500 | 501-528
Chapter, Verse
1 1, 22| 22 Een toornig man zal niet kunnen gerechtvaardigd worden,
2 1, 28| wantrouw de vreze des Heren niet, en ga niet tot hem met
3 1, 28| vreze des Heren niet, en ga niet tot hem met een dubbel hart.~
4 1, 29| 29 Maar de geveinsden niet met monden der mensen: en
5 1, 30| 30 Verhef uzelf niet, opdat gij niet valt, en
6 1, 30| Verhef uzelf niet, opdat gij niet valt, en schande brengt
7 1, 32| gij tot de vreze des Heren niet met waarheid zijt gekomen,
8 2, 2 | hart en verdraag, en haast niet in de tijd, als deze over
9 2, 3 | 3 Hang hem aan, en wijk niet van hem af, opdat gij moogt
10 2, 9 | barmhartigheid en wijkt niet af, opdat gij niet valt.~
11 2, 9 | wijkt niet af, opdat gij niet valt.~
12 2, 15| een slap hart, omdat het niet gelooft, daarom zal het
13 2, 15| gelooft, daarom zal het niet beschermd worden.~
14 2, 18| vrezen, zullen zijn woorden niet ongehoorzaam zijn, en die
15 2, 22| de handen Gods vallen, en niet in de handen der mensen.~
16 3, 11| 11 Roem niet in de oneer uws vaders,
17 3, 13| ouderdom, en bedroef hem niet in uw leven.~
18 3, 14| uw vermogen dat gij hem niet onteert.~
19 3, 15| gij uw vader bewijst, zal niet vergeten worden.~
20 3, 23| zwaar zijn, onderzoek ze niet onbedacht, en die u te sterk
21 3, 23| sterk zijn ondertast ze niet uit dwaasheid. Wat u bevolen
22 3, 24| 24 Want het is u niet van node, verborgen dingen
23 3, 25| 25 Zijt niet ijdel bezig in overvloedigheid
24 3, 26| ontbreekt, zo verkondig die niet.~
25 4, 1 | stel de behoeftige ogen niet uit.~
26 4, 2 | Bedroef de hongerige ziel niet, en stel niemand uit zijn
27 4, 3 | Ontroer een verstoord hart niet verder, en onthoud de gave
28 4, 3 | de gave des behoeftigen niet.~
29 4, 4 | 4 Weiger de verdrukte niet die u smeekt, en keer uw
30 4, 4 | smeekt, en keer uw aangezicht niet af van de arme.~
31 4, 5 | behoeftige keer uw ogen niet af, en geef niemand oorzaak
32 4, 9 | die onrecht doet, en zijt niet kleinmoedig als gij oordeelt.~
33 4, 24| 24 En word niet beschaamd voor uw ziel.~
34 4, 26| 26 Neem de persoon niet aan tegen uw ziel, en word
35 4, 26| aan tegen uw ziel, en word niet schaamrood in uw ongeval.~
36 4, 27| 27 Weer het woord niet in de geschikte tijd der
37 4, 28| 28 En verberg uw wijsheid niet om aangenaam te zijn.~
38 4, 30| 30 Spreek de waarheid niet tegen in enig stuk, en word
39 4, 31| 31 Schaam u niet uw zonden te belijden, en
40 4, 31| bedwing de vloed des strooms niet.~
41 4, 32| de persoon des machtigen niet aan.~
42 4, 34| 34 Zijt niet stout met uw tong, en lui
43 4, 35| 35 Zijt niet als een leeuw in uw huis,
44 4, 36| 36 Laat uw hand niet uitgestrekt zijn om te nemen,
45 5, 1 | 1 HOUD u niet aan uw rijkdom, en zeg niet,
46 5, 1 | niet aan uw rijkdom, en zeg niet, hij is mij genoegzaam om
47 5, 2 | 2 Volg uw ziel niet, noch uw sterkte, om te
48 5, 3 | 3 Zeg niet: Wie zal mij onder zijn
49 5, 4 | 4 Zeg niet: Ik heb gezondigd, en welk
50 5, 4 | is lankmoedig, hij zal u niet laten heengaan.~
51 5, 5 | 5 Wees niet zonder vrees vanwege de
52 5, 6 | 6 En zeg niet: Zijn ontferming is groot,
53 5, 8 | 8 Verbeid niet u tot de Here te bekeren,
54 5, 8 | te bekeren, en stel het niet uit dag op dag.~
55 5, 10| 10 Steun niet op onrechtvaardige rijkdom,
56 5, 11| 11 Wan niet in allerlei wind, en ga
57 5, 11| in allerlei wind, en ga niet in allerlei pad, zo doet
58 5, 14| antwoord uw naasten; en indien niet, zo zij uw hand op uw mond.~
59 5, 18| 18 Wees niet onwetende ook niet in enig
60 5, 18| Wees niet onwetende ook niet in enig ding, noch in het
61 6, 2 | 2 Verhef u niet in de raad uwer ziel, opdat
62 6, 2 | uwer ziel, opdat uw ziel niet gelijk een stier herwaarts
63 6, 7 | verzoeking en vertrouw uzelf hem niet te haastig.~
64 6, 8 | gelegene tijd, en blijft u niet bij in de dag van uw verdrukking.~
65 6, 10| tafelgenoot te zijn, en blijft u niet bij in de dag uwer verdrukking.~
