Chapter, Verse
1 1, 9 | vlees naar zijn gave, en hij verleent haar degenen die
2 1, 12| de dag van zijn dood zal hij gezegend worden.~
3 1, 24| 24 Hij zal zijn woorden een tijdlang
4 2, 6 | 6 Geloof hem en hij zal u helpen, maak uw wegen
5 3, 32| deze in het toekomende, en hij zal in de tijd van zijn
6 4, 6 | zijner ziel, zijn gebed zal hij horen, die hem gemaakt heeft,~
7 4, 11| zoon des Allerhoogsten, en hij zal u meer beminnen dan
8 4, 17| 17 Indien hij haar vertrouwt, zo zal hij
9 4, 17| hij haar vertrouwt, zo zal hij haar beërven, en zijn nakomelingen
10 4, 22| 22 Indien hij zou afdwalen, zo zal zij
11 5, 1 | uw rijkdom, en zeg niet, hij is mij genoegzaam om te
12 5, 4 | want de Here is lankmoedig, hij zal u niet laten heengaan.~
13 5, 10| onrechtvaardige rijkdom, want hij zal u geen voordeel doen
14 6, 11| 11 Als het u wel gaat zal hij zijn als gij, en over uw
15 6, 11| over uw huisknechten zal hij vrijmoedigheid gebruiken.~
16 6, 12| vernederd wordt, zo zal hij tegen u zijn, en zal zich
17 6, 17| vriendschap; want naar dat hij is, zo zullen ook zijn naasten
18 6, 22| steen der beproeving, en hij zal niet vertoeven haar
19 6, 37| in zijn bevelen, zo zal hij uw hart versterken, en de
20 7, 9 | 9 Zeg niet: Hij zal op de menigte mijner
21 7, 9 | Allerhoogste ofer, zo zal hij het aannemen.~
22 8, 2 | met een rijk mens, opdat hij u misschien niet overmag.~
23 8, 14| op tegen de smader, opdat hij uw mond niet bespiede.~
24 8, 18| niet met een stoute, opdat hij u niet bezware, want hij
25 8, 18| hij u niet bezware, want hij zal naar zijn wil doen,
26 8, 19| waar geen hulp is, daar zal hij u ter neder werpen.~
27 8, 20| niet met een dwaas, want hij zal geen zaak kunnen bedekken.~
28 8, 21| want gij weet niet wat hij baren zal.~
29 9, 13| gelijk nieuwe wijn: als hij zal oud geworden zijn, drink
30 10, 4 | in de hand des Heren, en hij zal te zijner tijd over
31 10, 5 | des schriftgeleerden zal hij zijn heerlijkheid stellen.~
32 10, 10| werpen deze weg, terwijl hij nog leeft.~
33 10, 11| iemand koning, en morgen zal hij sterven.~
34 10, 12| een mens sterft, zo beërft hij kruipende en wild gedierte
35 10, 14| moedwil, doch op het einde zal hij omgekeerd worden.~
36 10, 19| 19 Hij heeft ze daaruit weggenomen,
37 10, 28| zal niet murmureren als hij onderwezen wordt.~
38 11, 12| ontbreekt hem aan sterkte, en hij heeft grote armoede, en
39 11, 19| 19 Wanneer hij zegt: Ik heb rust gevonden,
40 11, 19| eten zonder ophouden, en hij weet niet wat tijd hem overkomen
41 11, 19| tijd hem overkomen zal, en hij zal ze anderen nalaten en
42 11, 23| en in een korte tijd doet hij zijn zegen uitspruiten.~
43 11, 32| 32 Want hij loert verkerende het goede
44 11, 32| in uitgelezen dingen zal hij u een schandvlek opleggen.~
45 11, 34| voor een boosdoener, want hij smeedt boze dingen; dat
46 11, 34| smeedt boze dingen; dat hij u niet te eniger tijd een
47 11, 35| vreemde in uw huis wonen, en hij zal u door onrust verstoren,
48 12, 5 | en geef hem niet, opdat hij u daardoor niet overweldige,
49 12, 6 | zondaars, en de godvrezende zal hij wreken, maar genen bewaart
50 12, 6 | wreken, maar genen bewaart hij tot de krachtige dag der
51 12, 11| 11 Indien hij zou vernederd worden, en
52 12, 11| zult gewaar worden, dat hij die niet tot het einde toe
53 12, 12| hem niet nevens u, opdat hij niet te eniger tijd u omgekeerd
54 12, 12| aan uw rechterzijde, dat hij niet te eniger tijd zoeke
55 12, 14| 14 Hij zal een uur bij u blijven
56 12, 14| zoudt uitwijken, zo zal hij niet volharden.~
57 12, 15| spreken, maar in zijn hart zal hij beraadslagen om u in een
58 12, 16| 16 Met zijn ogen zal hij wenen, en indien hij gelegen
