Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
hierin 1
hiertoe 1
hiervoor 1
hij 473
hijgt 1
hinderen 1
hiskia 3
Frequency    [«  »]
548 in
528 niet
475 van
473 hij
415 zal
317 hem
299 uw

Het boek Ecclesiasticus

IntraText - Concordances

hij

    Chapter, Verse
1 1, 9 | vlees naar zijn gave, en hij verleent haar degenen die 2 1, 12| de dag van zijn dood zal hij gezegend worden.~ 3 1, 24| 24 Hij zal zijn woorden een tijdlang 4 2, 6 | 6 Geloof hem en hij zal u helpen, maak uw wegen 5 3, 32| deze in het toekomende, en hij zal in de tijd van zijn 6 4, 6 | zijner ziel, zijn gebed zal hij horen, die hem gemaakt heeft,~ 7 4, 11| zoon des Allerhoogsten, en hij zal u meer beminnen dan 8 4, 17| 17 Indien hij haar vertrouwt, zo zal hij 9 4, 17| hij haar vertrouwt, zo zal hij haar beërven, en zijn nakomelingen 10 4, 22| 22 Indien hij zou afdwalen, zo zal zij 11 5, 1 | uw rijkdom, en zeg niet, hij is mij genoegzaam om te 12 5, 4 | want de Here is lankmoedig, hij zal u niet laten heengaan.~ 13 5, 10| onrechtvaardige rijkdom, want hij zal u geen voordeel doen 14 6, 11| 11 Als het u wel gaat zal hij zijn als gij, en over uw 15 6, 11| over uw huisknechten zal hij vrijmoedigheid gebruiken.~ 16 6, 12| vernederd wordt, zo zal hij tegen u zijn, en zal zich 17 6, 17| vriendschap; want naar dat hij is, zo zullen ook zijn naasten 18 6, 22| steen der beproeving, en hij zal niet vertoeven haar 19 6, 37| in zijn bevelen, zo zal hij uw hart versterken, en de 20 7, 9 | 9 Zeg niet: Hij zal op de menigte mijner 21 7, 9 | Allerhoogste ofer, zo zal hij het aannemen.~ 22 8, 2 | met een rijk mens, opdat hij u misschien niet overmag.~ 23 8, 14| op tegen de smader, opdat hij uw mond niet bespiede.~ 24 8, 18| niet met een stoute, opdat hij u niet bezware, want hij 25 8, 18| hij u niet bezware, want hij zal naar zijn wil doen, 26 8, 19| waar geen hulp is, daar zal hij u ter neder werpen.~ 27 8, 20| niet met een dwaas, want hij zal geen zaak kunnen bedekken.~ 28 8, 21| want gij weet niet wat hij baren zal.~ 29 9, 13| gelijk nieuwe wijn: als hij zal oud geworden zijn, drink 30 10, 4 | in de hand des Heren, en hij zal te zijner tijd over 31 10, 5 | des schriftgeleerden zal hij zijn heerlijkheid stellen.~ 32 10, 10| werpen deze weg, terwijl hij nog leeft.~ 33 10, 11| iemand koning, en morgen zal hij sterven.~ 34 10, 12| een mens sterft, zo beërft hij kruipende en wild gedierte 35 10, 14| moedwil, doch op het einde zal hij omgekeerd worden.~ 36 10, 19| 19 Hij heeft ze daaruit weggenomen, 37 10, 28| zal niet murmureren als hij onderwezen wordt.~ 38 11, 12| ontbreekt hem aan sterkte, en hij heeft grote armoede, en 39 11, 19| 19 Wanneer hij zegt: Ik heb rust gevonden, 40 11, 19| eten zonder ophouden, en hij weet niet wat tijd hem overkomen 41 11, 19| tijd hem overkomen zal, en hij zal ze anderen nalaten en 42 11, 23| en in een korte tijd doet hij zijn zegen uitspruiten.~ 43 11, 32| 32 Want hij loert verkerende het goede 44 11, 32| in uitgelezen dingen zal hij u een schandvlek opleggen.~ 45 11, 34| voor een boosdoener, want hij smeedt boze dingen; dat 46 11, 34| smeedt boze dingen; dat hij u niet te eniger tijd een 47 11, 35| vreemde in uw huis wonen, en hij zal u door onrust verstoren, 48 12, 5 | en geef hem niet, opdat hij u daardoor niet overweldige, 49 12, 6 | zondaars, en de godvrezende zal hij wreken, maar genen bewaart 50 12, 6 | wreken, maar genen bewaart hij tot de krachtige dag der 51 12, 11| 11 Indien hij zou vernederd worden, en 52 12, 11| zult gewaar worden, dat hij die niet tot het einde toe 53 12, 12| hem niet nevens u, opdat hij niet te eniger tijd u omgekeerd 54 12, 12| aan uw rechterzijde, dat hij niet te eniger tijd zoeke 55 12, 14| 14 Hij zal een uur bij u blijven 56 12, 14| zoudt uitwijken, zo zal hij niet volharden.