Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 ALLE wijsheid is van de Here, en is met hem in
2 1, 2 | der zee en de droppelen van de regen en de dagen der
3 1, 4 | verstand der kloekheid is van de eeuwen af.~
4 1, 12| laatste dagen, en in de dag van zijn dood zal hij gezegend
5 1, 15| en zij maakt hen dronken van haar vruchten.~
6 1, 16| wellustigheden, en haar schuren van haar gewas;~
7 1, 19| wetenschap en de kennis van het verstand uit als een
8 1, 24| verbergen, maar de lippen van velen zullen zijn verstand
9 1, 32| gekomen, en uw hart vol is van bedrog.~
10 2, 3 | Hang hem aan, en wijk niet van hem af, opdat gij moogt
11 2, 4 | overkomen, en in de verandering van uw vernedering zijt lankmoedig.~
12 2, 13| en barmhartige, moedig en van grote barmhartigheid, vergeeft
13 2, 20| Die hem liefhebben, zullen van zijn wet verzadigd worden.~
14 3, 9 | 9 Opdat zegening van mensen over u kome.~
15 3, 18| verwekt, die is vervloekt van de Here.~
16 3, 24| 24 Want het is u niet van node, verborgen dingen met
17 3, 32| toekomende, en hij zal in de tijd van zijn val een steunsel vinden.~ ~
18 4, 4 | keer uw aangezicht niet af van de arme.~
19 4, 5 | 5 Van de behoeftige keer uw ogen
20 4, 9 | onrecht lijdt uit de hand van hem die onrecht doet, en
21 4, 10| en hun moeder in plaats van een man.~
22 4, 22| hem overlaten in de handen van zijn ongeval.~
23 4, 23| des tijds waar, en wacht u van het boze.~
24 4, 30| schaamrood over de leugen van uw ongeschiktheid.~
25 6, 1 | WORD geen vijand in plaats van een vriend, want zulk een
26 6, 6 | leven, doch heb maar een van duizenden die uw raadgever
27 6, 8 | blijft u niet bij in de dag van uw verdrukking.~
28 6, 12| tegen u zijn, en zal zich van uw aangezicht verbergen.~
29 6, 13| 13 Scheid u af van uw vijanden, en wacht u
30 6, 18| verkies de onderwijzing van uw jeugd aan, en tot uw
31 6, 20| worden, en haast zult gij van haar gewas eten.~
32 6, 28| zijt, zo laat haar niet van u.~
33 6, 35| horen, en laat u de spreuken van het verstand niet ontgaan.~
34 6, 36| betrede gestadig de trappen van zijn deuren.~
35 7, 2 | 2 Wijk af van de ongerechtige, en de zonde
36 7, 2 | ongerechtige, en de zonde zal van u wijken.~
37 7, 4 | 4 Begeer van de Here geen heerschappij,
38 7, 4 | Here geen heerschappij, en van de koning geen heerlijke
39 7, 23| onderwijs ze, en buig hun hals van de jeugd aan.~
40 7, 27| 27 Eer uw vader van ganser harte, en vergeet
41 7, 27| vergeet niet de smarten van uw moeder.~
42 7, 28| daarvoor geven in gelijkheid van hetgeen zij u gegeven hebben?~
43 7, 36| 36 Onttrek u niet van de wenende, en treur met
44 7, 37| niet traag in het bezoeken van de kranke; want om zulke
45 8, 5 | ongeschikte, opdat uw voorouders van hem niet onteerd worden.~
46 8, 6 | Verwijt geen mens die zich van zonde afkeert; gedenk dat
47 8, 8 | Verblijd u niet over de dood van uw grootste vijand, gedenk
48 8, 10| 10 Want van hen zult gij onderwijzing
49 8, 11| 11 Dwaal niet af van de onderwijzing der ouden,
50 8, 11| want zij hebben ook geleerd van hun vaderen.~
51 8, 12| 12 Want van hen zult gij verstand leren,
52 9, 1 | niet jaloers op de vrouw van uw schoot, en leer haar
53 9, 8 | 8 Wend uw oog af van een schone vrouw, en beschouw
54 9, 16| 16 Verwijder van de mens die macht heeft
55 10, 8 | 8 Een koninkrijk wordt van het ene volk tot het andere
56 10, 13| hovaardigheid is, wanneer een mens van de Here afwijkt, en zijn
57 10, 13| afwijkt, en zijn hart afwijkt van degene die hem gemaakt heeft.~
58 10, 20| gedachtenis doen ophouden van de aarde.~
59 10, 21| grimmige toorn in degenen, die van vrouwen geboren zijn.~
60 10, 28| vrijen dienen; en een man van wetenschap zal niet murmureren