59 12, 16| zal hij wenen, en indien hij gelegen tijd zal vinden,
60 12, 16| tijd zal vinden, zo zal hij niet verzadigd kunnen worden
61 12, 17| mens die helpen wil, zal hij uw hiel doorklieven.~
62 12, 18| 18 Hij zal zijn hoofd schudden,
63 13, 4 | een arme doet onrecht, en hij wordt bedreigd.~
64 13, 5 | kunt bevorderlijk zijn, zal hij u te werk stel len, maar
65 13, 5 | indien gij verachtert, zal hij u onderdrukken.~
66 13, 6 | wat zult hebben, zo zal hij met u leven, en zal u uitledigen,
67 13, 6 | uitledigen, en zelf zal hij niet arbeiden.~
68 13, 7 | 7 Heeft hij u nodig, zo zal hij u bedriegen,
69 13, 7 | Heeft hij u nodig, zo zal hij u bedriegen, en aanlokken,
70 13, 7 | aanlokken, en zal u hoop geven; hij zal schoon met u spreken,
71 13, 8 | 8 Hij zal u met zijn spijs beschaamd
72 13, 8 | beschaamd maken, totdat hij u uitledige tot twee of
73 13, 8 | toe, en op het laatste zal hij u bespotten, en daarin zal
74 13, 8 | bespotten, en daarin zal hij u aanzien, en u verlaten,
75 13, 11| zo maak u ter zijde, en hij zal u zo veel te meer en
76 13, 13| met veel te spreken zal hij u verzoeken, en al toelachende
77 13, 13| verzoeken, en al toelachende zal hij uw heimelijke zaken onderzoeken.~
78 13, 14| 14 Onbarmhartig is hij die zijn woorden niet houdt,
79 13, 14| zijn woorden niet houdt, en hij zal geenszins plagen en
80 13, 24| bewogen wordt, zo wordt hij van zijn vrienden onderstut;
81 13, 24| een arme valt, zo wordt hij daarenboven van zijn vrienden
82 13, 25| rijke struikelt, zo heeft hij velen, die hem ophelpen;
83 13, 25| die hem ophelpen; heeft hij onbetamelijke dingen gesproken,
84 13, 26| bekijft hem nog daartoe; hij heeft verstandige rede gesproken,
85 13, 28| Wie is deze? en indien hij aanstoot, men zal hem voorts
86 14, 2 | 2 Zalig is hij, die zijn ziel niet verdoemt,
87 14, 2 | vervalt van zijn hoop, die hij op de Here heeft.~
88 14, 5 | zichzelf kwaad is, wie zal hij goed zijn? zelfs zal hij
89 14, 5 | hij goed zijn? zelfs zal hij zich niet verheugen in zijn
90 14, 7 | 7 Indien hij wel doet, hij doet het ongaarne,
91 14, 7 | 7 Indien hij wel doet, hij doet het ongaarne, en op
92 14, 7 | ongaarne, en op het laatst zal hij zijn boosheid doen blijken.~
93 14, 19| dichte boom; enige werpt hij af, en andere doet hij uitspruiten;
94 14, 19| werpt hij af, en andere doet hij uitspruiten; zo is het met
95 14, 25| en onder haar takken zal hij overnachten.~
96 14, 26| 26 Hij zal van haar beschermd worden
97 14, 26| in haar heerlijkheid zal hij herberg hebben.~ ~
98 15, 2 | en gelijk een vrouw die hij als zij maagd was getrouwd
99 15, 4 | 4 Hij zal op haar gevestigd worden,
100 15, 4 | en zal niet wankelen, en hij zal zich aan haar houden,
101 15, 6 | 6 Hij zal vrolijkheid en een kroon
102 15, 9 | zondaars voegt niet wel, omdat hij hem van de Here niet is
103 15, 11| afgevallen ben; want hetgeen hij haat moet gij niet doen.~
104 15, 12| 12 Zeg niet, hij heeft mij gemaakt, want
105 15, 12| heeft mij gemaakt, want hij heeft de zondaar niet van
106 15, 14| 14 Hij heeft van den beginne de
107 15, 16| 16 Hij heeft u vuur en water voorgesteld;
108 15, 18| de wijsheid des Heren, en hij is sterk in kracht, en ziet
109 15, 19| degenen die hem vrezen, en hij zal kennis nemen van alle
110 15, 20| 20 Hij heeft niemand geboden goddeloos
111 16, 8 | 8 Hij is niet verzoend geworden
112 16, 9 | 9 Hij verschoonde die niet, bij
113 16, 9 | welke Lot woonde; aan welke hij een gruwel had, vanwege
114 16, 10| 10 Hij ontfermde zich niet over
115 16, 12| ontferming en toorn is bij hem; hij is een machtig Here, die
116 16, 13| is ook zijn kastijding; hij zal een ieder oordelen naar
117 16, 15| heeft Faraö verhard, dat hij hem niet kende, opdat zijn
