Chapter, Verse
1 1, 2 | 2 Wie zal het zand der zee en de droppelen
2 1, 3 | 3 Wie zal de hoogte des hemels, en
3 1, 12| 12 Die de Here vreest die zal het welgaan in de laatste
4 1, 12| in de dag van zijn dood zal hij gezegend worden.~
5 1, 14| gelegd, en bij hun zaad zal zij worden vertrouwd.~
6 1, 22| 22 Een toornig man zal niet kunnen gerechtvaardigd
7 1, 23| 23 Een lankmoedig man zal een tijdlang verdragen,
8 1, 23| verdragen, en ten laatste zal hem de vrolijkheid vergelden.~
9 1, 24| 24 Hij zal zijn woorden een tijdlang
10 1, 26| bewaar de geboden, en de Here zal u deze verlenen,~
11 1, 31| 31 Want de Here zal al uw verborgen dingen openbaren,
12 2, 6 | 6 Geloof hem en hij zal u helpen, maak uw wegen
13 2, 7 | gelooft hem, en uw loon zal u geenszins ontvallen.~
14 2, 15| het niet gelooft, daarom zal het niet beschermd worden.~
15 2, 17| als u de Here bezoeken zal?~
16 3, 5 | 5 Wie zijn vader eert, zal zich over zijn kinderen
17 3, 5 | zijn kinderen verheugen, en zal in de dag zijns gebeds verhoord
18 3, 6 | 6 Wie zijn vader eert, zal lang leven, en wie de Here
19 3, 6 | wie de Here gehoorzaam is, zal zijn moeder rust aanbrengen,~
20 3, 7 | 7 Wie de Here vreest zal zijn vader eren, zal als
21 3, 7 | vreest zal zijn vader eren, zal als heren dienen degenen,
22 3, 15| die gij uw vader bewijst, zal niet vergeten worden.~
23 3, 17| In de dag der verdrukking zal aan u gedacht worden, gelijk
24 3, 27| 27 Een hard hart zal op het laatste kwalijk varen,
25 3, 27| die het gevaar liefheeft zal daarin vergaan.~
26 3, 28| 28 Een hard hart zal bezwaard worden met moeite,
27 3, 28| met moeite, en de zon daar zal zonden, op zonden ophopen.~
28 3, 32| in het toekomende, en hij zal in de tijd van zijn val
29 4, 6 | zijner ziel, zijn gebed zal hij horen, die hem gemaakt
30 4, 11| des Allerhoogsten, en hij zal u meer beminnen dan uw moeder
31 4, 14| 14 Die haar vasthoudt zal eer beërven, en waar zij
32 4, 14| en waar zij ingaat, die zal de Here zegenen.~
33 4, 16| Die haar gehoorzaam is, zal de volken richten; en die
34 4, 16| die op haar acht neemt, zal zeker wonen.~
35 4, 17| Indien hij haar vertrouwt, zo zal hij haar beërven, en zijn
36 4, 18| 18 Want verkeerd zal zij in het eerst met hem
37 4, 19| 19 Vrees en bloôheid zal zij over hem brengen, en
38 4, 19| zij over hem brengen, en zal hem pijnigen met haar tuchtiging,
39 4, 19| in zijn ziel vertrouwen zal hebben, en hem verzocht
40 4, 20| 20 En zij zal wederom tot hem keren door
41 4, 21| 21 En zal hem haar verborgen dingen
42 4, 22| Indien hij zou afdwalen, zo zal zij hem verlaten, en hem
43 4, 29| 29 Want de wijsheid zal in het woord bekend worden,
44 4, 33| de dood, en God de Here zal voor u strijden.~
45 5, 3 | 3 Zeg niet: Wie zal mij onder zijn macht brengen
46 5, 3 | mijn werken? want de Here zal zeker uw moedwil wreken.~
47 5, 4 | Here is lankmoedig, hij zal u niet laten heengaan.~
48 5, 6 | de menigte mijner zonden zal verzoend worden.~
49 5, 7 | barmhartigheid en toorn zal bij hem haasten, en op de
50 5, 7 | haasten, en op de zondaars zal zijn gramschap rusten.~
51 5, 9 | Want de toorn des Heren zal schielijk uitvaren, en als
52 5, 10| onrechtvaardige rijkdom, want hij zal u geen voordeel doen in