~ 57 12, 15| spreken, maar in zijn hart zal hij beraadslagen om u in een 58 12, 16| 16 Met zijn ogen zal hij wenen, en indien hij gelegen 59 12, 16| zal hij wenen, en indien hij gelegen tijd zal vinden, 60 12, 16| tijd zal vinden, zo zal hij niet verzadigd kunnen worden 61 12, 17| mens die helpen wil, zal hij uw hiel doorklieven.~ 62 12, 18| 18 Hij zal zijn hoofd schudden, 63 13, 4 | een arme doet onrecht, en hij wordt bedreigd.~ 64 13, 5 | kunt bevorderlijk zijn, zal hij u te werk stel len, maar 65 13, 5 | indien gij verachtert, zal hij u onderdrukken.~ 66 13, 6 | wat zult hebben, zo zal hij met u leven, en zal u uitledigen, 67 13, 6 | uitledigen, en zelf zal hij niet arbeiden.~ 68 13, 7 | 7 Heeft hij u nodig, zo zal hij u bedriegen, 69 13, 7 | Heeft hij u nodig, zo zal hij u bedriegen, en aanlokken, 70 13, 7 | aanlokken, en zal u hoop geven; hij zal schoon met u spreken, 71 13, 8 | 8 Hij zal u met zijn spijs beschaamd 72 13, 8 | beschaamd maken, totdat hij u uitledige tot twee of 73 13, 8 | toe, en op het laatste zal hij u bespotten, en daarin zal 74 13, 8 | bespotten, en daarin zal hij u aanzien, en u verlaten, 75 13, 11| zo maak u ter zijde, en hij zal u zo veel te meer en 76 13, 13| met veel te spreken zal hij u verzoeken, en al toelachende 77 13, 13| verzoeken, en al toelachende zal hij uw heimelijke zaken onderzoeken.~ 78 13, 14| 14 Onbarmhartig is hij die zijn woorden niet houdt, 79 13, 14| zijn woorden niet houdt, en hij zal geenszins plagen en 80 13, 24| bewogen wordt, zo wordt hij van zijn vrienden onderstut; 81 13, 24| een arme valt, zo wordt hij daarenboven van zijn vrienden 82 13, 25| rijke struikelt, zo heeft hij velen, die hem ophelpen; 83 13, 25| die hem ophelpen; heeft hij onbetamelijke dingen gesproken, 84 13, 26| bekijft hem nog daartoe; hij heeft verstandige rede gesproken, 85 13, 28| Wie is deze? en indien hij aanstoot, men zal hem voorts 86 14, 2 | 2 Zalig is hij, die zijn ziel niet verdoemt, 87 14, 2 | vervalt van zijn hoop, die hij op de Here heeft.~ 88 14, 5 | zichzelf kwaad is, wie zal hij goed zijn? zelfs zal hij 89 14, 5 | hij goed zijn? zelfs zal hij zich niet verheugen in zijn 90 14, 7 | 7 Indien hij wel doet, hij doet het ongaarne, 91 14, 7 | 7 Indien hij wel doet, hij doet het ongaarne, en op 92 14, 7 | ongaarne, en op het laatst zal hij zijn boosheid doen blijken.~ 93 14, 19| dichte boom; enige werpt hij af, en andere doet hij uitspruiten; 94 14, 19| werpt hij af, en andere doet hij uitspruiten; zo is het met 95 14, 25| en onder haar takken zal hij overnachten.~ 96 14, 26| 26 Hij zal van haar beschermd worden 97 14, 26| in haar heerlijkheid zal hij herberg hebben.~ ~ 98 15, 2 | en gelijk een vrouw die hij als zij maagd was getrouwd 99 15, 4 | 4 Hij zal op haar gevestigd worden, 100 15, 4 | en zal niet wankelen, en hij zal zich aan haar houden, 101 15, 6 | 6 Hij zal vrolijkheid en een kroon 102 15, 9 | zondaars voegt niet wel, omdat hij hem van de Here niet is 103 15, 11| afgevallen ben; want hetgeen hij haat moet gij niet doen.~ 104 15, 12| 12 Zeg niet, hij heeft mij gemaakt, want 105 15, 12| heeft mij gemaakt, want hij heeft de zondaar niet van 106 15, 14| 14 Hij heeft van den beginne de 107 15, 16| 16 Hij heeft u vuur en water voorgesteld; 108 15, 18| de wijsheid des Heren, en hij is sterk in kracht, en ziet 109 15, 19| degenen die hem vrezen, en hij zal kennis nemen van alle 110 15, 20| 20 Hij heeft niemand geboden goddeloos 111 16, 8 | 8 Hij is niet verzoend geworden 112 16, 9 | 9 Hij verschoonde die niet, bij 113 16, 9 | welke Lot woonde; aan welke hij een gruwel had, vanwege 114 16, 10| 10 Hij ontfermde zich niet over 115 16, 12| ontferming en toorn is bij hem; hij is een machtig Here, die 116 16, 13| is ook zijn kastijding; hij zal een ieder oordelen naar 117 16, 15| heeft Faraö verhard, dat hij hem niet kende, opdat zijn 118 16, 15| licht en duisternis heeft hij onderscheiden met een diamantsteen.