118 16, 15| licht en duisternis heeft hij onderscheiden met een diamantsteen.~
119 16, 26| zij gemaakt zijn, heeft hij hun delen onder scheiden.~
120 16, 27| 27 Hij heeft zijn werken versierd
121 16, 30| 30 Hij bedekt het leven van alle
122 17, 2 | 2 Hij heeft hun een getal van
123 17, 3 | 3 Hij heeft hen bekleed met sterkte,
124 17, 4 | 4 Hij heeft hun vreze gelegd op
125 17, 4 | alle vlees, en gegeven dat hij zou heersen over de dieren
126 17, 5 | En voor het zesde heeft hij hun het vernuft geschonken,
127 17, 6 | 6 Hij heeft hun gegeven raad,
128 17, 6 | wetenschap des verstands heeft hij hen vervuld, en hun hetgeen
129 17, 7 | 7 Hij heeft zijn ogen op hun harten
130 17, 7 | ogen op hun harten gelegd; hij heeft hun gegeven in eeuwigheid
131 17, 9 | 9 Hij heeft hun nog toegelegd
132 17, 10| Een eeuwig verbond heeft hij met hen opgericht, en hun
133 17, 14| gesteld, maar Israël nam hij tot zijn deel aan, welke,
134 17, 14| eerstgeborene, de tucht op voedt, en hij deelt hem mede het licht
135 17, 17| dochters bekering, daarna zal hij opstaan en hen weder vergelden,
136 17, 17| vergelden, en hun vergelding zal hij op hun hoofd vergelden.~
137 17, 20| van ongerechtigheid, want hij zal u geleiden uit de duisternis
138 17, 28| 28 Hij ziet aan de kracht des hogen
139 18, 2 | en daar is geen ander dan hij; hij heeft de wereld gebouwd
140 18, 2 | daar is geen ander dan hij; hij heeft de wereld gebouwd
141 18, 2 | zijn wil gehoorzaam. Want hij is een koning aller dingen
142 18, 3 | 3 Wie heeft hij macht gegeven zijn werken
143 18, 6 | hebben voleindigd, dan begint hij, en wanneer hij zal opgehouden
144 18, 6 | dan begint hij, en wanneer hij zal opgehouden hebben, dan
145 18, 7 | is de mens? en waartoe is hij nut? wat is zijn goed en
146 18, 11| 11 Hij heeft gezien en verstaan
147 18, 11| het kwaad is, daarom heeft hij zijn verzoening vermenigvuldigd.~
148 18, 13| 13 Hij bestraft, en onderwijst,
149 18, 14| 14 Hij ontfermt zich over degenen,
150 18, 26| de dagen der zonden wacht hij zichzelf voor mishandeling,
151 19, 3 | wormen tot erfdeel hebben, en hij zal uitdrogen tot een zeer
152 19, 9 | 9 Want hij heeft u gehoord en u waargenomen,
153 19, 9 | en ter gelegener tijd zal hij u haten.~
154 19, 13| vriend, misschien heeft hij het niet gedaan, en zo hij
155 19, 13| hij het niet gedaan, en zo hij het gedaan heeft, dat hij
156 19, 13| hij het gedaan heeft, dat hij het niet te eniger tijd
157 19, 14| naaste, misschien heeft hij het niet gezegd, en zo hij
158 19, 14| hij het niet gezegd, en zo hij het gezegd heeft, dat hij
159 19, 14| hij het gezegd heeft, dat hij het ten tweeden male niet
160 19, 19| zal ik niet doen, indien hij het daarna doet, ver toornt
161 19, 25| 25 Hij bukt het aangezicht, en
162 19, 25| hem niet gewaar wordt, zal hij u voorkomen om kwaad te
163 19, 26| 26 En indien hij bij gebrek van sterkte verhinderd
164 19, 26| wordt te zondigen, zo zal hij toch kwaad doen indien hij
165 19, 26| hij toch kwaad doen indien hij gelegener tijd vindt.~
166 19, 28| mensen, verkondigen wat hij voor een is.~
167 19, 29| daar is een die zwijgt, en hij is wijs.~ ~
168 20, 2 | dochter te onteren, zo is hij die geweld oefent in het
169 20, 4 | Menigeen is er die zwijgt, want hij heeft niet te antwoorden,
170 20, 7 | vaardigheid bewijst? want zo zal hij de vrijwillige zonden vlieden.~
171 20, 14| 14 Weinig zal hij geven, en veel verwijten,
172 20, 15| 15 Heden zal hij u lenen, en morgen wedereisen;
173 20, 17| zullen hem bespotten! want hij heeft het bezit zijner goederen
174 20, 19| mond der ongeschikten zal hij gedurig zijn.~
175 20, 20| zal verworpen worden, want hij spreekt die niet op de bekwame
176 20, 22| schaamte, en verliest het omdat hij de persoon aanneemt.~
