Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
vallen 9
valse 2
valt 9
van 475
vandaar 1
vangen 1
vanwaar 2
Frequency    [«  »]
554 die
548 in
528 niet
475 van
473 hij
415 zal
317 hem

Het boek Ecclesiasticus

IntraText - Concordances

van

    Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 ALLE wijsheid is van de Here, en is met hem in 2 1, 2 | der zee en de droppelen van de regen en de dagen der 3 1, 4 | verstand der kloekheid is van de eeuwen af.~ 4 1, 12| laatste dagen, en in de dag van zijn dood zal hij gezegend 5 1, 15| en zij maakt hen dronken van haar vruchten.~ 6 1, 16| wellustigheden, en haar schuren van haar gewas;~ 7 1, 19| wetenschap en de kennis van het verstand uit als een 8 1, 24| verbergen, maar de lippen van velen zullen zijn verstand 9 1, 32| gekomen, en uw hart vol is van bedrog.~ 10 2, 3 | Hang hem aan, en wijk niet van hem af, opdat gij moogt 11 2, 4 | overkomen, en in de verandering van uw vernedering zijt lankmoedig.~ 12 2, 13| en barmhartige, moedig en van grote barmhartigheid, vergeeft 13 2, 20| Die hem liefhebben, zullen van zijn wet verzadigd worden.~ 14 3, 9 | 9 Opdat zegening van mensen over u kome.~ 15 3, 18| verwekt, die is vervloekt van de Here.~ 16 3, 24| 24 Want het is u niet van node, verborgen dingen met 17 3, 32| toekomende, en hij zal in de tijd van zijn val een steunsel vinden.~ ~ 18 4, 4 | keer uw aangezicht niet af van de arme.~ 19 4, 5 | 5 Van de behoeftige keer uw ogen 20 4, 9 | onrecht lijdt uit de hand van hem die onrecht doet, en 21 4, 10| en hun moeder in plaats van een man.~ 22 4, 22| hem overlaten in de handen van zijn ongeval.~ 23 4, 23| des tijds waar, en wacht u van het boze.~ 24 4, 30| schaamrood over de leugen van uw ongeschiktheid.~ 25 6, 1 | WORD geen vijand in plaats van een vriend, want zulk een 26 6, 6 | leven, doch heb maar een van duizenden die uw raadgever 27 6, 8 | blijft u niet bij in de dag van uw verdrukking.~ 28 6, 12| tegen u zijn, en zal zich van uw aangezicht verbergen.~ 29 6, 13| 13 Scheid u af van uw vijanden, en wacht u 30 6, 18| verkies de onderwijzing van uw jeugd aan, en tot uw 31 6, 20| worden, en haast zult gij van haar gewas eten.~ 32 6, 28| zijt, zo laat haar niet van u.~ 33 6, 35| horen, en laat u de spreuken van het verstand niet ontgaan.~ 34 6, 36| betrede gestadig de trappen van zijn deuren.~ 35 7, 2 | 2 Wijk af van de ongerechtige, en de zonde 36 7, 2 | ongerechtige, en de zonde zal van u wijken.~ 37 7, 4 | 4 Begeer van de Here geen heerschappij, 38 7, 4 | Here geen heerschappij, en van de koning geen heerlijke 39 7, 23| onderwijs ze, en buig hun hals van de jeugd aan.~ 40 7, 27| 27 Eer uw vader van ganser harte, en vergeet 41 7, 27| vergeet niet de smarten van uw moeder.~ 42 7, 28| daarvoor geven in gelijkheid van hetgeen zij u gegeven hebben?~ 43 7, 36| 36 Onttrek u niet van de wenende, en treur met 44 7, 37| niet traag in het bezoeken van de kranke; want om zulke 45 8, 5 | ongeschikte, opdat uw voorouders van hem niet onteerd worden.~ 46 8, 6 | Verwijt geen mens die zich van zonde afkeert; gedenk dat 47 8, 8 | Verblijd u niet over de dood van uw grootste vijand, gedenk 48 8, 10| 10 Want van hen zult gij onderwijzing 49 8, 11| 11 Dwaal niet af van de onderwijzing der ouden, 50 8, 11| want zij hebben ook geleerd van hun vaderen.~ 51 8, 12| 12 Want van hen zult gij verstand leren, 52 9, 1 | niet jaloers op de vrouw van uw schoot, en leer haar 53 9, 8 | 8 Wend uw oog af van een schone vrouw, en beschouw 54 9, 16| 16 Verwijder van de mens die macht heeft 55 10, 8 | 8 Een koninkrijk wordt van het ene volk tot het andere 56 10, 13| hovaardigheid is, wanneer een mens van de Here afwijkt, en zijn 57 10, 13| afwijkt, en zijn hart afwijkt van degene die hem gemaakt heeft.~ 58 10, 20| gedachtenis doen ophouden van de aarde.