~ 119 16, 26| zij gemaakt zijn, heeft hij hun delen onder scheiden.~ 120 16, 27| 27 Hij heeft zijn werken versierd 121 16, 30| 30 Hij bedekt het leven van alle 122 17, 2 | 2 Hij heeft hun een getal van 123 17, 3 | 3 Hij heeft hen bekleed met sterkte, 124 17, 4 | 4 Hij heeft hun vreze gelegd op 125 17, 4 | alle vlees, en gegeven dat hij zou heersen over de dieren 126 17, 5 | En voor het zesde heeft hij hun het vernuft geschonken, 127 17, 6 | 6 Hij heeft hun gegeven raad, 128 17, 6 | wetenschap des verstands heeft hij hen vervuld, en hun hetgeen 129 17, 7 | 7 Hij heeft zijn ogen op hun harten 130 17, 7 | ogen op hun harten gelegd; hij heeft hun gegeven in eeuwigheid 131 17, 9 | 9 Hij heeft hun nog toegelegd 132 17, 10| Een eeuwig verbond heeft hij met hen opgericht, en hun 133 17, 14| gesteld, maar Israël nam hij tot zijn deel aan, welke, 134 17, 14| eerstgeborene, de tucht op voedt, en hij deelt hem mede het licht 135 17, 17| dochters bekering, daarna zal hij opstaan en hen weder vergelden, 136 17, 17| vergelden, en hun vergelding zal hij op hun hoofd vergelden.~ 137 17, 20| van ongerechtigheid, want hij zal u geleiden uit de duisternis 138 17, 28| 28 Hij ziet aan de kracht des hogen 139 18, 2 | en daar is geen ander dan hij; hij heeft de wereld gebouwd 140 18, 2 | daar is geen ander dan hij; hij heeft de wereld gebouwd 141 18, 2 | zijn wil gehoorzaam. Want hij is een koning aller dingen 142 18, 3 | 3 Wie heeft hij macht gegeven zijn werken 143 18, 6 | hebben voleindigd, dan begint hij, en wanneer hij zal opgehouden 144 18, 6 | dan begint hij, en wanneer hij zal opgehouden hebben, dan 145 18, 7 | is de mens? en waartoe is hij nut? wat is zijn goed en 146 18, 11| 11 Hij heeft gezien en verstaan 147 18, 11| het kwaad is, daarom heeft hij zijn verzoening vermenigvuldigd.~ 148 18, 13| 13 Hij bestraft, en onderwijst, 149 18, 14| 14 Hij ontfermt zich over degenen, 150 18, 26| de dagen der zonden wacht hij zichzelf voor mishandeling, 151 19, 3 | wormen tot erfdeel hebben, en hij zal uitdrogen tot een zeer 152 19, 9 | 9 Want hij heeft u gehoord en u waargenomen, 153 19, 9 | en ter gelegener tijd zal hij u haten.~ 154 19, 13| vriend, misschien heeft hij het niet gedaan, en zo hij 155 19, 13| hij het niet gedaan, en zo hij het gedaan heeft, dat hij 156 19, 13| hij het gedaan heeft, dat hij het niet te eniger tijd 157 19, 14| naaste, misschien heeft hij het niet gezegd, en zo hij 158 19, 14| hij het niet gezegd, en zo hij het gezegd heeft, dat hij 159 19, 14| hij het gezegd heeft, dat hij het ten tweeden male niet 160 19, 19| zal ik niet doen, indien hij het daarna doet, ver toornt 161 19, 25| 25 Hij bukt het aangezicht, en 162 19, 25| hem niet gewaar wordt, zal hij u voorkomen om kwaad te 163 19, 26| 26 En indien hij bij gebrek van sterkte verhinderd 164 19, 26| wordt te zondigen, zo zal hij toch kwaad doen indien hij 165 19, 26| hij toch kwaad doen indien hij gelegener tijd vindt.~ 166 19, 28| mensen, verkondigen wat hij voor een is.~ 167 19, 29| daar is een die zwijgt, en hij is wijs.~ ~ 168 20, 2 | dochter te onteren, zo is hij die geweld oefent in het 169 20, 4 | Menigeen is er die zwijgt, want hij heeft niet te antwoorden, 170 20, 7 | vaardigheid bewijst? want zo zal hij de vrijwillige zonden vlieden.~ 171 20, 14| 14 Weinig zal hij geven, en veel verwijten, 172 20, 15| 15 Heden zal hij u lenen, en morgen wedereisen; 173 20, 17| zullen hem bespotten! want hij heeft het bezit zijner goederen 174 20, 19| mond der ongeschikten zal hij gedurig zijn.