61 11, 1 | 1 DE wijsheid van de nederige zal zijn hoofd
62 11, 6 | zijn overgeleverd in handen van anderen.~
63 11, 12| traag is, hebbende hulp van node, het ontbreekt hem
64 11, 13| 13 En verheft zijn hoofd van het verderven; en velen
65 11, 14| armoede en rijkdom zijn van de Here.~
66 11, 15| wetenschap, en kennis der wet is van de Here; liefde en wegen
67 11, 15| wegen der goede werken zijn van hem.~
68 11, 18| en dit is nu zijn deel van zijn loon.~
69 11, 19| rust gevonden, nu zal ik van mijn goederen eten zonder
70 11, 23| des Heren is in het loon van de godvrezende; en in een
71 11, 24| 24 Zeg niet: Wat heb ik van node te behagen, en voor
72 11, 28| vergeet, en aan het einde van de mens is de ontdekking
73 11, 30| in uw huis, want de lagen van de lasteraar zijn vele.~
74 11, 33| 33 Van een kleine vonk wordt de
75 11, 35| onrust verstoren, en zal u van enige uwer eigen goederen
76 12, 8 | dan scheidt ook de vriend van hem af.~
77 12, 11| bedwing uzelf, en wacht u van hem, en gij zult hem zijn
78 12, 13| over een bezweerder, die van een slang gebeten is? en
79 12, 16| verzadigd kunnen worden van uw bloed.~
80 13, 24| bewogen wordt, zo wordt hij van zijn vrienden onderstut;
81 13, 24| zo wordt hij daarenboven van zijn vrienden verstoten.~
82 13, 31| aangezicht is een teken van een hart dat wel gesteld
83 14, 2 | verdoemt, en die niet vervalt van zijn hoop, die hij op de
84 14, 4 | Wie vergadert onttrekkende van zijn ziel, die vergadert
85 14, 4 | anderen, en vreemden zullen van zijn goederen lekker leven.~
86 14, 9 | 9 Het oog van de gierigaard wordt met
87 14, 9 | verzadigd, en de ongerechtigheid van de boze doet zijn ziel uitdrogen.~
88 14, 14| 14 Onttrek uzelf niet van de goede dag, en laat het
89 14, 18| kleed, want het verbond van de eeuw aan is dit: Gij
90 14, 19| is het met het geslacht van het vlees en van het bloed,
91 14, 19| geslacht van het vlees en van het bloed, het ene sterft
92 14, 21| en die met zijn verstand van heilige dingen spreekt.~
93 14, 26| 26 Hij zal van haar beschermd worden voor
94 15, 8 | geenszins zien; zij is verre van hovaardigheid, en leugenaars
95 15, 9 | niet wel, omdat hij hem van de Here niet is gezonden.~
96 15, 12| hij heeft de zondaar niet van node.~
97 15, 13| gruwel, en ze is niet bemind van degenen die hem vrezen.~
98 15, 14| 14 Hij heeft van den beginne de mens gemaakt,
99 15, 19| en hij zal kennis nemen van alle werken des mensen.~
100 16, 1 | naar een onnutte menigte van kinderen, en verheug u niet
101 16, 5 | 5 Want van een verstandige zal een
102 16, 14| roof; en de verwachting van de godzalige zal niet achterblijven.~
103 16, 25| onderwijzing tevoorschijn brengen van gewicht, en zijn wetenschap
104 16, 26| oordeel zijn zijn werken van het begin en van dat zij
105 16, 26| werken van het begin en van dat zij gemaakt zijn, heeft
106 16, 27| en zijn niet be zweken van zijn werken, niet een heeft
107 16, 30| 30 Hij bedekt het leven van alle gedierte, en in baar
108 17, 2 | Hij heeft hun een getal van dagen, en een bestemde tijd
109 17, 12| 12 Wacht u van alle ongerechtigheid, en
110 17, 12| geboden gegeven, elk een van zijn naaste.~
111 17, 13| hem, maar ieder mens is van de jeugd af geneigd tot
112 17, 13| hebben hun harten in plaats van steen en geen vlesen kunnen
113 17, 14| de verdeling der volken van het ganse aardrijk heeft
114 17, 20| Allerhoogste, en keer u af van ongerechtigheid, want hij
115 17, 23| 23 Van een dode, als die van een
116 17, 23| 23 Van een dode, als die van een die niet meer is, gaat
117 17, 24| Maar die leeft en gezond van hart is, zal de Here prijzen.~
118 18, 2 | daarin hetgeen heilig is van het onheilige.~
119 18, 4 | 4 Wie zal de kracht van zijn majesteit uitrekenen?