~ 59 10, 21| grimmige toorn in degenen, die van vrouwen geboren zijn.~ 60 10, 28| vrijen dienen; en een man van wetenschap zal niet murmureren 61 11, 1 | 1 DE wijsheid van de nederige zal zijn hoofd 62 11, 6 | zijn overgeleverd in handen van anderen.~ 63 11, 12| traag is, hebbende hulp van node, het ontbreekt hem 64 11, 13| 13 En verheft zijn hoofd van het verderven; en velen 65 11, 14| armoede en rijkdom zijn van de Here.~ 66 11, 15| wetenschap, en kennis der wet is van de Here; liefde en wegen 67 11, 15| wegen der goede werken zijn van hem.~ 68 11, 18| en dit is nu zijn deel van zijn loon.~ 69 11, 19| rust gevonden, nu zal ik van mijn goederen eten zonder 70 11, 23| des Heren is in het loon van de godvrezende; en in een 71 11, 24| 24 Zeg niet: Wat heb ik van node te behagen, en voor 72 11, 28| vergeet, en aan het einde van de mens is de ontdekking 73 11, 30| in uw huis, want de lagen van de lasteraar zijn vele.~ 74 11, 33| 33 Van een kleine vonk wordt de 75 11, 35| onrust verstoren, en zal u van enige uwer eigen goederen 76 12, 8 | dan scheidt ook de vriend van hem af.~ 77 12, 11| bedwing uzelf, en wacht u van hem, en gij zult hem zijn 78 12, 13| over een bezweerder, die van een slang gebeten is? en 79 12, 16| verzadigd kunnen worden van uw bloed.~ 80 13, 24| bewogen wordt, zo wordt hij van zijn vrienden onderstut; 81 13, 24| zo wordt hij daarenboven van zijn vrienden verstoten.~ 82 13, 31| aangezicht is een teken van een hart dat wel gesteld 83 14, 2 | verdoemt, en die niet vervalt van zijn hoop, die hij op de 84 14, 4 | Wie vergadert onttrekkende van zijn ziel, die vergadert 85 14, 4 | anderen, en vreemden zullen van zijn goederen lekker leven.~ 86 14, 9 | 9 Het oog van de gierigaard wordt met 87 14, 9 | verzadigd, en de ongerechtigheid van de boze doet zijn ziel uitdrogen.~ 88 14, 14| 14 Onttrek uzelf niet van de goede dag, en laat het 89 14, 18| kleed, want het verbond van de eeuw aan is dit: Gij 90 14, 19| is het met het geslacht van het vlees en van het bloed, 91 14, 19| geslacht van het vlees en van het bloed, het ene sterft 92 14, 21| en die met zijn verstand van heilige dingen spreekt.~ 93 14, 26| 26 Hij zal van haar beschermd worden voor 94 15, 8 | geenszins zien; zij is verre van hovaardigheid, en leugenaars 95 15, 9 | niet wel, omdat hij hem van de Here niet is gezonden.~ 96 15, 12| hij heeft de zondaar niet van node.~ 97 15, 13| gruwel, en ze is niet bemind van degenen die hem vrezen.~ 98 15, 14| 14 Hij heeft van den beginne de mens gemaakt, 99 15, 19| en hij zal kennis nemen van alle werken des mensen.~ 100 16, 1 | naar een onnutte menigte van kinderen, en verheug u niet 101 16, 5 | 5 Want van een verstandige zal een 102 16, 14| roof; en de verwachting van de godzalige zal niet achterblijven.~ 103 16, 25| onderwijzing tevoorschijn brengen van gewicht, en zijn wetenschap 104 16, 26| oordeel zijn zijn werken van het begin en van dat zij 105 16, 26| werken van het begin en van dat zij gemaakt zijn, heeft 106 16, 27| en zijn niet be zweken van zijn werken, niet een heeft 107 16, 30| 30 Hij bedekt het leven van alle gedierte, en in baar 108 17, 2 | Hij heeft hun een getal van dagen, en een bestemde tijd 109 17, 12| 12 Wacht u van alle ongerechtigheid, en 110 17, 12| geboden gegeven, elk een van zijn naaste.~ 111 17, 13| hem, maar ieder mens is van de jeugd af geneigd tot 112 17, 13| hebben hun harten in plaats van steen en geen vlesen kunnen 113 17, 14| de verdeling der volken van het ganse aardrijk heeft 114 17, 20| Allerhoogste, en keer u af van ongerechtigheid, want hij 115 17, 23| 23 Van een dode, als die van een 116 17, 23| 23 Van een dode, als die van een die niet meer is, gaat 117 17, 24| Maar die leeft en gezond van hart is, zal de Here prijzen.~ 118 18, 2 | daarin hetgeen heilig is van het onheilige.