66 6, 21| en de harteloze blijft niet bij haar.~
67 6, 22| der beproeving, en hij zal niet vertoeven haar weg te werpen.~
68 6, 23| haar naam meebrengt, en is niet velen openbaar.~
69 6, 24| mening, en verwerp mijn raad niet;~
70 6, 28| geworden zijt, zo laat haar niet van u.~
71 6, 35| spreuken van het verstand niet ontgaan.~
72 7, 3 | 3 Mijn zoon, zaai niet in de voren der ongerechtigheid,
73 7, 3 | ongerechtigheid, zo zult gij niet zevenvoudig hetzelve maaien.~
74 7, 5 | 5 Rechtvaardig u niet voor de Here, en houd u
75 7, 5 | voor de Here, en houd u niet voor wijs bij de koning.~
76 7, 6 | 6 Zoek niet een rechter te worden, want
77 7, 6 | te worden, want gij mocht niet sterk genoeg zijn de ongerechtigheden
78 7, 6 | ongerechtigheden weg te nemen; dat gij niet te eniger tijd voor het
79 7, 7 | 7 Zondig niet tegen de menigte der stad,
80 7, 7 | der stad, en begeef uzelf niet onder het oproerige volk.~
81 7, 8 | 8 Bind een zonde niet tweemaal aan, want zelfs
82 7, 8 | want zelfs in een zult gij niet onschuldig zijn.~
83 7, 9 | 9 Zeg niet: Hij zal op de menigte mijner
84 7, 10| 10 Wees niet kleinmoedig in uw gebed,
85 7, 10| in uw gebed, en verzuim niet aalmoezen te geven.~
86 7, 11| 11 Belach de mens niet die in bitterheid zijner
87 7, 12| doe uw vriend desgelijken niet.~
88 7, 13| 13 Wil niet liegen enigerlei leugen,
89 7, 13| gedurig plegen der zelve komt niet ten goede.~
90 7, 14| 14 Spreek niet veel in de menigte der ouden,
91 7, 14| ouden, en wederhaal uw woord niet in uw gebed.~
92 7, 15| Haat de moeilijke arbeid niet, en de landbouw, die door
93 7, 16| 16 Reken uzelf niet onder de menigte der zondaren;
94 7, 16| zondaren; gedenk dat de toorn niet vertoeft.~
95 7, 18| 18 Verwissel uw vriend niet om enig middelmatig ding,
96 7, 19| 19 Het ontbreke u niet aan een wijze en goede vrouw,
97 7, 21| onthoud hem de vrijheid niet.~
98 7, 24| lichaam en stel uw aangezicht niet blijde tegen haar.~
99 7, 26| naar uw hart, werp haar niet uit, en geef u zelf aan
100 7, 26| geef u zelf aan een gehate niet over.~
101 7, 27| ganser harte, en vergeet niet de smarten van uw moeder.~
102 7, 29| en verlaat zijn dienaars niet.~
103 7, 35| verhinder de weldadigheid niet.~
104 7, 36| 36 Onttrek u niet van de wenende, en treur
105 7, 37| 37 Wees niet traag in het bezoeken van
106 7, 38| gij zult in der eeuwigheid niet zondigen.~ ~
107 8, 1 | geen machtig mens, dat gij niet misschien in zijn handen
108 8, 2 | 2 Twist niet met een rijk mens, opdat
109 8, 2 | mens, opdat hij u misschien niet overmag.~
110 8, 4 | 4 Strijd niet met een klapachtig mens,
111 8, 5 | 5 Scherts niet met een ongeschikte, opdat
112 8, 5 | opdat uw voorouders van hem niet onteerd worden.~
113 8, 8 | 8 Verblijd u niet over de dood van uw grootste
114 8, 9 | 9 Veracht niet hetgeen door de wijzen verteld
115 8, 11| 11 Dwaal niet af van de onderwijzing der
116 8, 13| Ontsteek de kolen des zondaars niet, opdat gij niet verbrand
117 8, 13| zondaars niet, opdat gij niet verbrand wordt in het vuur
118 8, 14| 14 Sta niet op tegen de smader, opdat
119 8, 14| smader, opdat hij uw mond niet bespiede.~
120 8, 17| 17 Richt niet tegen de rechter, want men
121 8, 18| 18 Wandel niet met een stoute, opdat hij
122 8, 18| een stoute, opdat hij u niet bezware, want hij zal naar
123 8, 19| met een toornige, en ga niet met hem door de woestijn,
124 8, 20| 20 Beraad u niet met een dwaas, want hij
125 8, 21| een vreemde, want gij weet niet wat hij baren zal.~
126 8, 22| 22 Verklaar uw hart niet aan ieder mens, en laat
127 9, 1 | 1 ZIJT niet jaloers op de vrouw van
128 9, 2 | 2 Geef uw ziel de vrouw niet, dat zij over uw ziel zou
129 9, 3 | vrouw tegemoet opdat gij niet te eniger tijd in haar strikken
130 9, 4 | 4 Ga niet om met een snarenspeelster,
131 9, 4 | snarenspeelster, dat gij niet te eniger tijd gevangen