120 18, 8 | vele, maar het ontslapen van een ieder kan van niemand
121 18, 8 | ontslapen van een ieder kan van niemand berekend worden.~
122 18, 9 | rekenen tegen het water van de zee, en een greintje
123 18, 12| 12 De barmhartigheid van de mens gaat over zijn naaste,
124 18, 18| weldaad onbeleefd, en de gift van een nijdig mens doet hem
125 18, 24| die komen zal in de dagen van de dood, en aan de tijd
126 18, 26| 26 Van 's morgens vroeg tot op
127 18, 30| niet na, maar bedwing u van uw begeerten.~
128 18, 31| zielen toereikt de lust van haar welbehagen, zo zult
129 18, 33| niet arm, makende gelagen van ontleend geld, daar gij
130 18, 33| gij een verspieder zijn van uw eigen leven, waar men
131 18, 33| uw eigen leven, waar men van spreken zal.~ ~
132 19, 4 | vertrouwt die is lichtvaardig van hart, en die tegen zijn
133 19, 8 | noch bij vijand het leven van anderen, en indien het u
134 19, 12| een pijl, die in de heup van het vlees vaststeekt, zo
135 19, 12| is een woord in de buik van een dwaas.~
136 19, 16| struikelt in een woord en niet van harte, en wie is er die
137 19, 18| aanneming, en de wijsheid die van hem komt verkrijgt liefde;
138 19, 19| 19 De vreze van de Here komende, is de gehele
139 19, 24| klederen, en het binnenste van hem is vol van vurig bedrog.~
140 19, 24| binnenste van hem is vol van vurig bedrog.~
141 19, 26| En indien hij bij gebrek van sterkte verhinderd wordt
142 20, 2 | 2 Gelijk de lust van een gesnedene is om een
143 20, 6 | Die te veel woorden heeft, van die heeft men een gruwel,
144 20, 10| vernederd wordt uit oorzaak van de pracht; en menigeen is
145 20, 13| 13 De gave van een onwijze zal u, die ze
146 20, 13| zijn, en desgelijks ook van een nijdige, vanwege zijn
147 20, 15| wedereisen; de zodanige is van de Here en van de mensen
148 20, 15| zodanige is van de Here en van de mensen gehaat.~
149 20, 16| brood eten spreken kwalijk van mij.~
150 20, 26| 26 De manieren van een leugenachtig mens zijn
151 20, 31| Here een bestuurder te zijn van zijn eigen leven.~ ~
152 21, 6 | 6 De smeking van de arme gaat uit de mond
153 21, 7 | staat in de voetstappen van de zondaar, en wie de Here
154 21, 7 | vreest, die bekeert zich van harte.~
155 21, 8 | machtig is met de tong, die is van verre bekend, maar een verstandige
156 21, 9 | 9 Wie zijn huis met geld van andere lieden bouwt, die
157 21, 11| 11 De weg van de zondaar is van stenen
158 21, 11| De weg van de zondaar is van stenen geëffend, doch aan
159 21, 13| 13 Maar de voleinding van de vreze des Heren is de
160 21, 15| 15 De kennis van een wijze zal vermeerderd
161 21, 16| 16 Het binnenste van de dwaas is gelijk een gebroken
162 21, 19| 19 De vertelling van een dwaas is gelijk een
163 21, 19| de weg, maar op de lippen van de verstandige wordt aangenaamheid
164 21, 20| 20 De mond van de voorzichtige wordt in
165 21, 21| vergaan is, zo is de vrijheid van de dwaas, en de kennis van
166 21, 21| van de dwaas, en de kennis van de onverstandige niets anders
167 21, 25| 25 De voet van de dwaas is haastig tot
168 22, 4 | dochter zal erfgenaam zijn van haar man, maar een die beschaamd
169 22, 5 | vader en man beschaamd, en van beiden zal zij ongeëerd
170 22, 6 | rechter tijd is een werk van wijsheid.~
171 22, 7 | verbergen de slechte afkomst van hun ouders; kinderen die
172 22, 7 | bevlekken de edele afkomst van hun geslacht.~
173 22, 12| 12 Want het leven van een dwaas is boven de dood.~
174 22, 16| 16 Wijk van hem, en gij zult rust vinden,
175 22, 20| pleisterwerk aan de muur van een pand.~
176 22, 22| bevreesd hart in de gedachte van de dwaas tegen geen vrees
177 22, 26| hovaardigheid, en openbaring van hetgeen verborgen is, en
178 23, 3 | over mij verblijd worde, van welke de hoop van uw barmhartigheid
179 23, 3 | worde, van welke de hoop van uw barmhartigheid verre