~ 119 18, 4 | 4 Wie zal de kracht van zijn majesteit uitrekenen? 120 18, 8 | vele, maar het ontslapen van een ieder kan van niemand 121 18, 8 | ontslapen van een ieder kan van niemand berekend worden.~ 122 18, 9 | rekenen tegen het water van de zee, en een greintje 123 18, 12| 12 De barmhartigheid van de mens gaat over zijn naaste, 124 18, 18| weldaad onbeleefd, en de gift van een nijdig mens doet hem 125 18, 24| die komen zal in de dagen van de dood, en aan de tijd 126 18, 26| 26 Van 's morgens vroeg tot op 127 18, 30| niet na, maar bedwing u van uw begeerten.~ 128 18, 31| zielen toereikt de lust van haar welbehagen, zo zult 129 18, 33| niet arm, makende gelagen van ontleend geld, daar gij 130 18, 33| gij een verspieder zijn van uw eigen leven, waar men 131 18, 33| uw eigen leven, waar men van spreken zal.~ ~ 132 19, 4 | vertrouwt die is lichtvaardig van hart, en die tegen zijn 133 19, 8 | noch bij vijand het leven van anderen, en indien het u 134 19, 12| een pijl, die in de heup van het vlees vaststeekt, zo 135 19, 12| is een woord in de buik van een dwaas.~ 136 19, 16| struikelt in een woord en niet van harte, en wie is er die 137 19, 18| aanneming, en de wijsheid die van hem komt verkrijgt liefde; 138 19, 19| 19 De vreze van de Here komende, is de gehele 139 19, 24| klederen, en het binnenste van hem is vol van vurig bedrog.~ 140 19, 24| binnenste van hem is vol van vurig bedrog.~ 141 19, 26| En indien hij bij gebrek van sterkte verhinderd wordt 142 20, 2 | 2 Gelijk de lust van een gesnedene is om een 143 20, 6 | Die te veel woorden heeft, van die heeft men een gruwel, 144 20, 10| vernederd wordt uit oorzaak van de pracht; en menigeen is 145 20, 13| 13 De gave van een onwijze zal u, die ze 146 20, 13| zijn, en desgelijks ook van een nijdige, vanwege zijn 147 20, 15| wedereisen; de zodanige is van de Here en van de mensen 148 20, 15| zodanige is van de Here en van de mensen gehaat.~ 149 20, 16| brood eten spreken kwalijk van mij.~ 150 20, 26| 26 De manieren van een leugenachtig mens zijn 151 20, 31| Here een bestuurder te zijn van zijn eigen leven.~ ~ 152 21, 6 | 6 De smeking van de arme gaat uit de mond 153 21, 7 | staat in de voetstappen van de zondaar, en wie de Here 154 21, 7 | vreest, die bekeert zich van harte.~ 155 21, 8 | machtig is met de tong, die is van verre bekend, maar een verstandige 156 21, 9 | 9 Wie zijn huis met geld van andere lieden bouwt, die 157 21, 11| 11 De weg van de zondaar is van stenen 158 21, 11| De weg van de zondaar is van stenen geëffend, doch aan 159 21, 13| 13 Maar de voleinding van de vreze des Heren is de 160 21, 15| 15 De kennis van een wijze zal vermeerderd 161 21, 16| 16 Het binnenste van de dwaas is gelijk een gebroken 162 21, 19| 19 De vertelling van een dwaas is gelijk een 163 21, 19| de weg, maar op de lippen van de verstandige wordt aangenaamheid 164 21, 20| 20 De mond van de voorzichtige wordt in 165 21, 21| vergaan is, zo is de vrijheid van de dwaas, en de kennis van 166 21, 21| van de dwaas, en de kennis van de onverstandige niets anders 167 21, 25| 25 De voet van de dwaas is haastig tot 168 22, 4 | dochter zal erfgenaam zijn van haar man, maar een die beschaamd 169 22, 5 | vader en man beschaamd, en van beiden zal zij ongeëerd 170 22, 6 | rechter tijd is een werk van wijsheid.~ 171 22, 7 | verbergen de slechte afkomst van hun ouders; kinderen die 172 22, 7 | bevlekken de edele afkomst van hun geslacht.~ 173 22, 12| 12 Want het leven van een dwaas is boven de dood.~ 174 22, 16| 16 Wijk van hem, en gij zult rust vinden, 175 22, 20| pleisterwerk aan de muur van een pand.~ 176 22, 22| bevreesd hart in de gedachte van de dwaas tegen geen vrees 177 22, 26| hovaardigheid, en openbaring van hetgeen verborgen is, en 178 23, 3 | over mij verblijd worde, van welke de hoop van uw barmhartigheid 179 23, 3 | worde, van welke de hoop van uw barmhartigheid verre 180 23, 4 | een stout gemoed altijd van uw knechten af.