132 9, 5 | 5 Aanschouw een maagd niet te zeer, dat gij niet misschien
133 9, 5 | maagd niet te zeer, dat gij niet misschien geërgerd wordt
134 9, 6 | 6 Geef uw ziel de hoeren niet over, opdat gij uw erfdeel
135 9, 6 | over, opdat gij uw erfdeel niet verliest.~
136 9, 7 | 7 Zie niet om in de straten der stad,
137 9, 7 | straten der stad, en dwaal niet om in de woeste plaatsen
138 9, 9 | vuur aangestoken, en leg u niet neder met haar in de armen.~
139 9, 10| getrouwde vrouw zit geheel en al niet.~
140 9, 11| met haar bij de wijn; dat niet te eniger tijd uw ziel tot
141 9, 11| neigt, en gij met uw geest niet valt in het verderf.~
142 9, 12| Verlaat een oude vriend niet, want de nieuwe is hem niet
143 9, 12| niet, want de nieuwe is hem niet gelijk.~
144 9, 14| Benijd de zondaar zijn eer niet, want gij weet niet welke
145 9, 14| eer niet, want gij weet niet welke zijn verandering is.~
146 9, 15| dat zij tot in de hel toe niet, zullen gerechtvaardigd
147 9, 16| zult de vrees des doods niet vermoeden.~
148 9, 17| tot hem komt zo vergrijp u niet, opdat bij u niet terstond
149 9, 17| vergrijp u niet, opdat bij u niet terstond uw leven beneme.~
150 10, 3 | 3 Een koning, die niet onderwezen is, zal zijn
151 10, 6 | 6 Vergram u niet op uw naaste over enig onrecht,
152 10, 21| 21 De hovaardigheid is niet geschapen in de mensen,
153 10, 22| daarentegen die op de wet niet achten, zijn een schandelijk
154 10, 26| 26 Het is niet recht dat men een arme onteert
155 10, 26| verstandig is, en het betaamt niet dat men een zondaar eert.~
156 10, 28| een man van wetenschap zal niet murmureren als hij onderwezen
157 10, 29| 29 Denk niet wijs te zijn als gij uw
158 10, 29| gij uw werk doet, en poch niet in de tijd uwer benauwdheid.~
159 11, 4 | 4 Pronk niet met de klederen die gij
160 11, 4 | der heerlijkheid verhef u niet, want wonderlijk zijn de
161 11, 5 | vloer gezeten en waar men niet op verdacht was, heeft de
162 11, 7 | 7 Berisp niet eer gij onderzocht hebt,
163 11, 8 | 8 Antwoord niet eer gij gehoord hebt, en
164 11, 8 | midden der woorden spreek niet tussenbeide.~
165 11, 9 | 9 Twist niet om een zaak die u niet aangaat;
166 11, 9 | Twist niet om een zaak die u niet aangaat; en zit niet bij
167 11, 9 | die u niet aangaat; en zit niet bij in het gericht der zondaren.~
168 11, 10| 10 Mijn kind, bemoei u niet met vele dingen, want indien
169 11, 10| veel aanneemt, gij zult niet onschuldig zijn; en indien
170 11, 10| najaagt, zo zult gij ze niet bereiken; en gij zult geenszins
171 11, 19| zonder ophouden, en hij weet niet wat tijd hem overkomen zal,
172 11, 21| 21 Verwonder u niet in de werken des zondaars,
173 11, 24| 24 Zeg niet: Wat heb ik van node te
174 11, 25| 25 Zeg niet: Ik heb genoeg, en hetgeen
175 11, 26| dagen wordt aan het goede niet gedacht.~
176 11, 30| 30 Leid niet een ieder in uw huis, want
177 11, 34| smeedt boze dingen; dat hij u niet te eniger tijd een eeuwige
178 12, 2 | vergelding vinden, en is het niet bij hem, immers bij de Allerhoogste.~
179 12, 3 | kwade voortgaat, die zal het niet wèl gaan, noch degene, die
180 12, 4 | vreest, en neem u de zondaar niet aan.~
181 12, 5 | goed, en geef de goddeloze niet. Onthoud hem uw brood, en
182 12, 5 | hem uw brood, en geef hem niet, opdat hij u daardoor niet
183 12, 5 | niet, opdat hij u daardoor niet overweldige, want dubbel
184 12, 6 | is, en neem u de zondaar niet aan.~
185 12, 7 | voorspoed wordt de vriend niet uitgeworpen, en de vijand
186 12, 7 | uitgeworpen, en de vijand wordt niet verborgen in tegenspoed.~
187 12, 9 | vijand in der eeuwigheid niet.~
188 12, 11| gewaar worden, dat hij die niet tot het einde toe verroest
189 12, 12| 12 Stel hem niet nevens u, opdat hij niet
190 12, 12| niet nevens u, opdat hij niet te eniger tijd u omgekeerd
191 12, 12| op uw plaats, en zet hem niet aan uw rechterzijde, dat
192 12, 12| uw rechterzijde, dat hij niet te eniger tijd zoeke uw