180 23, 4 | een stout gemoed altijd van uw knechten af.~
181 23, 5 | 5 Weer van mij af ijdele hoop en begeerte,
182 23, 6 | kinderen, de onderwijzing van een waarachtige mond, en
183 23, 9 | wordt, geen gebrek heeft van striemen, zo wordt die zweert
184 23, 9 | doorgaans de heilige noemt, van de zonde niet gereinigd.~
185 23, 10| ongerechtigheid, en de gesel zal van zijn huis niet wijken.~
186 23, 13| 13 Het is een wijze van spreken rondom met de dood
187 23, 14| dingen zullen verre zijn van de godvrezende, en zij zullen
188 23, 19| 19 Tweeërlei soort van mensen vermenigvuldigen
189 23, 23| 23 Een mens die aftreedt van zijn bed, zegt bij zichzelf:
190 23, 25| verstaat niet, dat de ogen van de Allerhoogste Here tienduizend
191 23, 29| man verlaat, en een erve van een ander bekomt.~
192 23, 32| uitspreiden, en de takken van haar zullen geen vrucht
193 23, 35| een lang leven, dat gij van hem aangenomen wordt.~ ~
194 24, 1 | zichzelf, en in het midden van haar volk beroemt zij zich.~
195 24, 2 | zich in tegenwoordigheid van zijn kracht, zeggende:~
196 24, 3 | 3 Ik ben van de mond des Allerhoogsten
197 24, 10| 10 Vóór de wereld, van den beginne heeft hij mij
198 24, 13| cypresseboom op de bergen van Hermon.~
199 24, 16| 16 Ik heb een goede reuk van mij gegeven, gelijk als
200 24, 21| dingen, namelijk die mij van hem toegezegd worden.~
201 24, 22| begeert, en verzadigt u van mijn gewas.~
202 24, 26| leert het boek des verbonds van God de Allerhoogste, de
203 24, 26| erfdeel in de vergaderingen van Jakob, zeggende: Bezwijkt
204 24, 28| gelijk de Jordaan in de dagen van de oogst.~
205 24, 32| gelijk een gedolven gracht van een rivier;~
206 25, 3 | 3 Drieërlei soort van mensen haat mijn ziel, en
207 25, 17| boosheid, doch niet de boosheid van een vrouw;~
208 25, 21| 21 De boosheid van een vrouw verandert haar
209 25, 22| 22 In het midden van zijn naasten zal haar man
210 25, 23| klein tegen de boosheid van een vrouw; en het lot des
211 25, 24| zandachtige opgang voor de voeten van een oud man, alzo is een
212 25, 25| niet over aan de schoonheid van een vrouw, en begeer geen
213 25, 26| haar man toereikt dat hij van node heeft.~
214 25, 29| 29 Van de vrouw is het begin der
215 25, 31| uw hand, zo snijd haar af van uw vlees, geef een scheidbrief
216 26, 4 | 4 En het hart van zo'n man is goed tot de
217 26, 6 | stad, en de vergadering van het volk, en leugen tegen
218 26, 10| 10 De hoererij van een vrouw wordt bekend aan
219 26, 13| hij een fontein vindt, en van alle water dat nabij is
220 26, 15| vrouw die weinig spreekt, en van een goed gemoed is, is een
221 26, 16| genade, en daar is geen ding van zulk gewicht dat waardig
222 26, 17| zo is ook de schoonheid van een goede vrouw in het sieraad
223 26, 17| goede vrouw in het sieraad van haar huis.~
224 26, 18| zo is ook de schoonheid van haar aangezicht in de staande
225 26, 20| bewaar de beste kracht van uw leven in gezond heid,
226 26, 22| overblijvende, en vrijmoedigheid van het edele geslacht hebbende,
227 26, 27| die de man onteert, zal van allen gekend worden, dat
228 26, 32| 32 Als iemand van de gerechtigheid wederkeert
229 26, 33| koopman is nauwelijks vrij van mishandeling; en een waard
230 26, 33| niet gerechtvaardigd worden van zonde.~ ~
231 27, 5 | De oven proeft de vaten van de pottenbakker, maar de
232 27, 6 | 6 Gelijk de vrucht van de boom doet blijken hoe
233 27, 11| 11 Het verhaal van de godvrezende is altijd
234 27, 21| niet, want hij is verre van u weg, en is het ontvloden
235 27, 23| dingen, en wie die kent zal van hem afwijken.~
236 28, 1 | zichzelf wreekt, die zal van de Here wraak vinden, en
237 28, 9 | 9 Onthoud u van strijd, en gij zult de zonden
238 28, 15| velen bewogen, en heeft hen van het ene volk in het andere