177 21, 8 | verstandige merkt wel wanneer hij struikelt.~
178 21, 16| geen kennis vatten, zo lang hij leeft.~
179 21, 17| wijs woord hoort, zo prijst hij dat, en doet daar nog toe.~
180 21, 30| vervloekt, zo vervloekt hij zijn eigen ziel.~
181 21, 31| zijn eigen ziel, en waar hij ook zou mogen gaan wonen,
182 21, 31| mogen gaan wonen, daar zal hij gehaat worden.~ ~
183 22, 3 | des vaders schande wanneer hij een ongeschikte zoon gewonnen
184 22, 9 | sluimerende, en in het einde zal hij zeggen: Wat is het?~
185 22, 11| een dode zachter, dewijl hij rust.~
186 22, 14| want ongevoelig zijnde zal hij al uw dingen voor niets
187 22, 15| niet bezoedeld wordt, als hij zijn vuilheid uitschudt.~
188 22, 17| dan lood, en wat naam zal hij hebben anders dan lood.~
189 23, 11| 11 Indien hij mishandelt, zijn zonde is
190 23, 11| zonde is op hem, en indien hij het niet acht, zo zondigt
191 23, 11| het niet acht, zo zondigt hij dubbel.~
192 23, 12| 12 En zo hij ijdel gezworen heeft, hij
193 23, 12| hij ijdel gezworen heeft, hij zal niet gerechtvaardigd
194 23, 21| bedrijft, rust niet totdat hij een vuur ontstoken heeft.~
195 23, 22| is allerlei brood zoet; hij zal niet aflaten totdat
196 23, 22| zal niet aflaten totdat hij zijn einde neemt.~
197 23, 25| 25 En hij verstaat niet, dat de ogen
198 23, 27| zijn voleindigd, doorziet hij ze alle.~
199 23, 28| en gegrepen worden waar hij het niet heeft gemeend.~
200 24, 10| wereld, van den beginne heeft hij mij geschapen, en tot in
201 24, 11| een geheiligde stad heeft hij mij insgelijks doen rusten,
202 24, 26| sterk in de Here, opdat hij u krachtig make; kleeft
203 24, 27| 27 Hij vervult alle dingen met
204 25, 10| aan zijn kinderen, terwijl hij nog leeft, en die de val
205 25, 11| 11 Hij is zalig die bij een verstandige
206 25, 12| 12 Hij is zalig die kloekheid gevonden
207 25, 13| die wijsheid vindt! doch hij is niet boven degene, die
208 25, 15| Wie ze houdt, bij wie zal hij vergeleken worden?~
209 25, 26| zij haar man toereikt dat hij van node heeft.~
210 26, 4 | tot de Here. hetzij dat hij rijk of arm is, altijd hebben
211 26, 13| dorstende, de mond opent als hij een fontein vindt, en van
212 27, 7 | 7 Prijs niemand eer hij spreekt, want hieraan worden
213 27, 19| vijand verliest, zo heeft hij zijn naaste verloren.~
214 27, 21| 21 Volg hem niet, want hij is verre van u weg, en is
215 27, 24| zijn mond zoet spreken, en hij zal zich over uw woorden
216 27, 24| verwonderen, maar daarna zal hij anders spreken, en maken
217 27, 28| kwaad herberg nemen, en hij zal niet weten vanwaar het
218 28, 1 | de Here wraak vinden, en hij zal zijn zonden zeker bewaren.~
219 28, 2 | uw naaste het onrecht dat hij u gedaan heeft, en wanneer
220 28, 3 | toorn, en bij de Here zoekt hij genezing.~
221 28, 4 | 4 En hij heeft geen barmhartigheid
222 28, 5 | 5 Hij, vlees zijnde, behoudt vijandschap
223 28, 10| die vrede hebben, werpt hij laster in.~
224 28, 11| rijker de mens is, hoe meer hij zijn toorn verheft.~
225 29, 5 | 5 Zolang als hij ontvangt, kust hij zijn
226 29, 5 | Zolang als hij ontvangt, kust hij zijn naastens handen, en
227 29, 5 | des naasten geld vernedert hij zijn stem.~
228 29, 6 | 6 Maar wanneer hij het behoort weder te geven,
229 29, 6 | weder te geven, dan stelt hij de tijd uit, en geeft reden
230 29, 7 | 7 En indien hij het vermag te geven, zo
231 29, 7 | vermag te geven, zo zal hij nauwelijks de helft brengen,
232 29, 8 | indien niet, zo berooft hij hem van zijn geld, en maakt
233 29, 9 | 9 Hij betaalt hem met vloeken
234 29, 9 | scheldwoorden, en voor eer vergeldt hij hem oneer.~
235 29, 14| geboden des Allerhoogsten, en hij zal u voordeliger zijn dan