193 12, 14| zoudt uitwijken, zo zal hij niet volharden.~
194 12, 16| tijd zal vinden, zo zal hij niet verzadigd kunnen worden
195 13, 6 | uitledigen, en zelf zal hij niet arbeiden.~
196 13, 9 | 9 Wacht u dat gij niet verleid wordt door uw gedachten,~
197 13, 10| 10 En niet vernederd wordt in de verheuging
198 13, 12| 12 Val niet in iemands rede, opdat gij
199 13, 12| iemands rede, opdat gij niet zonder kennis der zaak verstoten
200 13, 12| verstoten wordt, en sta ook niet te ver af, opdat gij niet
201 13, 12| niet te ver af, opdat gij niet vergeten wordt.~
202 13, 13| 13 Tracht niet met hem te spreken, en betrouw
203 13, 13| betrouw op zijn vele woorden niet, want met veel te spreken
204 13, 14| is hij die zijn woorden niet houdt, en hij zal geenszins
205 14, 1 | 1 ZALIG is de man die niet feilt met zijn mond, en
206 14, 1 | feilt met zijn mond, en niet doorprikkeld wordt met de
207 14, 2 | Zalig is hij, die zijn ziel niet verdoemt, en die niet vervalt
208 14, 2 | ziel niet verdoemt, en die niet vervalt van zijn hoop, die
209 14, 5 | zijn? zelfs zal hij zich niet verheugen in zijn goederen.~
210 14, 12| 12 Gedenk dat de dood niet zal vertoeven, en het verbond
211 14, 12| het verbond des grafs is u niet getoond.~
212 14, 14| 14 Onttrek uzelf niet van de goede dag, en laat
213 14, 14| deel der goede begeerte u niet voorbijgaan.~
214 14, 15| 15 Zult gij niet uw arbeid een ander moeten
215 15, 4 | gevestigd worden, en zal niet wankelen, en hij zal zich
216 15, 4 | zich aan haar houden, en niet beschaamd worden.~
217 15, 7 | Onverstandige mensen zullen haar niet begrijpen.~
218 15, 8 | leugenaars gedenken aan haar gans niet.~
219 15, 9 | mond des zondaars voegt niet wel, omdat hij hem van de
220 15, 9 | omdat hij hem van de Here niet is gezonden.~
221 15, 11| 11 Zeg niet: De Here is oorzaak, dat
222 15, 11| hetgeen hij haat moet gij niet doen.~
223 15, 12| 12 Zeg niet, hij heeft mij gemaakt,
224 15, 12| want hij heeft de zondaar niet van node.~
225 15, 13| allerlei gruwel, en ze is niet bemind van degenen die hem
226 16, 1 | 1 VERLANG niet naar een onnutte menigte
227 16, 1 | van kinderen, en verheug u niet over goddeloze zonen; indien
228 16, 1 | vermenigvuldigen verheug u over hen niet, zo de vreze des Heren bij
229 16, 1 | vreze des Heren bij hen niet is.~
230 16, 2 | 2 Vertrouw op hun leven niet, en acht hun menigte niet.~
231 16, 2 | niet, en acht hun menigte niet.~
232 16, 8 | 8 Hij is niet verzoend geworden over al
233 16, 9 | 9 Hij verschoonde die niet, bij welke Lot woonde; aan
234 16, 10| 10 Hij ontfermde zich niet over het volk des verderfs,
235 16, 14| 14 De zondaar zal niet ontvlieden met zijn roof;
236 16, 14| verwachting van de godzalige zal niet achterblijven.~
237 16, 15| Faraö verhard, dat hij hem niet kende, opdat zijn werken
238 16, 16| 16 Zeg niet: Ik zal mij voor de Here
239 16, 17| groot volk zal men aan mij niet gedenken, want wat is mijn
240 16, 20| hart overdenkt deze dingen niet behoorlijk.~
241 16, 21| storm wind, welke de mens niet zien kan; en het meerderdeel
242 16, 27| geen honger gehad, en zijn niet vermoeid geweest in zijn
243 16, 27| zijn maakselen, en zijn niet be zweken van zijn werken,
244 16, 27| zweken van zijn werken, niet een heeft zijn naaste verdrukt;~
245 16, 28| eeuwigheid zullen zij zijn woord niet ongehoorzaam zijn.~
246 17, 13| 13 Hun wegen zullen niet verborgen zijn voor zijn
247 17, 14| der liefde, en begeeft hem niet.~
248 17, 16| Hun ongerechtigheden zijn niet verborgen voor hem, en al
249 17, 23| dode, als die van een die niet meer is, gaat de dankzegging
250 17, 26| dingen kunnen in de mensen niet zijn, dewijl geen mensenzoon
251 18, 5 | wonderen des Heren zijn niet te verminderen noch te vermeerderen,
252 18, 5 | te vermeerderen, en zijn niet uit te speuren.~
253 18, 16| 16 Zal niet de dauw de hitte doen ophouden?