239 28, 17| verdreven, en heeft haar beroofd van haar arbeid.~
240 28, 19| 19 De slag van de gesel maakt striemen,
241 29, 6 | tijd uit, en geeft reden van zijn zorgeloosheid en wijt
242 29, 8 | niet, zo berooft hij hem van zijn geld, en maakt hem
243 29, 10| zulke boosheid, wenden zich van de mens af, en vrezen dat
244 29, 10| mens af, en vrezen dat zij van het hunne mochten beroofd
245 29, 12| gebod, en keer u niet af van zijn behoeftigheid.~
246 29, 18| Vergeet de weldaden niet van hen, die voor u borg geworden
247 29, 23| vervallen, en die aanneming van zware werken najaagt, zal
248 29, 25| 25 Het voornaamste van het leven des mensen is
249 29, 26| des armen onder een deksel van planken, is beter dan heerlijke
250 29, 27| gij niet hoort het verwijt van uw huis.~
251 29, 31| 31 Ga uit, inwoner, van dat heerlijk aangezicht,
252 29, 32| het huis, en het verwijt van die hem geleend heeft.~ ~
253 30, 1 | bezigen, opdat hij eindelijk van hem verheugd worde.~
254 30, 2 | vermaarde lieden zal hij van hem roemen.~
255 30, 13| uw zoon, en maak uw werk van hem, opdat gij u niet stoot
256 30, 14| arme die gezond en sterk van lijf en leden is, die is
257 30, 15| Gezondheid en welgesteld te zijn van lichaam, is beter dan al
258 30, 23| en stel droefheid verre van u.~
259 31, 18| 18 Eet gelijk een mens van hetgeen u voorgezet wordt,
260 32, 1 | maar wees bij hen als een van henlieden.~
261 32, 3 | zijn, zo rust, opdat gij van hunnentwege verheugd zijt,
262 32, 6 | wijngelag is gelijk een zegel van een karbonkel op een gulden
263 32, 8 | gij jongeling, als het u van node is, en zulks nauwe
264 32, 12| tijds wakker, en zijt niet van de laatsten; loop heen naar
265 32, 14| heeft, en u dronken maakt van zijn goederen.~
266 33, 2 | als een schip in een storm van vele baren.~
267 33, 5 | 5 Het binnenste van de zot is gelijk het rad
268 33, 7 | licht der dagen in het jaar van de zon komt?~
269 33, 9 | 9 Van deze heeft hij sommige verhoogd
270 33, 10| 10 En alle mensen komen van de aardbodem, en uit de
271 33, 12| vervloekt en vernederd en ze van hun staat af gestort.~
272 33, 23| Verdeel uw erfgoed in de dag van de voleinding der dagen
273 33, 23| de voleinding der dagen van uw leven, en in de tijd
274 33, 26| touw buigen voor de hals van een os, maar de pijnbank
275 34, 1 | 1 DE hoop van een onverstandige man is
276 34, 3 | dat, evenals de gelijkheid van het aangezicht tegen het
277 34, 4 | 4 Van het onreine, wat zal daarvan
278 34, 4 | daarvan gereinigd worden? en van de leugenaar, welke waarheid
279 34, 19| 19 Die van onrechtvaardig goed offert,
280 34, 21| zoon in tegenwoordigheid van zijn vader, die een slachtoffer
281 34, 21| een slachtoffer toebrengt van het geld der armen.~
282 34, 24| vergiet bloed, die het loon van de dagloner rooft.~
283 34, 27| welke nuttigheid heeft hij van zijn wassing?~
284 35, 3 | welbehagen dat men afsta van boosheid, en afstaan van
285 35, 3 | van boosheid, en afstaan van ongerechtigheid is verzoening.~
286 35, 6 | 6 De offerande van de rechtvaardige maakt het
287 35, 22| hebben geoordeeld het recht van zijn volk, en hen doen verheugen
288 36, 12| 12 Verbrijzel de hoofden van de oversten der volken,
289 36, 13| hen in hun erfdeel, gelijk van het begin.~
290 36, 17| Geef getuigenis degenen die van den beginne af uw bezittingen
291 36, 19| knechten, naar de zegen van Aäron over uw volk, en allen
292 36, 21| De keel smaakt de spijs van het wildbraad, zo onderkent
293 37, 4 | verheuging, en in de tijd van verdrukking zal hij hem
294 37, 12| hebt over de voleinding van het werk, noch met een trage
295 37, 13| Acht op deze niet in een van al uw beraadslagingen, maar
296 37, 13| bij een godvrezende man, van wie gij weet dat hij de
297 37, 15| 15 Want de ziel van de man pleegt somtijds wat