~ 175 20, 20| zal verworpen worden, want hij spreekt die niet op de bekwame 176 20, 22| schaamte, en verliest het omdat hij de persoon aanneemt.~ 177 21, 8 | verstandige merkt wel wanneer hij struikelt.~ 178 21, 16| geen kennis vatten, zo lang hij leeft.~ 179 21, 17| wijs woord hoort, zo prijst hij dat, en doet daar nog toe.~ 180 21, 30| vervloekt, zo vervloekt hij zijn eigen ziel.~ 181 21, 31| zijn eigen ziel, en waar hij ook zou mogen gaan wonen, 182 21, 31| mogen gaan wonen, daar zal hij gehaat worden.~ ~ 183 22, 3 | des vaders schande wanneer hij een ongeschikte zoon gewonnen 184 22, 9 | sluimerende, en in het einde zal hij zeggen: Wat is het?~ 185 22, 11| een dode zachter, dewijl hij rust.~ 186 22, 14| want ongevoelig zijnde zal hij al uw dingen voor niets 187 22, 15| niet bezoedeld wordt, als hij zijn vuilheid uitschudt.~ 188 22, 17| dan lood, en wat naam zal hij hebben anders dan lood.~ 189 23, 11| 11 Indien hij mishandelt, zijn zonde is 190 23, 11| zonde is op hem, en indien hij het niet acht, zo zondigt 191 23, 11| het niet acht, zo zondigt hij dubbel.~ 192 23, 12| 12 En zo hij ijdel gezworen heeft, hij 193 23, 12| hij ijdel gezworen heeft, hij zal niet gerechtvaardigd 194 23, 21| bedrijft, rust niet totdat hij een vuur ontstoken heeft.~ 195 23, 22| is allerlei brood zoet; hij zal niet aflaten totdat 196 23, 22| zal niet aflaten totdat hij zijn einde neemt.~ 197 23, 25| 25 En hij verstaat niet, dat de ogen 198 23, 27| zijn voleindigd, doorziet hij ze alle.~ 199 23, 28| en gegrepen worden waar hij het niet heeft gemeend.~ 200 24, 10| wereld, van den beginne heeft hij mij geschapen, en tot in 201 24, 11| een geheiligde stad heeft hij mij insgelijks doen rusten, 202 24, 26| sterk in de Here, opdat hij u krachtig make; kleeft 203 24, 27| 27 Hij vervult alle dingen met 204 25, 10| aan zijn kinderen, terwijl hij nog leeft, en die de val 205 25, 11| 11 Hij is zalig die bij een verstandige 206 25, 12| 12 Hij is zalig die kloekheid gevonden 207 25, 13| die wijsheid vindt! doch hij is niet boven degene, die 208 25, 15| Wie ze houdt, bij wie zal hij vergeleken worden?~ 209 25, 26| zij haar man toereikt dat hij van node heeft.~ 210 26, 4 | tot de Here. hetzij dat hij rijk of arm is, altijd hebben 211 26, 13| dorstende, de mond opent als hij een fontein vindt, en van 212 27, 7 | 7 Prijs niemand eer hij spreekt, want hieraan worden 213 27, 19| vijand verliest, zo heeft hij zijn naaste verloren.~ 214 27, 21| 21 Volg hem niet, want hij is verre van u weg, en is 215 27, 24| zijn mond zoet spreken, en hij zal zich over uw woorden 216 27, 24| verwonderen, maar daarna zal hij anders spreken, en maken 217 27, 28| kwaad herberg nemen, en hij zal niet weten vanwaar het 218 28, 1 | de Here wraak vinden, en hij zal zijn zonden zeker bewaren.~ 219 28, 2 | uw naaste het onrecht dat hij u gedaan heeft, en wanneer 220 28, 3 | toorn, en bij de Here zoekt hij genezing.~ 221 28, 4 | 4 En hij heeft geen barmhartigheid 222 28, 5 | 5 Hij, vlees zijnde, behoudt vijandschap 223 28, 10| die vrede hebben, werpt hij laster in.~ 224 28, 11| rijker de mens is, hoe meer hij zijn toorn verheft.~ 225 29, 5 | 5 Zolang als hij ontvangt, kust hij zijn 226 29, 5 | Zolang als hij ontvangt, kust hij zijn naastens handen, en 227 29, 5 | des naasten geld vernedert hij zijn stem.~ 228 29, 6 | 6 Maar wanneer hij het behoort weder te geven, 229 29, 6 | weder te geven, dan stelt hij de tijd uit, en geeft reden 230 29, 7 | 7 En indien hij het vermag te geven, zo 231 29, 7 | vermag te geven, zo zal hij nauwelijks de helft brengen, 232 29, 8 | indien niet, zo berooft hij hem van zijn geld, en maakt 233 29, 9 | 9 Hij betaalt hem met vloeken 234 29, 9 | scheldwoorden, en voor eer vergeldt hij hem oneer.