254 18, 17| 17 Zie, is een woord niet boven een goed geschenk?
255 18, 22| 22 Laat u niet hinderen uw belofte te betalen
256 18, 22| bekwamer tijd, en verwijl niet tot aan de dood rechtvaardig
257 18, 23| uw gelofte doet, en wees niet gelijk een die de Here verzoekt.~
258 18, 26| maar een dwaas zal de tijd niet waarnemen.~
259 18, 30| 30 Ga uw lusten niet na, maar bedwing u van uw
260 18, 32| 32 Verheug u niet in de veelheid uwer lekkernijen,
261 18, 32| uwer lekkernijen, en wees niet begerig naar haar raad.~
262 18, 33| 33 Word niet arm, makende gelagen van
263 19, 1 | die een dronkaard is, zal niet rijk worden, en die het
264 19, 6 | bedwingt, zal met degene die niet twistig is, leven; en wie
265 19, 7 | nimmermeer, en het zal u niet wezen tot vermindering.~
266 19, 8 | zonde is, zo openbaar het niet.~
267 19, 10| welgemoed, want het zal u niet doen barsten.~
268 19, 13| misschien heeft hij het niet gedaan, en zo hij het gedaan
269 19, 13| gedaan heeft, dat hij het niet te eniger tijd meer doe.~
270 19, 14| misschien heeft hij het niet gezegd, en zo hij het gezegd
271 19, 14| hij het ten tweeden male niet zegge.~
272 19, 16| 16 Laat uw hart niet elk woord geloven; menigeen
273 19, 16| struikelt in een woord en niet van harte, en wie is er
274 19, 16| is er die met zijn tong niet struikelt?~
275 19, 17| Allerhoogsten plaats, en word niet toornig.~
276 19, 19| Gelijk het u behaagt zal ik niet doen, indien hij het daarna
277 19, 25| de dove; indien gij hem niet gewaar wordt, zal hij u
278 20, 4 | die zwijgt, want hij heeft niet te antwoorden, en menigeen
279 20, 9 | Daar is menige gave die u niet bevorderlijk zal zijn, en
280 20, 13| u, die ze ontvangen hebt niet bevorderlijk zijn, en desgelijks
281 20, 20| worden, want hij spreekt die niet op de bekwame tijd.~
282 20, 21| gebrek, en wordt in zijn rust niet doorprikkeld.~
283 20, 30| verborgen is, en een schat die niet bekend is, wat nuttigheid
284 21, 14| 14 Wie niet kloek is, die zal niet onderwezen
285 21, 14| Wie niet kloek is, die zal niet onderwezen worden, hoewel
286 21, 21| anders dan woorden, die men niet onderzoeken kan.~
287 21, 28| verhalen dingen die hun niet aangaan, maar de woorden
288 22, 14| 14 Spreek niet lang met een onwijze, en
289 22, 14| lang met een onwijze, en ga niet tot een onverstandige, want
290 22, 15| gij geen moeite hebt, en niet bezoedeld wordt, als hij
291 22, 16| rust vinden, en gij zult niet verluieren in zijn zinneloosheid.~
292 22, 19| ingebonden in een ge bouw, niet los gaat door een schudding,
293 22, 21| gezet tegen de wind, kunnen niet blijven,~
294 22, 25| tegen uw vriend, zo wanhoop niet, want daar is wederkering.~
295 22, 26| opengedaan hebt, zo vrees niet, want daar is verzoening,
296 22, 28| want de geringe staat is niet altijd te verachten, noch
297 22, 30| te beschermen zal ik mij niet schamen, en voor zijn aangezicht
298 22, 30| zijn aangezicht zal ik mij niet verbergen, zelfs zo mij
299 22, 31| op mijn lippen, opdat ik niet schielijk valse vanwege
300 22, 31| vanwege mijn tong, en zij mij niet verderve?~ ~ ~
301 23, 1 | gansen levens, verlaat mij niet in hun raad, en laat mij
302 23, 1 | in hun raad, en laat mij niet vallen onder hen.~
303 23, 2 | Here mijn onwetendheden niet verschoont, en de moedwil
304 23, 2 | moedwil der openbare zondaren niet voorbijgaat;~
305 23, 3 | Opdat mijn onwetendheden niet vermenigvuldigd worden,
306 23, 3 | vermenigvuldigd worden, en mijn zonden niet vermeerderen tot verplettering,
307 23, 3 | tot verplettering, en ik niet valle voor degenen die mij
308 23, 5 | des buiks, en de bij slaap niet innemen, en geef mij, uw
309 23, 5 | en geef mij, uw knecht, niet over aan een onbeschaamd
310 23, 6 | die zal in zijn lippen niet gevangen worden.~
311 23, 8 | 8 Gewen uw mond niet tot zweren, en gewen u niet
312 23, 8 | niet tot zweren, en gewen u niet de heilige te noemen.~
313 23, 9 | heilige noemt, van de zonde niet gereinigd.~
314 23, 10| gesel zal van zijn huis niet wijken.~
