1-500 | 501-528
Chapter, Verse
501 43, 29| zeggen, maar wij zouden het niet kunnen bereiken, en opdat
502 43, 33| sterkte toe; doch vermoeit u niet, want gij zult het niet
503 43, 33| niet, want gij zult het niet bereiken.~
504 44, 10| vergaan zijn gelijk of zij niet geweest waren; en zijn geworden
505 44, 11| barmhartigheid, welker gerechtigheden niet zijn vergeten.~
506 44, 14| en hun heerlijkheid zal niet uitgedelgd worden.~
507 44, 19| met hem opgericht, opdat niet alle vlees door de zond
508 45, 15| hem zijn dergelijke dingen niet geweest;~
509 45, 32| gerechtigheid, opdat hun goederen niet verdwijnen, en geve zijn
510 46, 5 | 5 En is de zon niet door zijn hand achterwaarts
511 46, 5 | achterwaarts gegaan? En is niet een dag als twee geworden?~
512 46, 9 | volk te verhinderen dat het niet zou zondigen en om de boze
513 46, 13| naam, welker aller hart niet heeft gehoereerd, en zo
514 46, 13| gehoereerd, en zo velen niet zijn afgekeerd van de Here,
515 47, 8 | vijanden rondom, en bracht tot niet de Filistijnen die tegen
516 47, 23| verliet zijn barmhartigheid niet, en werd gans niet afgewend
517 47, 23| barmhartigheid niet, en werd gans niet afgewend van zijn werken.~
518 47, 24| van zijn uitverkorenen ook niet uit, en nam het zaad desgenen,
519 47, 24| die hem had liefgehad, niet weg.~
520 48, 13| en in zijn dagen werd hij niet bewogen door de oversten,
521 48, 16| dingen bekeerde zich het volk niet, en stond van hun zonden
522 48, 16| en stond van hun zonden niet af totdat zij als een roof
523 50, 4 | voor zijn volk, dat het niet viel.~
524 51, 6 | midden des vuurs, dat ik niet verbrand ben;~
525 51, 13| mijns Heren aan, dat hij mij niet wilde verlaten in de dag
526 51, 28| gekregen, daarom zal ik niet verlaten worden.~
527 51, 31| Gemaakt tot mij, gij die niet onderwezen zijt, en overnacht
528 51, 37| des Heren, en schaamt u niet hem te prijzen.~
1-500 | 501-528 |