298 37, 17| 17 Het begin van het werk is de rede, en
299 37, 18| aangezicht is een teken van de verandering der vreugde.~
300 37, 19| 19 Vier soorten van dingen vertonen zich: namelijk
301 37, 20| arglistig man, een onderwijzer van velen, en hij is zijn ziel
302 37, 22| niet gegeven, dewijl hij van alle wijsheid beroofd is.~
303 37, 23| zichzelf, en de vruchten van zijn verstand in zijn mond
304 37, 24| eigen volk, en de vruchten van zijn verstand zijn gewis.~
305 37, 26| 26 Het leven van een man heeft een getal
306 37, 26| der dagen, maar de dagen van Israël zijn ontelbaar.~
307 38, 2 | 2 Want de genezing is van de Allerhoogste, en door
308 38, 3 | 3 De wetenschap van de geneesheer verhoogt zijn
309 38, 5 | water niet zoet geworden van een hout, opdat zijn kracht
310 38, 8 | werken hebben geen einde, en van hem komt gezondheid op de
311 38, 10| 10 Sta af van misdaden, en houd de hand
312 38, 10| recht, en reinig uw hart van alle zonde.~
313 38, 11| reuk, en een gedachtenis van meelbloem, en breng hem
314 38, 12| geschapen, en laat hem niet van u, want gij behoeft hem.~
315 38, 15| heeft, die zal in de handen van de geneesheer vallen.~
316 38, 19| 19 Want van droefheid komt de dood,
317 38, 20| droefheid, en het leven van een arme is een vervloeking
318 38, 21| niet tot droefheid, zet ze van u, gedachtig zijnde aan
319 38, 25| 25 De wijsheid van een schriftgeleerde wordt
320 38, 25| door de goede gelegenheid van de ledige tijd, en wie verzuimachtig
321 38, 26| werken derzelve, en die van jonge stieren weet te spreken?~
322 38, 31| ijzerwerk gade; de damp van het vuur versmelt zijn vlees,
323 38, 32| 32 De klank van de hamer en het aanbeeld
324 38, 32| tegenover de gelijkenis van het vat.~
325 38, 38| wandelen, doch tot de raad van het volk zullen zij niet
326 38, 39| zij niet, en het verbond van het recht verstaan zij niet,
327 39, 5 | 5 Het land van vreemde volken doorreist
328 39, 11| voorschijn, en in de wet van het verbond des Heren roemt
329 39, 18| een lelie; geeft een reuk van u, en zingt een lofzang.~
330 39, 21| hoop, en door het woord van zijn mond de boezem der
331 39, 23| 23 De werken van alle vlees zijn voor zijn
332 39, 24| 24 Van eeuw tot eeuw ziet hij daarop,
333 39, 37| 37 Daarom ben ik van het begin af hierin bevestigd
334 40, 1 | zwaar juk op de kinderen van Adam; van die dag af dat
335 40, 1 | op de kinderen van Adam; van die dag af dat zij uit hun
336 40, 1 | wederkeren in de moeder van allen.~
337 40, 2 | harten, zo is de betrachting van hetgeen zij te verwachten
338 40, 5 | het bed verandert de slaap van de nacht zijn kennis.~
339 40, 7 | ontroerd door het gezicht van zijn hart, gelijk een die
340 40, 8 | gaat het met alle vlees, van de mens af tot op het vee,
341 40, 9 | zwaard, en bloed; invoering van de honger, en der verplettering,
342 40, 9 | en der verplettering, en van de gesel; deze dingen alle
343 40, 10| 10 Al wat van aarde is, keert wederom
344 40, 10| wederom tot aarde, en al wat van water is, wendt zich weder
345 40, 15| aan alle water en oever van een stroom zal voor alle
346 40, 21| schoon is, maar in de groente van het gezaaide meer dan in
347 41, 1 | bitter is de gedachtenis van u, voor een mens, die in
348 41, 9 | 9 Het erfdeel van de kinderen der zondaars
349 41, 18| wat nuttigheid heeft men van beide?~
350 41, 24| Schaamt u voor verachting van Gods waarheid en verbond;
351 41, 25| vanwege het aanschouwen van een lichte vrouw; en dat
352 41, 25| gij uw aangezicht afwendt van een mens die edel is.~
353 41, 27| 27 Van te veel u met anderen te
354 41, 27| anderen te bemoeien, en van een dienstmaagd, stelt u
355 41, 29| 29 Schaamt u van weder te gaan zeggen hetgeen
356 42, 14| zijn, dat men in de stad van u spreke en het volk u naroepe,
357 42, 14| u beschame in de menigte van lieden.~