~ 235 29, 14| geboden des Allerhoogsten, en hij zal u voordeliger zijn dan 236 29, 18| u borg geworden is, want hij heeft zijn ziel voor u gesteld.~ 237 30, 1 | altijd aan hem bezigen, opdat hij eindelijk van hem verheugd 238 30, 2 | der vermaarde lieden zal hij van hem roemen.~ 239 30, 3 | tegenwoordigheid der vrienden zal hij over hem vrolijk zijn.~ 240 30, 4 | gestorven, zo is het alsof hij niet gestorven ware, want 241 30, 4 | niet gestorven ware, want hij heeft achter zich gelaten 242 30, 5 | 5 In zijn leven zag hij hem, en was over hem verheugd, 243 30, 5 | verheugd, en in zijn dood was hij niet bedroefd.~ 244 30, 6 | 6 Hij heeft een nagelaten, die 245 30, 12| breek zijn lendenen, terwijl hij nog een kind is, opdat hij 246 30, 12| hij nog een kind is, opdat hij niet te eniger tijd verhard 247 30, 19| brandoffer de afgod nut? want hij eet niet, en hij riekt niet; 248 30, 19| nut? want hij eet niet, en hij riekt niet; zo gaat het 249 30, 20| 20 Hij ziet de ogen, en zucht gelijk 250 30, 26| bezorgd over de spijzen, die hij eten zal.~ ~ 251 31, 3 | te vergaderen, en wanneer hij rust heeft, vult hij zich 252 31, 3 | wanneer hij rust heeft, vult hij zich op met zijn lekkernijen.~ 253 31, 4 | leeftocht vermindert, en als hij rust wordt hij behoeftig.~ 254 31, 4 | vermindert, en als hij rust wordt hij behoeftig.~ 255 31, 9 | hem zalig prijzen; want hij heeft wonderlijke dingen 256 31, 10| en volmaakt bevonden? en hij zal zijn tot een roem. Wie 257 31, 16| Steek uw hand niet uit daar hij heenziet, en wrijf ze met 258 31, 21| die wel onderwezen is; en hij hijgt niet op zijn bed, 259 31, 21| hijgt niet op zijn bed, hij heeft een gezonde slaap, 260 31, 21| met een matig ingewand, hij staat des morgens vroeg 261 31, 31| Wat voor een leven heeft hij die het aan wijn ontbreekt? 262 31, 31| aan wijn ontbreekt? Want hij is geschapen om de mensen 263 31, 36| verdruk hem niet, wanneer hij u ontmoet.~ ~ 264 32, 18| en naar zijn wil vindt hij uit hetgeen hem behaagt.~ 265 32, 19| niet vervaard, en nadat hij iets gedaan heeft, is hij 266 32, 19| hij iets gedaan heeft, is hij bij zichzelf zonder raad.~ 267 33, 1 | geen kwaad ontmoeten, maar hij zal hem in verzoeking ook 268 33, 6 | gelijk een springhengst, hij briest onder een ieder, 269 33, 8 | Heren onderscheiden, en hij heeft de tijden en de feesten 270 33, 9 | 9 Van deze heeft hij sommige verhoogd en geheiligd, 271 33, 12| 12 Enigen uit hen heeft hij gezegend en verhoogd, en 272 33, 12| en enigen uit hen heeft hij geheiligd, en tot hem doen 273 33, 12| naderen, enigen uit hen heeft hij vervloekt en vernederd en 274 33, 14| die hem gemaakt heeft, dat hij hen vergelde naar zijn oordeel.~ 275 33, 25| werken door tuchtiging, en hij zal rust zoeken; laat hem 276 33, 25| de handen ledig zijn, en hij zal vrijheid zoeken.~ 277 33, 27| hem tot het i werk, opdat hij niet ledig ga, want de ledigheid 278 33, 29| 29 Indien hij niet gehoorzaam is, verzwaar 279 33, 30| gij een huisknecht, dat hij u zij gelijk uw ziel, omdat 280 33, 30| gelijk een broeder, want hij is gelijk uw ziel, gij zult 281 33, 31| onrechtvaardig zoudt mishandelen, en hij oprijzende weg zou lopen, 282 34, 2 | de winden najaagt, zo is hij die de dromen gadeslaat.~ 283 34, 15| niet vervaard wezen, want hij is zijn hoop.~ 284 34, 16| Here vreest, aan wie houdt hij, en wie is zijn steunsel?~ 285 34, 17| degenen die hem liefhebben; hij is hun een krachtig schild 286 34, 18| 18 Hij verhoogt de ziel, en verlicht 287 34, 18| ziel, en verlicht de ogen, hij geeft genezing, leven en 288 34, 21| 21 Hij slacht de zoon in tegenwoordigheid 289 34, 23| 23 Hij doodt zijn naaste, die hem 290 34, 24| 24 En hij vergiet bloed, die het loon 291 34, 27| iemand is gewassen nadat hij een dode heeft aangeraakt, 292 34, 27| welke nuttigheid heeft hij van zijn wassing?