~ 181 23, 5 | 5 Weer van mij af ijdele hoop en begeerte, 182 23, 6 | kinderen, de onderwijzing van een waarachtige mond, en 183 23, 9 | wordt, geen gebrek heeft van striemen, zo wordt die zweert 184 23, 9 | doorgaans de heilige noemt, van de zonde niet gereinigd.~ 185 23, 10| ongerechtigheid, en de gesel zal van zijn huis niet wijken.~ 186 23, 13| 13 Het is een wijze van spreken rondom met de dood 187 23, 14| dingen zullen verre zijn van de godvrezende, en zij zullen 188 23, 19| 19 Tweeërlei soort van mensen vermenigvuldigen 189 23, 23| 23 Een mens die aftreedt van zijn bed, zegt bij zichzelf: 190 23, 25| verstaat niet, dat de ogen van de Allerhoogste Here tienduizend 191 23, 29| man verlaat, en een erve van een ander bekomt.~ 192 23, 32| uitspreiden, en de takken van haar zullen geen vrucht 193 23, 35| een lang leven, dat gij van hem aangenomen wordt.~ ~ 194 24, 1 | zichzelf, en in het midden van haar volk beroemt zij zich.~ 195 24, 2 | zich in tegenwoordigheid van zijn kracht, zeggende:~ 196 24, 3 | 3 Ik ben van de mond des Allerhoogsten 197 24, 10| 10 Vóór de wereld, van den beginne heeft hij mij 198 24, 13| cypresseboom op de bergen van Hermon.~ 199 24, 16| 16 Ik heb een goede reuk van mij gegeven, gelijk als 200 24, 21| dingen, namelijk die mij van hem toegezegd worden.~ 201 24, 22| begeert, en verzadigt u van mijn gewas.~ 202 24, 26| leert het boek des verbonds van God de Allerhoogste, de 203 24, 26| erfdeel in de vergaderingen van Jakob, zeggende: Bezwijkt 204 24, 28| gelijk de Jordaan in de dagen van de oogst.~ 205 24, 32| gelijk een gedolven gracht van een rivier;~ 206 25, 3 | 3 Drieërlei soort van mensen haat mijn ziel, en 207 25, 17| boosheid, doch niet de boosheid van een vrouw;~ 208 25, 21| 21 De boosheid van een vrouw verandert haar 209 25, 22| 22 In het midden van zijn naasten zal haar man 210 25, 23| klein tegen de boosheid van een vrouw; en het lot des 211 25, 24| zandachtige opgang voor de voeten van een oud man, alzo is een 212 25, 25| niet over aan de schoonheid van een vrouw, en begeer geen 213 25, 26| haar man toereikt dat hij van node heeft.~ 214 25, 29| 29 Van de vrouw is het begin der 215 25, 31| uw hand, zo snijd haar af van uw vlees, geef een scheidbrief 216 26, 4 | 4 En het hart van zo'n man is goed tot de 217 26, 6 | stad, en de vergadering van het volk, en leugen tegen 218 26, 10| 10 De hoererij van een vrouw wordt bekend aan 219 26, 13| hij een fontein vindt, en van alle water dat nabij is 220 26, 15| vrouw die weinig spreekt, en van een goed gemoed is, is een 221 26, 16| genade, en daar is geen ding van zulk gewicht dat waardig 222 26, 17| zo is ook de schoonheid van een goede vrouw in het sieraad 223 26, 17| goede vrouw in het sieraad van haar huis.~ 224 26, 18| zo is ook de schoonheid van haar aangezicht in de staande 225 26, 20| bewaar de beste kracht van uw leven in gezond heid, 226 26, 22| overblijvende, en vrijmoedigheid van het edele geslacht hebbende, 227 26, 27| die de man onteert, zal van allen gekend worden, dat 228 26, 32| 32 Als iemand van de gerechtigheid wederkeert 229 26, 33| koopman is nauwelijks vrij van mishandeling; en een waard 230 26, 33| niet gerechtvaardigd worden van zonde.~ ~ 231 27, 5 | De oven proeft de vaten van de pottenbakker, maar de 232 27, 6 | 6 Gelijk de vrucht van de boom doet blijken hoe 233 27, 11| 11 Het verhaal van de godvrezende is altijd 234 27, 21| niet, want hij is verre van u weg, en is het ontvloden 235 27, 23| dingen, en wie die kent zal van hem afwijken.~ 236 28, 1 | zichzelf wreekt, die zal van de Here wraak vinden, en 237 28, 9 | 9 Onthoud u van strijd, en gij zult de zonden 238 28, 15| velen bewogen, en heeft hen van het ene volk in het andere 239 28, 17| verdreven, en heeft haar beroofd van haar arbeid.