358 42, 15| Zie niet op de schoonheid van enig mens, en zit niet in
359 42, 16| 16 Want van de klederen komt de mot
360 42, 16| klederen komt de mot voort, en van de vrouw de boosheid der
361 42, 17| 17 De boosheid van een man is beter dan een
362 42, 19| dingen, en haar werk is vol van de heerlijkheid des Heren.~
363 43, 4 | uitblaast, en met het glinsteren van haar stralen de ogen verduistert.~
364 43, 7 | 7 Van de maan heeft men een teken
365 43, 7 | maan heeft men een teken van het feest, zij is een licht
366 43, 11| 11 Door de woorden van de heilige worden zij gesteld
367 43, 17| 17 De stem van zijn donder brengt de aarde
368 43, 20| verwonderd over de schoonheid van haar witheid, en het hart
369 43, 22| zich op alle vergadering van het water neder, en trekt
370 43, 24| Maar een haastige genezing van al deze dingen is de nevel,
371 43, 27| werken; verscheidenheid van alle gedierten en onderscheid
372 43, 35| meer dan deze; wij hebben van zijn werken weinig gezien.~
373 44, 1 | prijzen, en onze vaderen van geslachten.~
374 44, 2 | veel eer teweeg gebracht van de eeuwen af.~
375 44, 4 | verstand, en verkondigd hebben van profetieën.~
376 44, 5 | 5 Leiders van het volk in de raadslagen,
377 44, 5 | verstand der beschreven wetten van het volk.~
378 44, 6 | liefelijke gezangen uit van muziek, en verhaalden beschreven
379 44, 15| begraven, en hun naam leeft van geslacht tot geslacht.~
380 44, 20| is geweest een grootvader van menigte der volken, en daar
381 44, 23| erfdeel zouden bezitten van de ene zee tot aan de andere,
382 44, 23| zee tot aan de andere, en van de rivier tot aan het uiterste
383 44, 24| doen rusten op het hoofd van Jakob.~
384 44, 26| gevonden heeft in de ogen van alle vlees.~ ~
385 45, 6 | 6 En heeft hem van aangezicht tot aangezicht
386 45, 7 | zijn broeder, uit de stam van Levi, heeft hij verhoogd,
387 45, 11| mocht dienen de kinderen van zijn volk.~
388 45, 12| en purperen rok, het werk van een borduurwerker; met de
389 45, 12| borduurwerker; met de lap van het gericht, openbare tekenen
390 45, 13| 13 Gemaakt van getweernd scharlaken zijde,
391 45, 13| zeer kunstig gewrocht, van kostelijke stenen gegraveerd,
392 45, 22| hielden, en de vergadering van Korach, met grimmigheid
393 45, 23| vernield in de grimmigheid van zijn toorn.~
394 45, 28| 28 En Pinehas, de zoon van Eleazar, is de derde in
395 45, 29| een goede toegenegenheid van zijn gemoed, en voor Israël
396 45, 31| David, een zoon uit de stam van Juda het erfdeel des konings
397 45, 31| des konings heeft, en komt van de ene zoon alleen tot de
398 46, 1 | 1 JOZUA de zoon van Nun, was sterk in de oorlog,
399 46, 2 | brengen tot de bezitting van zijn erfdeel.~
400 46, 9 | 9 En ten tijde van Mozes deed hij barmhartigheid,
401 46, 9 | barmhartigheid, hij en Kaleb de zoon van Jefune, als zij de gemeente
402 46, 10| twee zijn behouden geweest, van zeshonderdduizend te voet,
403 46, 10| erfdeel, in het land dat van melk en honig vloeit.~
404 46, 11| hij opklom op het hoogste van het land, en zijn zaad heeft
405 46, 13| velen niet zijn afgekeerd van de Here, hun gedachtenis
406 46, 14| vernieuwd worde in de zonen van hun beroemde ouders.~
407 46, 15| 15 Samuël bemind van zijn Here, zijnde een profeet
408 46, 19| 19 En de Here donderde van de hemel; en maakte dat
409 46, 21| tot schoenen toe, heb ik van niemand ontvangen; en geen
410 47, 1 | profeet, op in de dagen van David.~
411 47, 2 | vette is afgezonderd geweest van het dankoffer, zo is David
412 47, 5 | steen des slingers de trots van Goliath terneder te werpen.~
413 47, 12| zen zijn heilige naam, en van des morgens vroeg aan zijn
414 47, 20| bij genaamd wordt de God van Israël, bracht gij goud
415 47, 23| werd gans niet afgewend van zijn werken.~