236 29, 18| u borg geworden is, want hij heeft zijn ziel voor u gesteld.~
237 30, 1 | altijd aan hem bezigen, opdat hij eindelijk van hem verheugd
238 30, 2 | der vermaarde lieden zal hij van hem roemen.~
239 30, 3 | tegenwoordigheid der vrienden zal hij over hem vrolijk zijn.~
240 30, 4 | gestorven, zo is het alsof hij niet gestorven ware, want
241 30, 4 | niet gestorven ware, want hij heeft achter zich gelaten
242 30, 5 | 5 In zijn leven zag hij hem, en was over hem verheugd,
243 30, 5 | verheugd, en in zijn dood was hij niet bedroefd.~
244 30, 6 | 6 Hij heeft een nagelaten, die
245 30, 12| breek zijn lendenen, terwijl hij nog een kind is, opdat hij
246 30, 12| hij nog een kind is, opdat hij niet te eniger tijd verhard
247 30, 19| brandoffer de afgod nut? want hij eet niet, en hij riekt niet;
248 30, 19| nut? want hij eet niet, en hij riekt niet; zo gaat het
249 30, 20| 20 Hij ziet de ogen, en zucht gelijk
250 30, 26| bezorgd over de spijzen, die hij eten zal.~ ~
251 31, 3 | te vergaderen, en wanneer hij rust heeft, vult hij zich
252 31, 3 | wanneer hij rust heeft, vult hij zich op met zijn lekkernijen.~
253 31, 4 | leeftocht vermindert, en als hij rust wordt hij behoeftig.~
254 31, 4 | vermindert, en als hij rust wordt hij behoeftig.~
255 31, 9 | hem zalig prijzen; want hij heeft wonderlijke dingen
256 31, 10| en volmaakt bevonden? en hij zal zijn tot een roem. Wie
257 31, 16| Steek uw hand niet uit daar hij heenziet, en wrijf ze met
258 31, 21| die wel onderwezen is; en hij hijgt niet op zijn bed,
259 31, 21| hijgt niet op zijn bed, hij heeft een gezonde slaap,
260 31, 21| met een matig ingewand, hij staat des morgens vroeg
261 31, 31| Wat voor een leven heeft hij die het aan wijn ontbreekt?
262 31, 31| aan wijn ontbreekt? Want hij is geschapen om de mensen
263 31, 36| verdruk hem niet, wanneer hij u ontmoet.~ ~
264 32, 18| en naar zijn wil vindt hij uit hetgeen hem behaagt.~
265 32, 19| niet vervaard, en nadat hij iets gedaan heeft, is hij
266 32, 19| hij iets gedaan heeft, is hij bij zichzelf zonder raad.~
267 33, 1 | geen kwaad ontmoeten, maar hij zal hem in verzoeking ook
268 33, 6 | gelijk een springhengst, hij briest onder een ieder,
269 33, 8 | Heren onderscheiden, en hij heeft de tijden en de feesten
270 33, 9 | 9 Van deze heeft hij sommige verhoogd en geheiligd,
271 33, 12| 12 Enigen uit hen heeft hij gezegend en verhoogd, en
272 33, 12| en enigen uit hen heeft hij geheiligd, en tot hem doen
273 33, 12| naderen, enigen uit hen heeft hij vervloekt en vernederd en
274 33, 14| die hem gemaakt heeft, dat hij hen vergelde naar zijn oordeel.~
275 33, 25| werken door tuchtiging, en hij zal rust zoeken; laat hem
276 33, 25| de handen ledig zijn, en hij zal vrijheid zoeken.~
277 33, 27| hem tot het i werk, opdat hij niet ledig ga, want de ledigheid
278 33, 29| 29 Indien hij niet gehoorzaam is, verzwaar
279 33, 30| gij een huisknecht, dat hij u zij gelijk uw ziel, omdat
280 33, 30| gelijk een broeder, want hij is gelijk uw ziel, gij zult
281 33, 31| onrechtvaardig zoudt mishandelen, en hij oprijzende weg zou lopen,
282 34, 2 | de winden najaagt, zo is hij die de dromen gadeslaat.~
283 34, 15| niet vervaard wezen, want hij is zijn hoop.~
284 34, 16| Here vreest, aan wie houdt hij, en wie is zijn steunsel?~
285 34, 17| degenen die hem liefhebben; hij is hun een krachtig schild
286 34, 18| 18 Hij verhoogt de ziel, en verlicht
287 34, 18| ziel, en verlicht de ogen, hij geeft genezing, leven en
288 34, 21| 21 Hij slacht de zoon in tegenwoordigheid
289 34, 23| 23 Hij doodt zijn naaste, die hem
290 34, 24| 24 En hij vergiet bloed, die het loon
291 34, 27| iemand is gewassen nadat hij een dode heeft aangeraakt,