315 23, 11| op hem, en indien hij het niet acht, zo zondigt hij dubbel.~
316 23, 12| gezworen heeft, hij zal niet gerechtvaardigd worden,
317 23, 13| de dood bekleed; laat die niet gevonden worden in het erfdeel
318 23, 14| zij zullen in de zonden niet ingewikkeld worden.~
319 23, 15| 15 Gewen uw mond niet tot onmatig eedzweren, want
320 23, 17| 17 Dat gij niet te eniger tijd bij hen wordt
321 23, 17| gij zoudt willen dat gij niet geboren waart geweest, en
322 23, 18| al de dagen zijns levens niet onderwezen worden.~
323 23, 20| brandend vuur; het wordt niet uitgeblust tot het verslonden
324 23, 21| hoererij bedrijft, rust niet totdat hij een vuur ontstoken
325 23, 22| allerlei brood zoet; hij zal niet aflaten totdat hij zijn
326 23, 24| Allerhoogste zal aan mijn zonden niet gedenken, en de ogen der
327 23, 25| 25 En hij verstaat niet, dat de ogen van de Allerhoogste
328 23, 28| gegrepen worden waar hij het niet heeft gemeend.~
329 23, 33| en haar versmaadheid zal niet uitgewist worden.~
330 24, 10| tot in eeuwigheid neem ik niet af; in een heilige tabernakel
331 24, 24| 24 Die mij eten, zullen niet hongeren, en die mij drinken,
332 24, 24| die mij drinken, zullen niet dorsten.~
333 24, 25| naar mij arbeiden zullen niet zondigen.~
334 24, 26| Jakob, zeggende: Bezwijkt niet, maar zijt sterk in de Here,
335 24, 30| 30 De eerste heeft haar niet volkomen gekend, en zo heeft
336 24, 30| zo heeft de laatste haar niet uitgespeurd.~
337 24, 38| 38 Ziet gij dan, dat ik niet voor mij alleen heb gearbeid,
338 25, 5 | 5 In uw jeugd hebt gij niet vergaderd, en hoe zoudt
339 25, 11| woont, en die met de tong niet struikelt, en die niet dient
340 25, 11| tong niet struikelt, en die niet dient degene, die zijns
341 25, 11| dient degene, die zijns niet waardig is.~
342 25, 13| wijsheid vindt! doch hij is niet boven degene, die de Here
343 25, 17| plaag is te verdragen, maar niet de plaag des harten, en
344 25, 17| en alle boosheid, doch niet de boosheid van een vrouw;~
345 25, 18| 18 Alle inval, doch niet de inval dergenen die haten,
346 25, 18| haten, en alle wraak, doch niet de wraak der vijanden.~
347 25, 25| 25 Geef u niet over aan de schoonheid van
348 25, 28| 28 Welke haar man niet troost in zijn benauwdheid,
349 25, 31| 31 Gaat zij niet naar uw hand, zo snijd haar
350 26, 9 | toorn, en kan haar schande niet bedekken.~
351 26, 11| dochter zeer nauw, opdat zij niet, wanneer zij ruimte vindt,
352 26, 12| onbeschaamd oog, en verwonder u niet, indien zij verkeerd tegen
353 26, 20| geef de vreemde uw sterkte niet.~
354 26, 33| mishandeling; en een waard zal niet gerechtvaardigd worden van
355 27, 3 | 3 Indien iemand zich niet naarstig aan de vreze des
356 27, 18| geopenbaard hebben, zo volg hem niet na.~
357 27, 20| naaste verlaten, en zult hem niet weder vangen.~
358 27, 21| 21 Volg hem niet, want hij is verre van u
359 27, 28| herberg nemen, en hij zal niet weten vanwaar het hem komt.~
360 28, 20| scherpte des zwaards, doch niet zo velen als er gevallen
361 28, 21| die door haar gramschap niet is gegaan;~
362 28, 22| 22 Die haar juk niet getrokken heeft, en met
363 28, 22| heeft, en met haar banden niet is gebonden geweest.~
364 28, 25| door haar vlam zullen zij niet verbranden.~
365 28, 26| zij worden ontstoken, en niet uitgeblust worden;~
366 28, 30| 30 Neemt acht dat gij niet enigszins daarin struikelt,
367 28, 30| daarin struikelt, opdat gij niet valt in tegenwoordigheid
368 29, 8 | 8 Maar indien niet, zo berooft hij hem van
369 29, 11| lankmoedig, en stel hem niet uit met uw aalmoes.~
370 29, 12| vanwege het gebod, en keer u niet af van zijn behoeftigheid.~
371 29, 13| broeders wil, en verberg dat niet onder een steen tot verderfenis.~
372 29, 18| 18 Vergeet de weldaden niet van hen, die voor u borg
373 29, 24| heb acht op uzelf dat gij niet valt.~
374 29, 25| huis dat bedekt hetgeen niet wel voegt.~
375 29, 27| aan het grote, opdat gij niet hoort het verwijt van uw