416 47, 24| Hij delgde de nakomelingen van zijn uitverkorenen ook niet
417 47, 26| met de vaderen, en liet na van zijn zaad een zeer dwaze
418 47, 26| onder het volk, en gering van verstand, namelijk Rehabeäm,
419 47, 27| Toen kwam Jerobeäm, de zoon van Nebat, die maakte Israël
420 47, 28| Dat zij afvallig werden van het land, totdat de toorn
421 48, 6 | verheven waren tot eer, van hun bed.~
422 48, 10| en te stillen de toorn van het grimmige oordeel des
423 48, 10| Heren; te keren het hart van de vader tot de zoon, en
424 48, 10| te bestellen de stammen van Jakob.~
425 48, 16| het volk niet, en stond van hun zonden niet af totdat
426 48, 17| een overste in het huis van David.~
427 48, 20| Sanherib op, en zond Rabsake van Lachis, en verhief zijn
428 48, 23| verloste hen door de hand van Jesaja.~
429 48, 25| hield vast aan de wegen van David, zijn vader, gelijk
430 49, 1 | 1 DE gedachtenis van Josia, is als een tezamen
431 49, 1 | toebereid door de kunst van de apotheker.~
432 49, 2 | 2 Zij is zoet in de mond van een ieder als honig, en
433 49, 6 | Allerhoogsten verlaten; de koningen van Juda zijn bezweken.~
434 49, 8 | woest gemaakt door de hand van Jeremia.~
435 49, 9 | handelen, en te verderven; van gelijken om te bouwen en
436 49, 14| 14 Alzo Jesua de zoon van Josadak, die in hun dagen
437 49, 15| gesteld, en de vloe ren van onze huizen wederopricht.~
438 49, 16| Henoch, want hij is opgenomen van de aarde.~
439 50, 1 | 1 SIMON, de zoon van Onias, de hogepriester,
440 50, 2 | is het fundament gelegd van de dubbele verheven hoogte,
441 50, 7 | leliën aan de oorsprong van het water; gelijk een spruit
442 50, 7 | water; gelijk een spruit van Libanon in de dagen van
443 50, 7 | van Libanon in de dagen van de zomer;~
444 50, 12| stond hij zelf bij de haard van het altaar.~
445 50, 13| broeders, gelijk spruiten van cederbomen op de Libanon,
446 50, 13| omsingelden hem gelijk scheuten van palmbomen; namelijk al de
447 50, 13| palmbomen; namelijk al de zonen van Aäron in hun heerlijkheid,
448 50, 13| tegenwoordigheid der ganse gemeente van Israël;~
449 50, 15| de offerbeker, en offerde van het druivenbloed,~
450 50, 16| Uitgietende op de fundamenten van het altaar een welriekende
451 50, 17| 17 Toen riepen de zonen van Aäron, met dun gesmede trompetten
452 50, 20| 20 En het volk van de Here, des Allerhoogsten,
453 50, 20| gebed, voor het aangezicht van de ontfermer, totdat vol
454 50, 22| tweeden male aan, om de zegen van de Allerhoogste te verkrijgen.~
455 50, 23| die onze dagen verhoogt van moeders schoot af, en die
456 50, 26| zitplaats hebben op de berg van Samaria, en lieden die in
457 50, 27| 27 Jezus, de zoon van Sirach, van Jeruzalem heeft
458 50, 27| Jezus, de zoon van Sirach, van Jeruzalem heeft in dit boek
459 50, 27| gesteld een onderwijzing van het verstand en der wetenschap;
460 51, 1 | 1 <<Een Gebed van Jezus, de zoon van Sirach>>
461 51, 1 | Gebed van Jezus, de zoon van Sirach>> IK zal u belijden
462 51, 3 | 3 En van de strik der lasterende
463 51, 3 | strik der lasterende tong; van de lippen dergenen die leugens
464 51, 4 | menigte der barmhartigheid van uw naam, uit de tanden die
465 51, 6 | 6 Van de verstikking des vuurs
466 51, 7 | de diepte des buiks, en van de onreine tong, van het
467 51, 7 | en van de onreine tong, van het leugenachtige woord,
468 51, 7 | lastering bij de koning, en van een onrechtvaardige tong.~
469 51, 9 | 9 Zij hadden mij van alle zijden omzet, en daar
470 51, 10| Here, en aan uw werken van alle tijden.~
471 51, 12| 12 En heb van de aarde mijn ootmoedig
472 51, 12| en gesmeekt om verlossing van de dood.~
473 51, 20| voet is recht heengegaan; van mijn jeugd af heb ik haar
474 51, 26| hoogte, en mijn onwetendheden van haar bemerkt.~
475 51, 28| 28 Ik heb van het begin af tot haar een
|