~ 240 28, 19| 19 De slag van de gesel maakt striemen, 241 29, 6 | tijd uit, en geeft reden van zijn zorgeloosheid en wijt 242 29, 8 | niet, zo berooft hij hem van zijn geld, en maakt hem 243 29, 10| zulke boosheid, wenden zich van de mens af, en vrezen dat 244 29, 10| mens af, en vrezen dat zij van het hunne mochten beroofd 245 29, 12| gebod, en keer u niet af van zijn behoeftigheid.~ 246 29, 18| Vergeet de weldaden niet van hen, die voor u borg geworden 247 29, 23| vervallen, en die aanneming van zware werken najaagt, zal 248 29, 25| 25 Het voornaamste van het leven des mensen is 249 29, 26| des armen onder een deksel van planken, is beter dan heerlijke 250 29, 27| gij niet hoort het verwijt van uw huis.~ 251 29, 31| 31 Ga uit, inwoner, van dat heerlijk aangezicht, 252 29, 32| het huis, en het verwijt van die hem geleend heeft.~ ~ 253 30, 1 | bezigen, opdat hij eindelijk van hem verheugd worde.~ 254 30, 2 | vermaarde lieden zal hij van hem roemen.~ 255 30, 13| uw zoon, en maak uw werk van hem, opdat gij u niet stoot 256 30, 14| arme die gezond en sterk van lijf en leden is, die is 257 30, 15| Gezondheid en welgesteld te zijn van lichaam, is beter dan al 258 30, 23| en stel droefheid verre van u.~ 259 31, 18| 18 Eet gelijk een mens van hetgeen u voorgezet wordt, 260 32, 1 | maar wees bij hen als een van henlieden.~ 261 32, 3 | zijn, zo rust, opdat gij van hunnentwege verheugd zijt, 262 32, 6 | wijngelag is gelijk een zegel van een karbonkel op een gulden 263 32, 8 | gij jongeling, als het u van node is, en zulks nauwe 264 32, 12| tijds wakker, en zijt niet van de laatsten; loop heen naar 265 32, 14| heeft, en u dronken maakt van zijn goederen.~ 266 33, 2 | als een schip in een storm van vele baren.~ 267 33, 5 | 5 Het binnenste van de zot is gelijk het rad 268 33, 7 | licht der dagen in het jaar van de zon komt?~ 269 33, 9 | 9 Van deze heeft hij sommige verhoogd 270 33, 10| 10 En alle mensen komen van de aardbodem, en uit de 271 33, 12| vervloekt en vernederd en ze van hun staat af gestort.~ 272 33, 23| Verdeel uw erfgoed in de dag van de voleinding der dagen 273 33, 23| de voleinding der dagen van uw leven, en in de tijd 274 33, 26| touw buigen voor de hals van een os, maar de pijnbank 275 34, 1 | 1 DE hoop van een onverstandige man is 276 34, 3 | dat, evenals de gelijkheid van het aangezicht tegen het 277 34, 4 | 4 Van het onreine, wat zal daarvan 278 34, 4 | daarvan gereinigd worden? en van de leugenaar, welke waarheid 279 34, 19| 19 Die van onrechtvaardig goed offert, 280 34, 21| zoon in tegenwoordigheid van zijn vader, die een slachtoffer 281 34, 21| een slachtoffer toebrengt van het geld der armen.~ 282 34, 24| vergiet bloed, die het loon van de dagloner rooft.~ 283 34, 27| welke nuttigheid heeft hij van zijn wassing?~ 284 35, 3 | welbehagen dat men afsta van boosheid, en afstaan van 285 35, 3 | van boosheid, en afstaan van ongerechtigheid is verzoening.~ 286 35, 6 | 6 De offerande van de rechtvaardige maakt het 287 35, 22| hebben geoordeeld het recht van zijn volk, en hen doen verheugen 288 36, 12| 12 Verbrijzel de hoofden van de oversten der volken, 289 36, 13| hen in hun erfdeel, gelijk van het begin.~ 290 36, 17| Geef getuigenis degenen die van den beginne af uw bezittingen 291 36, 19| knechten, naar de zegen van Aäron over uw volk, en allen 292 36, 21| De keel smaakt de spijs van het wildbraad, zo onderkent 293 37, 4 | verheuging, en in de tijd van verdrukking zal hij hem 294 37, 12| hebt over de voleinding van het werk, noch met een trage 295 37, 13| Acht op deze niet in een van al uw beraadslagingen, maar 296 37, 13| bij een godvrezende man, van wie gij weet dat hij de 297 37, 15| 15 Want de ziel van de man pleegt somtijds wat 298 37, 17| 17 Het begin van het werk is de rede, en 299 37, 18| aangezicht is een teken van de verandering der vreugde.