376 29, 28| zult, daar zult gij de mond niet durven opendoen.~
377 30, 4 | gestorven, zo is het alsof hij niet gestorven ware, want hij
378 30, 5 | en in zijn dood was hij niet bedroefd.~
379 30, 10| 10 Lach niet met hem, opdat u geen smart
380 30, 11| overzie zijn onwetend heden niet.~
381 30, 12| nog een kind is, opdat hij niet te eniger tijd verhard zijnde,
382 30, 13| werk van hem, opdat gij u niet stoot aan zijn ongeregeldheid.~
383 30, 19| afgod nut? want hij eet niet, en hij riekt niet; zo gaat
384 30, 19| hij eet niet, en hij riekt niet; zo gaat het hem die door
385 30, 21| 21 Begeef uw ziel niet tot droefheid, en kwel uzelf
386 30, 21| droefheid, en kwel uzelf niet door uw eigen raad.~
387 31, 5 | Wie goud liefheeft die zal niet gerechtvaardigd worden;
388 31, 8 | wordt, en die naar het goud niet gaat.~
389 31, 10| kunnen overtreden, en heeft niet overtreden? en kwaad doen,
390 31, 10| kwaad doen, en heeft het niet gedaan?~
391 31, 12| zo doe uw keel over deze niet wijd open;~
392 31, 13| 13 En zeg niet: Daar is veel opgezet.~
393 31, 16| 16 Steek uw hand niet uit daar hij heenziet, en
394 31, 16| heenziet, en wrijf ze met hem niet in de schotel.~
395 31, 18| voorgezet wordt, en zijt niet vraatzuchtig, opdat gij
396 31, 18| vraatzuchtig, opdat gij niet gehaat wordt.~
397 31, 19| onderwezen zijt, en zijt niet onverzadelijk, opdat gij
398 31, 19| onverzadelijk, opdat gij niet te eniger tijd aanstoot
399 31, 20| velen aanzit, steek uw hand niet eerder uit dan zij.~
400 31, 21| onderwezen is; en hij hijgt niet op zijn bed, hij heeft een
401 31, 24| mijn kind, en veracht mij niet, en gij zult ten laatste
402 31, 35| 35 Bestraf uw naaste niet in het wijngelag, en veracht
403 31, 35| wijngelag, en veracht hem niet in zijn verheuging.~
404 31, 36| verwijtend woord, en verdruk hem niet, wanneer hij u ontmoet.~ ~
405 32, 1 | overste gesteld, verhef u niet, maar wees bij hen als een
406 32, 5 | toeluistert, giet daar uw rede niet uit, en zijt niet wijs buiten
407 32, 5 | uw rede niet uit, en zijt niet wijs buiten tijds.~
408 32, 10| onder de groten, maak u hun niet gelijk, en waar oude lieden
409 32, 10| waar oude lieden zijn, heb niet veel gekakel.~
410 32, 12| bij tijds wakker, en zijt niet van de laatsten; loop heen
411 32, 12| heen naar huis, en vertraag niet.~
412 32, 13| gij voorgenomen hebt, maar niet met zonden en hovaardige
413 32, 19| man veracht de bedenking niet, maar een vreemde en hovaardige
414 32, 19| hovaardige is voor vrees niet vervaard, en nadat hij iets
415 32, 20| gedaan hebt, laat het u niet berouwen.~
416 32, 21| 21 Ga niet op de weg waarop men lichtelijk
417 32, 22| 22 Vertrouw op de weg niet, die zonder aanstoot is,
418 33, 2 | Een wijs man zal de wet niet haten maar wie daarin geveinsd
419 33, 17| 17 Merkt dat ik niet voor mij alleen heb gearbeid,
420 33, 19| aan geen ander, opdat gij niet berouw hebbende daarom behoeft
421 33, 27| tot het i werk, opdat hij niet ledig ga, want de ledigheid
422 33, 29| 29 Indien hij niet gehoorzaam is, verzwaar
423 33, 29| verzwaar zijn boeien, doch wees niet te streng jegens iemands
424 34, 6 | ze door de Allerhoogste u niet zijn toegezonden, om u te
425 34, 6 | zo geef uw hart daartoe niet.~
426 34, 10| 10 Die niet ervaren is, weet weinig,
427 34, 15| geen ding vrezen, en zal niet vervaard wezen, want hij
428 34, 19| der goddelozen behagen God niet.~
429 34, 20| menigte der slachtoffers niet verzoend.~
430 35, 4 | 4 Verschijn niet ledig voor het aangezicht
431 35, 7 | gedachtenis daarvan zal niet vergeten worden.~
432 35, 8 | eerstelingen uwer handen niet.~
433 35, 12| 12 Besnoei uw gave niet, want hij zou ze niet aannemen,
434 35, 12| gave niet, want hij zou ze niet aannemen, en bemoei u met
435 35, 14| zich tegen de arme stelt niet aannemen, maar de smeking
436 35, 15| zal het smeken der wezen niet verachten, noch de weduwe
437 35, 16| 16 Vlieten niet de tranen der weduwe af
438 35, 18| de wolken, en hij wordt niet getroost, totdat hij nabij