~ 293 34, 28| gebed verhoren? en wat is hij daarmee gevorderd dat hij 294 34, 28| hij daarmee gevorderd dat hij zichzelf vernederd heeft?~ ~ 295 35, 10| Allerhoogste naar hetgeen hij u gegeven heeft, en met 296 35, 11| Here is een vergelden, en hij zal het zevenvoudig vergelden.~ 297 35, 12| Besnoei uw gave niet, want hij zou ze niet aannemen, en 298 35, 14| desgenen die onrecht lijdt zal hij verhoren.~ 299 35, 15| 15 Hij zal het smeken der wezen 300 35, 18| gaat door de wolken, en hij wordt niet getroost, totdat 301 35, 18| wordt niet getroost, totdat hij nabij gekomen is, en laat 302 35, 19| lankmoedig zijn over hen, totdat hij de lendenen der onbarmhartigen 303 35, 20| 20 Ja, hij zal de volken wraak vergelden, 304 35, 20| wraak vergelden, totdat hij de menigte der smaders zal 305 35, 21| 21 Totdat hij de mens vergelde naar zijn 306 35, 22| 22 Totdat hij zal hebben geoordeeld het 307 36, 26| goederen te bezitten, aangezien hij een hulp heeft, die hem 308 36, 26| gelijk is, en een pilaar waar hij op rusten mag.~ 309 36, 28| heeft, en neemt herberg waar hij ook des avonds is.~ ~ 310 37, 4 | tijd van verdrukking zal hij hem tegen zijn.~ 311 37, 9 | wat zijn behoefte is, want hij zal zichzelf raad geven, 312 37, 9 | zichzelf raad geven, opdat hij niet misschien het lot over 313 37, 13| man, van wie gij weet dat hij de geboden des Heren bewaart, 314 37, 20| onderwijzer van velen, en hij is zijn ziel niet nut.~ 315 37, 22| genade niet gegeven, dewijl hij van alle wijsheid beroofd 316 38, 3 | hoofd, en bij de groten is hij in bewondering.~ 317 38, 6 | 6 Hij heeft de mensen wetenschap 318 38, 7 | 7 Door deze heelt hij de mens en neemt zijn krankheid 319 38, 9 | niet, maar bid de Here, en hij zal u genezen.~ 320 38, 14| zelf bidden de Here, dat hij hun geve, rust en genezing 321 38, 26| 26 Wat zou hij wijs worden, die de ploeg 322 38, 31| versmelt zijn vlees, en hij heeft met de hitte des ovens 323 38, 35| 35 Met zijn arm geeft hij het leem een gestalte, en 324 38, 35| en voor zijn voeten buigt hij zijn hardheid.~ 325 38, 36| 36 Hij begeeft zijn hart daartoe 326 38, 36| begeeft zijn hart daartoe wat hij wel verglaze, en waakt om 327 39, 2 | vermaarde manen onthoudt hij, en in kloeke spreuken gaat 328 39, 2 | in kloeke spreuken gaat hij met hen om.~ 329 39, 3 | 3 Hij onderzoekt verborgen spreekwoorden, 330 39, 3 | raadselen der spreuken oefent hij zich.~ 331 39, 4 | Midden onder de groten dient hij, en onder de vorsten wordt 332 39, 4 | en onder de vorsten wordt hij gezien.~ 333 39, 5 | vreemde volken doorreist hij, want hij heeft wat goed 334 39, 5 | volken doorreist hij, want hij heeft wat goed en kwaad 335 39, 6 | 6 Hij begeeft zijn hart tot de 336 39, 6 | tot de Allerhoogste smeekt hij.~ 337 39, 8 | die grote Here wil, zo zal hij met de geest des verstands 338 39, 9 | 9 Hij zal de woorden zijner wijsheid 339 39, 9 | en in zijn gebed dankt hij de Here.~ 340 39, 10| 10 Hij maakt zijn raadslag en wetenschap 341 39, 11| 11 Hij brengt de onderwijzing zijner 342 39, 11| verbond des Heren roemt hij.~ 343 39, 15| 15 Indien hij in het leven blijft, zo 344 39, 15| het leven blijft, zo zal hij een betere naam nalaten 345 39, 15| duizend anderen; en indien hij komt te rusten, zo verkrijgt 346 39, 15| te rusten, zo verkrijgt hij die voor zich.~ 347 39, 20| alle zeer schoon, en al wat hij gebiedt geschiedt in zijn 348 39, 22| verminderen zal hetgeen hij behouden wil.~ 349 39, 24| 24 Van eeuw tot eeuw ziet hij daarop, en daar is niets 350 39, 27| volken zijn toorn, gelijk hij de wateren in pekel verkeert.~ 351 39, 38| al wat nodig is verleent hij als het tijd is.