~ 300 37, 19| 19 Vier soorten van dingen vertonen zich: namelijk 301 37, 20| arglistig man, een onderwijzer van velen, en hij is zijn ziel 302 37, 22| niet gegeven, dewijl hij van alle wijsheid beroofd is.~ 303 37, 23| zichzelf, en de vruchten van zijn verstand in zijn mond 304 37, 24| eigen volk, en de vruchten van zijn verstand zijn gewis.~ 305 37, 26| 26 Het leven van een man heeft een getal 306 37, 26| der dagen, maar de dagen van Israël zijn ontelbaar.~ 307 38, 2 | 2 Want de genezing is van de Allerhoogste, en door 308 38, 3 | 3 De wetenschap van de geneesheer verhoogt zijn 309 38, 5 | water niet zoet geworden van een hout, opdat zijn kracht 310 38, 8 | werken hebben geen einde, en van hem komt gezondheid op de 311 38, 10| 10 Sta af van misdaden, en houd de hand 312 38, 10| recht, en reinig uw hart van alle zonde.~ 313 38, 11| reuk, en een gedachtenis van meelbloem, en breng hem 314 38, 12| geschapen, en laat hem niet van u, want gij behoeft hem.~ 315 38, 15| heeft, die zal in de handen van de geneesheer vallen.~ 316 38, 19| 19 Want van droefheid komt de dood, 317 38, 20| droefheid, en het leven van een arme is een vervloeking 318 38, 21| niet tot droefheid, zet ze van u, gedachtig zijnde aan 319 38, 25| 25 De wijsheid van een schriftgeleerde wordt 320 38, 25| door de goede gelegenheid van de ledige tijd, en wie verzuimachtig 321 38, 26| werken derzelve, en die van jonge stieren weet te spreken?~ 322 38, 31| ijzerwerk gade; de damp van het vuur versmelt zijn vlees, 323 38, 32| 32 De klank van de hamer en het aanbeeld 324 38, 32| tegenover de gelijkenis van het vat.~ 325 38, 38| wandelen, doch tot de raad van het volk zullen zij niet 326 38, 39| zij niet, en het verbond van het recht verstaan zij niet, 327 39, 5 | 5 Het land van vreemde volken doorreist 328 39, 11| voorschijn, en in de wet van het verbond des Heren roemt 329 39, 18| een lelie; geeft een reuk van u, en zingt een lofzang.~ 330 39, 21| hoop, en door het woord van zijn mond de boezem der 331 39, 23| 23 De werken van alle vlees zijn voor zijn 332 39, 24| 24 Van eeuw tot eeuw ziet hij daarop, 333 39, 37| 37 Daarom ben ik van het begin af hierin bevestigd 334 40, 1 | zwaar juk op de kinderen van Adam; van die dag af dat 335 40, 1 | op de kinderen van Adam; van die dag af dat zij uit hun 336 40, 1 | wederkeren in de moeder van allen.~ 337 40, 2 | harten, zo is de betrachting van hetgeen zij te verwachten 338 40, 5 | het bed verandert de slaap van de nacht zijn kennis.~ 339 40, 7 | ontroerd door het gezicht van zijn hart, gelijk een die 340 40, 8 | gaat het met alle vlees, van de mens af tot op het vee, 341 40, 9 | zwaard, en bloed; invoering van de honger, en der verplettering, 342 40, 9 | en der verplettering, en van de gesel; deze dingen alle 343 40, 10| 10 Al wat van aarde is, keert wederom 344 40, 10| wederom tot aarde, en al wat van water is, wendt zich weder 345 40, 15| aan alle water en oever van een stroom zal voor alle 346 40, 21| schoon is, maar in de groente van het gezaaide meer dan in 347 41, 1 | bitter is de gedachtenis van u, voor een mens, die in 348 41, 9 | 9 Het erfdeel van de kinderen der zondaars 349 41, 18| wat nuttigheid heeft men van beide?~ 350 41, 24| Schaamt u voor verachting van Gods waarheid en verbond; 351 41, 25| vanwege het aanschouwen van een lichte vrouw; en dat 352 41, 25| gij uw aangezicht afwendt van een mens die edel is.~ 353 41, 27| 27 Van te veel u met anderen te 354 41, 27| anderen te bemoeien, en van een dienstmaagd, stelt u 355 41, 29| 29 Schaamt u van weder te gaan zeggen hetgeen 356 42, 14| zijn, dat men in de stad van u spreke en het volk u naroepe, 357 42, 14| u beschame in de menigte van lieden.