439 35, 18| nabij gekomen is, en laat niet af totdat de Allerhoogste
440 35, 19| 19 Ook zal de Here niet vertragen, en de machtige
441 35, 19| vertragen, en de machtige zal niet lankmoedig zijn over hen,
442 36, 2 | over al de volken die u niet zoeken.~
443 36, 25| genezing, zo is haar man niet gelijk andere mensenkinderen.~
444 36, 28| zo betrouwt men een mens niet, die geen nest heeft, en
445 37, 2 | 2 Blijft de droefheid niet tot de dood toe wanneer
446 37, 6 | 6 Vergeet uw vriend niet in uw hart, en stel hem
447 37, 6 | in uw hart, en stel hem niet in vergetelheid, wanneer
448 37, 7 | 7 Beraad u niet met hem die u overdwars
449 37, 9 | zichzelf raad geven, opdat hij niet misschien het lot over u
450 37, 11| 11 Beraad u niet met hem, die u overdwars
451 37, 13| 13 Acht op deze niet in een van al uw beraadslagingen,
452 37, 20| velen, en hij is zijn ziel niet nut.~
453 37, 22| door de Here die genade niet gegeven, dewijl hij van
454 37, 28| schadelijk is, en geef het haar niet.~
455 37, 29| Want alle dingen zijn allen niet nut, en ieder neemt geen
456 37, 30| 30 Zijt niet onverzadelijk in alle lekkernijen,
457 37, 30| lekkernijen, en stort u niet heen op de spijzen.~
458 38, 4 | voorzichtig man verontwaardigt ze niet.~
459 38, 5 | 5 Is het water niet zoet geworden van een hout,
460 38, 9 | uw krankheid verzuim het niet, maar bid de Here, en hij
461 38, 11| vette offerande, als die niet eerst begint, en geef de
462 38, 12| hem geschapen, en laat hem niet van u, want gij behoeft
463 38, 16| veracht zijn begrafenis niet.~
464 38, 21| 21 Begeef uw hart niet tot droefheid, zet ze van
465 38, 22| 22 Vergeet dat niet, want vandaar is geen wederkomst,
466 38, 25| zijn handeling, die zal niet wijs worden.~
467 38, 38| worden, en men zal daar niet in wonen noch wandelen,
468 38, 38| van het volk zullen zij niet gevorderd worden, en in
469 38, 38| de vergadering zullen zij niet overgaan.~
470 38, 39| der rechters zitten zij niet, en het verbond van het
471 38, 39| van het recht verstaan zij niet, en brengen geen onderwijzing
472 38, 40| spreuken worden bij hen niet gevonden, maar zij bevestigen
473 39, 12| en dat zal in eeuwigheid niet uitgewist worden.~
474 39, 13| 13 Zijn gedachtenis zal niet vergaan, en zijn naam zal
475 39, 20| geschiedt in zijn tijd; men mag niet zeggen: Wat is dit? want
476 39, 25| 25 Men mag niet zeggen: Wat is dit? want
477 39, 36| overtreden zij het woord niet.~
478 39, 39| 39 En men mag niet zeggen: Dit is bozer dan
479 40, 7 | hij verwonderd dat hij om niet gevreesd heeft.~
480 40, 14| nakomelingen der goddelozen zullen niet vele takken uitschieten,
481 41, 5 | Vrees het oordeel des doods niet; gedenk aan degenen die
482 41, 18| verborgen is, en een schat, die niet te voorschijn komt, wat
483 41, 20| mijn woord, want het is niet goed in alle dingen schaamte
484 41, 20| houden, en alle dingen worden niet door allen in getrouwheid
485 41, 27| een dienstmaagd, stelt u niet bij haar bed.~
486 41, 28| gegeven hebt verwijt hem dat niet.~
487 42, 1 | 1 SCHAAM u niet vanwege deze navolgende
488 42, 4 | 4 En schaam u niet, dat gij nauw let op de
489 42, 9 | 9 En schaam u niet dat gij een onverstandige
490 42, 12| vreest hij dat zij misschien niet veroude, en is zij getrouwd,
491 42, 12| getrouwd, dat zij misschien niet gehaat worde.~
492 42, 13| 13 Is zij maagd, dat zij niet misschien ontreinigd, en
493 42, 13| hebbende een man, dat zij niet misschien overtrede, en
494 42, 13| overtrede, en getrouwd zijnde, niet misschien onvruchtbaar zij.~
495 42, 14| wrevelige dochter, dat zij niet misschien make dat uw vijanden
496 42, 15| 15 Zie niet op de schoonheid van enig
497 42, 15| schoonheid van enig mens, en zit niet in het midden der vrouwen.~
498 42, 20| Here heeft zijn heiligen niet gegeven al zijn wonderheden
499 42, 25| voorbij; daar is voor hem ook niet een woord verborgen.~
500 43, 11| veroordeling, en worden niet verhinderd in haar wacht.~
1-500 | 501-528 |