292 34, 27| welke nuttigheid heeft hij van zijn wassing?~
293 34, 28| gebed verhoren? en wat is hij daarmee gevorderd dat hij
294 34, 28| hij daarmee gevorderd dat hij zichzelf vernederd heeft?~ ~
295 35, 10| Allerhoogste naar hetgeen hij u gegeven heeft, en met
296 35, 11| Here is een vergelden, en hij zal het zevenvoudig vergelden.~
297 35, 12| Besnoei uw gave niet, want hij zou ze niet aannemen, en
298 35, 14| desgenen die onrecht lijdt zal hij verhoren.~
299 35, 15| 15 Hij zal het smeken der wezen
300 35, 18| gaat door de wolken, en hij wordt niet getroost, totdat
301 35, 18| wordt niet getroost, totdat hij nabij gekomen is, en laat
302 35, 19| lankmoedig zijn over hen, totdat hij de lendenen der onbarmhartigen
303 35, 20| 20 Ja, hij zal de volken wraak vergelden,
304 35, 20| wraak vergelden, totdat hij de menigte der smaders zal
305 35, 21| 21 Totdat hij de mens vergelde naar zijn
306 35, 22| 22 Totdat hij zal hebben geoordeeld het
307 36, 26| goederen te bezitten, aangezien hij een hulp heeft, die hem
308 36, 26| gelijk is, en een pilaar waar hij op rusten mag.~
309 36, 28| heeft, en neemt herberg waar hij ook des avonds is.~ ~
310 37, 4 | tijd van verdrukking zal hij hem tegen zijn.~
311 37, 9 | wat zijn behoefte is, want hij zal zichzelf raad geven,
312 37, 9 | zichzelf raad geven, opdat hij niet misschien het lot over
313 37, 13| man, van wie gij weet dat hij de geboden des Heren bewaart,
314 37, 20| onderwijzer van velen, en hij is zijn ziel niet nut.~
315 37, 22| genade niet gegeven, dewijl hij van alle wijsheid beroofd
316 38, 3 | hoofd, en bij de groten is hij in bewondering.~
317 38, 6 | 6 Hij heeft de mensen wetenschap
318 38, 7 | 7 Door deze heelt hij de mens en neemt zijn krankheid
319 38, 9 | niet, maar bid de Here, en hij zal u genezen.~
320 38, 14| zelf bidden de Here, dat hij hun geve, rust en genezing
321 38, 26| 26 Wat zou hij wijs worden, die de ploeg
322 38, 31| versmelt zijn vlees, en hij heeft met de hitte des ovens
323 38, 35| 35 Met zijn arm geeft hij het leem een gestalte, en
324 38, 35| en voor zijn voeten buigt hij zijn hardheid.~
325 38, 36| 36 Hij begeeft zijn hart daartoe
326 38, 36| begeeft zijn hart daartoe wat hij wel verglaze, en waakt om
327 39, 2 | vermaarde manen onthoudt hij, en in kloeke spreuken gaat
328 39, 2 | in kloeke spreuken gaat hij met hen om.~
329 39, 3 | 3 Hij onderzoekt verborgen spreekwoorden,
330 39, 3 | raadselen der spreuken oefent hij zich.~
331 39, 4 | Midden onder de groten dient hij, en onder de vorsten wordt
332 39, 4 | en onder de vorsten wordt hij gezien.~
333 39, 5 | vreemde volken doorreist hij, want hij heeft wat goed
334 39, 5 | volken doorreist hij, want hij heeft wat goed en kwaad
335 39, 6 | 6 Hij begeeft zijn hart tot de
336 39, 6 | tot de Allerhoogste smeekt hij.~
337 39, 8 | die grote Here wil, zo zal hij met de geest des verstands
338 39, 9 | 9 Hij zal de woorden zijner wijsheid
339 39, 9 | en in zijn gebed dankt hij de Here.~
340 39, 10| 10 Hij maakt zijn raadslag en wetenschap
341 39, 11| 11 Hij brengt de onderwijzing zijner
342 39, 11| verbond des Heren roemt hij.~
343 39, 15| 15 Indien hij in het leven blijft, zo
344 39, 15| het leven blijft, zo zal hij een betere naam nalaten
345 39, 15| duizend anderen; en indien hij komt te rusten, zo verkrijgt
346 39, 15| te rusten, zo verkrijgt hij die voor zich.~
347 39, 20| alle zeer schoon, en al wat hij gebiedt geschiedt in zijn
348 39, 22| verminderen zal hetgeen hij behouden wil.~
349 39, 24| 24 Van eeuw tot eeuw ziet hij daarop, en daar is niets
350 39, 27| volken zijn toorn, gelijk hij de wateren in pekel verkeert.~
351 39, 38| al wat nodig is verleent hij als het tijd is.~
352 40, 5 | 5 Hij bekomt gramschap en nijdigheid,