~ 358 42, 15| Zie niet op de schoonheid van enig mens, en zit niet in 359 42, 16| 16 Want van de klederen komt de mot 360 42, 16| klederen komt de mot voort, en van de vrouw de boosheid der 361 42, 17| 17 De boosheid van een man is beter dan een 362 42, 19| dingen, en haar werk is vol van de heerlijkheid des Heren.~ 363 43, 4 | uitblaast, en met het glinsteren van haar stralen de ogen verduistert.~ 364 43, 7 | 7 Van de maan heeft men een teken 365 43, 7 | maan heeft men een teken van het feest, zij is een licht 366 43, 11| 11 Door de woorden van de heilige worden zij gesteld 367 43, 17| 17 De stem van zijn donder brengt de aarde 368 43, 20| verwonderd over de schoonheid van haar witheid, en het hart 369 43, 22| zich op alle vergadering van het water neder, en trekt 370 43, 24| Maar een haastige genezing van al deze dingen is de nevel, 371 43, 27| werken; verscheidenheid van alle gedierten en onderscheid 372 43, 35| meer dan deze; wij hebben van zijn werken weinig gezien.~ 373 44, 1 | prijzen, en onze vaderen van geslachten.~ 374 44, 2 | veel eer teweeg gebracht van de eeuwen af.~ 375 44, 4 | verstand, en verkondigd hebben van profetieën.~ 376 44, 5 | 5 Leiders van het volk in de raadslagen, 377 44, 5 | verstand der beschreven wetten van het volk.~ 378 44, 6 | liefelijke gezangen uit van muziek, en verhaalden beschreven 379 44, 15| begraven, en hun naam leeft van geslacht tot geslacht.~ 380 44, 20| is geweest een grootvader van menigte der volken, en daar 381 44, 23| erfdeel zouden bezitten van de ene zee tot aan de andere, 382 44, 23| zee tot aan de andere, en van de rivier tot aan het uiterste 383 44, 24| doen rusten op het hoofd van Jakob.~ 384 44, 26| gevonden heeft in de ogen van alle vlees.~ ~ 385 45, 6 | 6 En heeft hem van aangezicht tot aangezicht 386 45, 7 | zijn broeder, uit de stam van Levi, heeft hij verhoogd, 387 45, 11| mocht dienen de kinderen van zijn volk.~ 388 45, 12| en purperen rok, het werk van een borduurwerker; met de 389 45, 12| borduurwerker; met de lap van het gericht, openbare tekenen 390 45, 13| 13 Gemaakt van getweernd scharlaken zijde, 391 45, 13| zeer kunstig gewrocht, van kostelijke stenen gegraveerd, 392 45, 22| hielden, en de vergadering van Korach, met grimmigheid 393 45, 23| vernield in de grimmigheid van zijn toorn.~ 394 45, 28| 28 En Pinehas, de zoon van Eleazar, is de derde in 395 45, 29| een goede toegenegenheid van zijn gemoed, en voor Israël 396 45, 31| David, een zoon uit de stam van Juda het erfdeel des konings 397 45, 31| des konings heeft, en komt van de ene zoon alleen tot de 398 46, 1 | 1 JOZUA de zoon van Nun, was sterk in de oorlog, 399 46, 2 | brengen tot de bezitting van zijn erfdeel.~ 400 46, 9 | 9 En ten tijde van Mozes deed hij barmhartigheid, 401 46, 9 | barmhartigheid, hij en Kaleb de zoon van Jefune, als zij de gemeente 402 46, 10| twee zijn behouden geweest, van zeshonderdduizend te voet, 403 46, 10| erfdeel, in het land dat van melk en honig vloeit.~ 404 46, 11| hij opklom op het hoogste van het land, en zijn zaad heeft 405 46, 13| velen niet zijn afgekeerd van de Here, hun gedachtenis 406 46, 14| vernieuwd worde in de zonen van hun beroemde ouders.~ 407 46, 15| 15 Samuël bemind van zijn Here, zijnde een profeet 408 46, 19| 19 En de Here donderde van de hemel; en maakte dat 409 46, 21| tot schoenen toe, heb ik van niemand ontvangen; en geen 410 47, 1 | profeet, op in de dagen van David.~ 411 47, 2 | vette is afgezonderd geweest van het dankoffer, zo is David 412 47, 5 | steen des slingers de trots van Goliath terneder te werpen.~ 413 47, 12| zen zijn heilige naam, en van des morgens vroeg aan zijn 414 47, 20| bij genaamd wordt de God van Israël, bracht gij goud 415 47, 23| werd gans niet afgewend van zijn werken.