~ 352 40, 5 | 5 Hij bekomt gramschap en nijdigheid, 353 40, 6 | 6 Hij heeft weinig, en gelijk 354 40, 6 | geen rust, en daarna slaapt hij gelijk in de dagen der schildwacht.~ 355 40, 7 | 7 Hij wordt ontroerd door het 356 40, 7 | tijd zijner behoudenis, is hij verwonderd dat hij om niet 357 40, 7 | behoudenis, is hij verwonderd dat hij om niet gevreesd heeft.~ 358 40, 13| 13 Als hij de handen opendoet, zo wordt 359 40, 26| Heren geen vermindering, en hij behoeft voor zichzelf geen 360 40, 27| alle heerlijkheid bedekt hij die.~ 361 40, 29| voor geen leven te rekenen; hij besmet zijn ziel met vreemde 362 42, 12| En in haar jeugd vreest hij dat zij misschien niet veroude, 363 42, 22| afgrond en het hart onderzoekt hij, en is bedacht op de boze 364 42, 24| 24 Hij verkondigt de dingen die 365 42, 24| die nog worden zullen, en hij ontdekt de voetstappen der 366 42, 26| 26 Hij heeft de heerlijke werken 367 42, 26| zijn wijsheid versierd; hij die is vóór de wereld en 368 42, 27| 27 Hij wordt noch vermeerderd, 369 42, 30| tegenover het ander, en hij heeft niets gebrekkigs gemaakt.~ 370 43, 6 | 6 Ook heeft hij de maan gemaakt, dat zij 371 43, 13| 13 Hij omvat de hemel met een heerlijke 372 43, 14| 14 Door zijn bevel doet hij de sneeuw ophouden, en verhaast 373 43, 16| grote heerlijkheid versterkt hij de wolken, en de hagelstenen 374 43, 19| 19 Hij verspreidt de sneeuw gelijk 375 43, 21| 21 En hij giet de rijm op de aarde 376 43, 22| tot ijs bevriest, zo zet hij zich op alle vergadering 377 43, 23| 23 Hij verteert de bergen en verbrandt 378 43, 29| mijn woorden voleindige, hij is het Al.~ 379 43, 30| zullen wij het vermogen? Want hij is groot boven al zijn werken.~ 380 43, 32| zoveel gij kunt; evenwel zal hij het nog overtreffen.~ 381 43, 34| zal hem groot maken gelijk hij is?~ 382 44, 21| en in de verzoeking werd hij getrouw bevonden.~ 383 44, 22| 22 Daarom heeft hij hem met een eed beloofd, 384 44, 22| met een eed beloofd, dat hij de vol ken zou zegenen in 385 44, 24| 24 En alzo heeft hij ook in Izaäk gesteld, om 386 44, 25| 25 Die heeft hij gekend in zijn zegeningen, 387 44, 25| gescheiden in stammen, die hij verdeeld heeft in twaalf.~ 388 45, 2 | 2 Hij heeft hem der heiligen heerlijkheid 389 45, 2 | door zijn woorden heeft hij de tekenen doen ophouden; 390 45, 3 | 3 Hij heeft hem bevel gegeven 391 45, 4 | en zachtmoedigheid heeft hij hem geheiligd; hij heeft 392 45, 4 | heeft hij hem geheiligd; hij heeft hem uit alle vlees 393 45, 5 | 5 Hij heeft hem zijn stem laten 394 45, 7 | de stam van Levi, heeft hij verhoogd, dat hij heilig 395 45, 7 | heeft hij verhoogd, dat hij heilig en hem gelijk ware.~ 396 45, 8 | 8 Hij heeft met hem een eeuwig 397 45, 14| 14 Hij heeft hem versierd met een 398 45, 20| Uit alle levenden heeft hij hem uitverkoren, om de Here 399 45, 21| 21 Hij heeft hem zijn bevelen gegeven, 400 45, 24| 24 Hij heeft aan hen wonderen gedaan, 401 45, 25| 25 Hij heeft Aärons heerlijkheid 402 45, 25| der eerstgeborenen heeft hij hem ten deel gegeven.~ 403 45, 26| 26 Vooral heeft hij hem brood toebereid in verzadiging; 404 45, 26| slachtoffers des Heren, welke hij hem en zijn zaad gegeven 405 45, 27| in het land des volks had hij geen erfdeel, en kreeg geen 406 45, 27| deel onder het volk, want hij zelf was het deel zijner 407 45, 28| in heerlijk heid, omdat hij had geijverd in de vreze 408 45, 30| verbond des vredes, dat hij zou zijn een voorstander 409 45, 30| der heilige dingen, en dat hij en zijn zaad de grote heerlijkheid 410 45, 32| 32 Hij geve ulieden wijsheid in 411 46, 3 | 3 Hoe is hij verheerlijkt geworden, als 412 46, 3 | verheerlijkt geworden, als hij zijn handen ophief, en het 413 46, 4 | 4 Wie heeft eer dan hij zo gestaan? want de oorlogen 414 46, 4 | oorlogen des Heren heeft hij gevoerd.