353 40, 6 | 6 Hij heeft weinig, en gelijk
354 40, 6 | geen rust, en daarna slaapt hij gelijk in de dagen der schildwacht.~
355 40, 7 | 7 Hij wordt ontroerd door het
356 40, 7 | tijd zijner behoudenis, is hij verwonderd dat hij om niet
357 40, 7 | behoudenis, is hij verwonderd dat hij om niet gevreesd heeft.~
358 40, 13| 13 Als hij de handen opendoet, zo wordt
359 40, 26| Heren geen vermindering, en hij behoeft voor zichzelf geen
360 40, 27| alle heerlijkheid bedekt hij die.~
361 40, 29| voor geen leven te rekenen; hij besmet zijn ziel met vreemde
362 42, 12| En in haar jeugd vreest hij dat zij misschien niet veroude,
363 42, 22| afgrond en het hart onderzoekt hij, en is bedacht op de boze
364 42, 24| 24 Hij verkondigt de dingen die
365 42, 24| die nog worden zullen, en hij ontdekt de voetstappen der
366 42, 26| 26 Hij heeft de heerlijke werken
367 42, 26| zijn wijsheid versierd; hij die is vóór de wereld en
368 42, 27| 27 Hij wordt noch vermeerderd,
369 42, 30| tegenover het ander, en hij heeft niets gebrekkigs gemaakt.~
370 43, 6 | 6 Ook heeft hij de maan gemaakt, dat zij
371 43, 13| 13 Hij omvat de hemel met een heerlijke
372 43, 14| 14 Door zijn bevel doet hij de sneeuw ophouden, en verhaast
373 43, 16| grote heerlijkheid versterkt hij de wolken, en de hagelstenen
374 43, 19| 19 Hij verspreidt de sneeuw gelijk
375 43, 21| 21 En hij giet de rijm op de aarde
376 43, 22| tot ijs bevriest, zo zet hij zich op alle vergadering
377 43, 23| 23 Hij verteert de bergen en verbrandt
378 43, 29| mijn woorden voleindige, hij is het Al.~
379 43, 30| zullen wij het vermogen? Want hij is groot boven al zijn werken.~
380 43, 32| zoveel gij kunt; evenwel zal hij het nog overtreffen.~
381 43, 34| zal hem groot maken gelijk hij is?~
382 44, 21| en in de verzoeking werd hij getrouw bevonden.~
383 44, 22| 22 Daarom heeft hij hem met een eed beloofd,
384 44, 22| met een eed beloofd, dat hij de vol ken zou zegenen in
385 44, 24| 24 En alzo heeft hij ook in Izaäk gesteld, om
386 44, 25| 25 Die heeft hij gekend in zijn zegeningen,
387 44, 25| gescheiden in stammen, die hij verdeeld heeft in twaalf.~
388 45, 2 | 2 Hij heeft hem der heiligen heerlijkheid
389 45, 2 | door zijn woorden heeft hij de tekenen doen ophouden;
390 45, 3 | 3 Hij heeft hem bevel gegeven
391 45, 4 | en zachtmoedigheid heeft hij hem geheiligd; hij heeft
392 45, 4 | heeft hij hem geheiligd; hij heeft hem uit alle vlees
393 45, 5 | 5 Hij heeft hem zijn stem laten
394 45, 7 | de stam van Levi, heeft hij verhoogd, dat hij heilig
395 45, 7 | heeft hij verhoogd, dat hij heilig en hem gelijk ware.~
396 45, 8 | 8 Hij heeft met hem een eeuwig
397 45, 14| 14 Hij heeft hem versierd met een
398 45, 20| Uit alle levenden heeft hij hem uitverkoren, om de Here
399 45, 21| 21 Hij heeft hem zijn bevelen gegeven,
400 45, 24| 24 Hij heeft aan hen wonderen gedaan,
401 45, 25| 25 Hij heeft Aärons heerlijkheid
402 45, 25| der eerstgeborenen heeft hij hem ten deel gegeven.~
403 45, 26| 26 Vooral heeft hij hem brood toebereid in verzadiging;
404 45, 26| slachtoffers des Heren, welke hij hem en zijn zaad gegeven
405 45, 27| in het land des volks had hij geen erfdeel, en kreeg geen
406 45, 27| deel onder het volk, want hij zelf was het deel zijner
407 45, 28| in heerlijk heid, omdat hij had geijverd in de vreze
408 45, 30| verbond des vredes, dat hij zou zijn een voorstander
409 45, 30| der heilige dingen, en dat hij en zijn zaad de grote heerlijkheid
410 45, 32| 32 Hij geve ulieden wijsheid in
411 46, 3 | 3 Hoe is hij verheerlijkt geworden, als
412 46, 3 | verheerlijkt geworden, als hij zijn handen ophief, en het
413 46, 4 | 4 Wie heeft eer dan hij zo gestaan? want de oorlogen