~ 416 47, 24| Hij delgde de nakomelingen van zijn uitverkorenen ook niet 417 47, 26| met de vaderen, en liet na van zijn zaad een zeer dwaze 418 47, 26| onder het volk, en gering van verstand, namelijk Rehabeäm, 419 47, 27| Toen kwam Jerobeäm, de zoon van Nebat, die maakte Israël 420 47, 28| Dat zij afvallig werden van het land, totdat de toorn 421 48, 6 | verheven waren tot eer, van hun bed.~ 422 48, 10| en te stillen de toorn van het grimmige oordeel des 423 48, 10| Heren; te keren het hart van de vader tot de zoon, en 424 48, 10| te bestellen de stammen van Jakob.~ 425 48, 16| het volk niet, en stond van hun zonden niet af totdat 426 48, 17| een overste in het huis van David.~ 427 48, 20| Sanherib op, en zond Rabsake van Lachis, en verhief zijn 428 48, 23| verloste hen door de hand van Jesaja.~ 429 48, 25| hield vast aan de wegen van David, zijn vader, gelijk 430 49, 1 | 1 DE gedachtenis van Josia, is als een tezamen 431 49, 1 | toebereid door de kunst van de apotheker.~ 432 49, 2 | 2 Zij is zoet in de mond van een ieder als honig, en 433 49, 6 | Allerhoogsten verlaten; de koningen van Juda zijn bezweken.~ 434 49, 8 | woest gemaakt door de hand van Jeremia.~ 435 49, 9 | handelen, en te verderven; van gelijken om te bouwen en 436 49, 14| 14 Alzo Jesua de zoon van Josadak, die in hun dagen 437 49, 15| gesteld, en de vloe ren van onze huizen wederopricht.~ 438 49, 16| Henoch, want hij is opgenomen van de aarde.~ 439 50, 1 | 1 SIMON, de zoon van Onias, de hogepriester, 440 50, 2 | is het fundament gelegd van de dubbele verheven hoogte, 441 50, 7 | leliën aan de oorsprong van het water; gelijk een spruit 442 50, 7 | water; gelijk een spruit van Libanon in de dagen van 443 50, 7 | van Libanon in de dagen van de zomer;~ 444 50, 12| stond hij zelf bij de haard van het altaar.~ 445 50, 13| broeders, gelijk spruiten van cederbomen op de Libanon, 446 50, 13| omsingelden hem gelijk scheuten van palmbomen; namelijk al de 447 50, 13| palmbomen; namelijk al de zonen van Aäron in hun heerlijkheid, 448 50, 13| tegenwoordigheid der ganse gemeente van Israël;~ 449 50, 15| de offerbeker, en offerde van het druivenbloed,~ 450 50, 16| Uitgietende op de fundamenten van het altaar een welriekende 451 50, 17| 17 Toen riepen de zonen van Aäron, met dun gesmede trompetten 452 50, 20| 20 En het volk van de Here, des Allerhoogsten, 453 50, 20| gebed, voor het aangezicht van de ontfermer, totdat vol 454 50, 22| tweeden male aan, om de zegen van de Allerhoogste te verkrijgen.~ 455 50, 23| die onze dagen verhoogt van moeders schoot af, en die 456 50, 26| zitplaats hebben op de berg van Samaria, en lieden die in 457 50, 27| 27 Jezus, de zoon van Sirach, van Jeruzalem heeft 458 50, 27| Jezus, de zoon van Sirach, van Jeruzalem heeft in dit boek 459 50, 27| gesteld een onderwijzing van het verstand en der wetenschap; 460 51, 1 | 1 <<Een Gebed van Jezus, de zoon van Sirach>> 461 51, 1 | Gebed van Jezus, de zoon van Sirach>> IK zal u belijden 462 51, 3 | 3 En van de strik der lasterende 463 51, 3 | strik der lasterende tong; van de lippen dergenen die leugens 464 51, 4 | menigte der barmhartigheid van uw naam, uit de tanden die 465 51, 6 | 6 Van de verstikking des vuurs 466 51, 7 | de diepte des buiks, en van de onreine tong, van het 467 51, 7 | en van de onreine tong, van het leugenachtige woord, 468 51, 7 | lastering bij de koning, en van een onrechtvaardige tong.~ 469 51, 9 | 9 Zij hadden mij van alle zijden omzet, en daar 470 51, 10| Here, en aan uw werken van alle tijden.~ 471 51, 12| 12 En heb van de aarde mijn ootmoedig 472 51, 12| en gesmeekt om verlossing van de dood.~ 473 51, 20| voet is recht heengegaan; van mijn jeugd af heb ik haar 474 51, 26| hoogte, en mijn onwetendheden van haar bemerkt.~ 475 51, 28| 28 Ik heb van het begin af tot haar een


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License