~ 415 46, 6 | 6 Hij riep de Allerhoogste God 416 46, 6 | Allerhoogste God aan als hij de vijanden rondom onderdrukte, 417 46, 7 | 7 Hij brak uit met oorlog tegen 418 46, 7 | afkomen tot hen vernielde hij die tegenstonden.~ 419 46, 8 | Here was, want ook volgde hij de machtige na.~ 420 46, 9 | ten tijde van Mozes deed hij barmhartigheid, hij en Kaleb 421 46, 9 | deed hij barmhartigheid, hij en Kaleb de zoon van Jefune, 422 46, 11| tot in zijn ouderdom, dat hij opklom op het hoogste van 423 46, 16| 16 Hij richtte de vergadering naar 424 46, 17| 17 Door zijn geloof is hij ten volle bevonden een profeet, 425 46, 18| 18 En hij riep de Here, de machtige, 426 46, 21| 21 En eer hij ontsliep betuigde hij voor 427 46, 21| eer hij ontsliep betuigde hij voor de Here, en zijn gezalfden, 428 46, 22| 22 En nadat hij ontslapen was profeteerde 429 46, 22| ontslapen was profeteerde hij, en voorzeide de koning 430 47, 3 | Onder leeuwen verkeerde hij gelijk onder geitebokjes, 431 47, 4 | 4 In zijn jeugd bracht hij een reus om, en nam de versmaadheid 432 47, 5 | 5 Toen hij zijn hand ophief om met 433 47, 6 | 6 Want hij riep de Allerhoogste Here 434 47, 6 | zijn rechterhand kracht dat hij weg nam een mens, die machtig, 435 47, 8 | 8 Hij verdelgde de vijanden rondom, 436 47, 8 | de huidige dag toe heeft hij hun hoorn verbroken.~ 437 47, 9 | 9 In al wat hij deed gaf hij God, de heilige 438 47, 9 | 9 In al wat hij deed gaf hij God, de heilige en Allerhoogste, 439 47, 10| Uit geheel zijn hart zong hij lofzangen, en had degene 440 47, 12| 12 Hij heeft op de feesten ingesteld 441 47, 15| rust gegeven had, opdat hij voor zijn naam een huis 442 47, 16| 16 Hoe wijs was hij in zijn jeugd? en werd vervuld 443 47, 24| 24 Hij delgde de nakomelingen van 444 48, 2 | en door zijn ijver maakte hij dat hunner weinig werd.~ 445 48, 3 | het woord des Heren hield hij de hemel op, en deed driemaal 446 48, 13| Geest; en in zijn dagen werd hij niet bewogen door de oversten, 447 48, 14| ging hem te boven, en als hij ontslapen was profeteerde 448 48, 15| 15 En in zijn leven deed hij wonderen, en in zijn dood 449 48, 19| water in het midden daarvan; hij groef de spitse rotssteen 450 48, 24| 24 Hij sloeg het leger der Assyriërs, 451 48, 27| 27 Hij zag door een grote geest 452 48, 28| 28 Hij wees aan de toekomende dingen 453 49, 3 | 3 Hij heeft zich recht gedragen 454 49, 4 | 4 Hij richtte zijn hart tot de 455 49, 7 | 7 Daarom heeft hij hun troon anderen gegeven, 456 49, 9 | kwalijk behandeld, hoewel hij in moeders lichaam was geheiligd 457 49, 11| 11 Want ook gedacht hij de vijanden in de plasregen, 458 49, 13| Zerubbabel genoeg verheffen! want hij was gelijk een zegelring 459 49, 16| op aarde als Henoch, want hij is opgenomen van de aarde.~ 460 50, 4 | 4 Hij droeg zorg voor zijn volk, 461 50, 10| is tot aan de wolken; als hij het kleed der heerlijkheid 462 50, 10| heerlijkheid nam, en als hij de volmaakte roem aantrok.~ 463 50, 11| heilige altaar verheerlijkte hij de heilige kleding.~ 464 50, 12| 12 En als hij de gedeelten der offeranden 465 50, 12| priesters ontving, zo stond hij zelf bij de haard van het 466 50, 15| 15 Strekte hij zijn handen uit tot de offerbeker, 467 50, 24| vorige eeuw geweest is; dat hij getrouw aan ons bewijze 468 50, 28| 28 Zalig is hij, die zich in deze dingen. 469 50, 29| 29 Want indien hij ze doet, zal hij tot alle 470 50, 29| indien hij ze doet, zal hij tot alle dingen bekwaam 471 50, 29| Heren zijn voetstap is, en hij geeft de godvrezenden wijsheid.~ 472 51, 13| vader mijns Heren aan, dat hij mij niet wilde verlaten 473 51, 38| uw werk voor de tijd, en hij zal u te zijner tijd loon


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License