414 46, 4 | oorlogen des Heren heeft hij gevoerd.~
415 46, 6 | 6 Hij riep de Allerhoogste God
416 46, 6 | Allerhoogste God aan als hij de vijanden rondom onderdrukte,
417 46, 7 | 7 Hij brak uit met oorlog tegen
418 46, 7 | afkomen tot hen vernielde hij die tegenstonden.~
419 46, 8 | Here was, want ook volgde hij de machtige na.~
420 46, 9 | ten tijde van Mozes deed hij barmhartigheid, hij en Kaleb
421 46, 9 | deed hij barmhartigheid, hij en Kaleb de zoon van Jefune,
422 46, 11| tot in zijn ouderdom, dat hij opklom op het hoogste van
423 46, 16| 16 Hij richtte de vergadering naar
424 46, 17| 17 Door zijn geloof is hij ten volle bevonden een profeet,
425 46, 18| 18 En hij riep de Here, de machtige,
426 46, 21| 21 En eer hij ontsliep betuigde hij voor
427 46, 21| eer hij ontsliep betuigde hij voor de Here, en zijn gezalfden,
428 46, 22| 22 En nadat hij ontslapen was profeteerde
429 46, 22| ontslapen was profeteerde hij, en voorzeide de koning
430 47, 3 | Onder leeuwen verkeerde hij gelijk onder geitebokjes,
431 47, 4 | 4 In zijn jeugd bracht hij een reus om, en nam de versmaadheid
432 47, 5 | 5 Toen hij zijn hand ophief om met
433 47, 6 | 6 Want hij riep de Allerhoogste Here
434 47, 6 | zijn rechterhand kracht dat hij weg nam een mens, die machtig,
435 47, 8 | 8 Hij verdelgde de vijanden rondom,
436 47, 8 | de huidige dag toe heeft hij hun hoorn verbroken.~
437 47, 9 | 9 In al wat hij deed gaf hij God, de heilige
438 47, 9 | 9 In al wat hij deed gaf hij God, de heilige en Allerhoogste,
439 47, 10| Uit geheel zijn hart zong hij lofzangen, en had degene
440 47, 12| 12 Hij heeft op de feesten ingesteld
441 47, 15| rust gegeven had, opdat hij voor zijn naam een huis
442 47, 16| 16 Hoe wijs was hij in zijn jeugd? en werd vervuld
443 47, 24| 24 Hij delgde de nakomelingen van
444 48, 2 | en door zijn ijver maakte hij dat hunner weinig werd.~
445 48, 3 | het woord des Heren hield hij de hemel op, en deed driemaal
446 48, 13| Geest; en in zijn dagen werd hij niet bewogen door de oversten,
447 48, 14| ging hem te boven, en als hij ontslapen was profeteerde
448 48, 15| 15 En in zijn leven deed hij wonderen, en in zijn dood
449 48, 19| water in het midden daarvan; hij groef de spitse rotssteen
450 48, 24| 24 Hij sloeg het leger der Assyriërs,
451 48, 27| 27 Hij zag door een grote geest
452 48, 28| 28 Hij wees aan de toekomende dingen
453 49, 3 | 3 Hij heeft zich recht gedragen
454 49, 4 | 4 Hij richtte zijn hart tot de
455 49, 7 | 7 Daarom heeft hij hun troon anderen gegeven,
456 49, 9 | kwalijk behandeld, hoewel hij in moeders lichaam was geheiligd
457 49, 11| 11 Want ook gedacht hij de vijanden in de plasregen,
458 49, 13| Zerubbabel genoeg verheffen! want hij was gelijk een zegelring
459 49, 16| op aarde als Henoch, want hij is opgenomen van de aarde.~
460 50, 4 | 4 Hij droeg zorg voor zijn volk,
461 50, 10| is tot aan de wolken; als hij het kleed der heerlijkheid
462 50, 10| heerlijkheid nam, en als hij de volmaakte roem aantrok.~
463 50, 11| heilige altaar verheerlijkte hij de heilige kleding.~
464 50, 12| 12 En als hij de gedeelten der offeranden
465 50, 12| priesters ontving, zo stond hij zelf bij de haard van het
466 50, 15| 15 Strekte hij zijn handen uit tot de offerbeker,
467 50, 24| vorige eeuw geweest is; dat hij getrouw aan ons bewijze
468 50, 28| 28 Zalig is hij, die zich in deze dingen.
469 50, 29| 29 Want indien hij ze doet, zal hij tot alle
470 50, 29| indien hij ze doet, zal hij tot alle dingen bekwaam
471 50, 29| Heren zijn voetstap is, en hij geeft de godvrezenden wijsheid.~
472 51, 13| vader mijns Heren aan, dat hij mij niet wilde verlaten
473 51, 38| uw werk voor de tijd, en hij zal u te zijner tijd loon
|