53 5, 10| wanneer ongeluk over u zal gebracht worden.~
54 6, 1 | een vriend, want zulk een zal een boze naam, schaamte
55 6, 1 | schaamte en verwijt beërven; zo zal ook de zondaar, die tweetongig
56 6, 4 | 4 Een boze ziel zal verderven degene die haar
57 6, 4 | degene die haar bezit, en zal maken dat de vijanden over
58 6, 9 | openbaar met verwijt bestrijden zal.~
59 6, 11| 11 Als het u wel gaat zal hij zijn als gij, en over
60 6, 11| en over uw huisknechten zal hij vrijmoedigheid gebruiken.~
61 6, 12| gij vernederd wordt, zo zal hij tegen u zijn, en zal
62 6, 12| zal hij tegen u zijn, en zal zich van uw aangezicht verbergen.~
63 6, 22| steen der beproeving, en hij zal niet vertoeven haar weg
64 6, 28| na en zoek haar, en zij zal u bekend worden, en als
65 6, 29| haar rust vinden, en zij zal u tot verheuging strekken;~
66 6, 37| altijd in zijn bevelen, zo zal hij uw hart versterken,
67 6, 37| en de begeerde wijsheid zal u gegeven worden.~ ~
68 7, 1 | 1 DOE geen kwaad, en u zal geen kwaad bevangen.~
69 7, 2 | ongerechtige, en de zonde zal van u wijken.~
70 7, 9 | 9 Zeg niet: Hij zal op de menigte mijner gaven
71 7, 9 | de Allerhoogste ofer, zo zal hij het aannemen.~
72 7, 17| de wraak des goddelozen zal vuur en worm zijn.~
73 8, 17| tegen de rechter, want men zal hem oordelen, naar zijn
74 8, 18| u niet bezware, want hij zal naar zijn wil doen, en gij
75 8, 19| waar geen hulp is, daar zal hij u ter neder werpen.~
76 8, 20| met een dwaas, want hij zal geen zaak kunnen bedekken.~
77 8, 21| weet niet wat hij baren zal.~
78 9, 13| gelijk nieuwe wijn: als hij zal oud geworden zijn, drink
79 9, 21| de hand der kunstenaren zal een werk geprezen worden,
80 9, 22| voortvarend is in zijn rede, zal gehaat worden.~ ~
81 10, 3 | die niet onderwezen is, zal zijn volk verderven, maar
82 10, 3 | verderven, maar een stad zal door verstand der machtigen
83 10, 4 | de hand des Heren, en hij zal te zijner tijd over haar
84 10, 5 | aangezicht des schriftgeleerden zal hij zijn heerlijkheid stellen.~
85 10, 11| iemand koning, en morgen zal hij sterven.~
86 10, 14| moedwil, doch op het einde zal hij omgekeerd worden.~
87 10, 28| en een man van wetenschap zal niet murmureren als hij
88 10, 32| 32 Wie zal die rechtvaardigen die tegen
89 10, 32| zijn ziel zondigt en wie zal die eren, die zijn leven
90 11, 1 | wijsheid van de nederige zal zijn hoofd verheffen, en
91 11, 19| Ik heb rust gevonden, nu zal ik van mijn goederen eten
92 11, 19| niet wat tijd hem overkomen zal, en hij zal ze anderen nalaten
93 11, 19| hem overkomen zal, en hij zal ze anderen nalaten en sterven.~
94 11, 25| hetgeen ik heb is veel, en wat zal mij voortaan in dit leven
95 11, 32| ja in uitgelezen dingen zal hij u een schandvlek opleggen.~
96 11, 35| in uw huis wonen, en hij zal u door onrust verstoren,
97 11, 35| door onrust verstoren, en zal u van enige uwer eigen goederen
98 12, 3 | het kwade voortgaat, die zal het niet wèl gaan, noch
99 12, 5 | overweldige, want dubbel kwaad zal u overkomen voor al het
100 12, 6 | zondaars, en de godvrezende zal hij wreken, maar genen bewaart
101 12, 13| 13 Wie zal zich ontfermen over een
102 12, 14| 14 Hij zal een uur bij u blijven in
103 12, 14| gij zoudt uitwijken, zo zal hij niet volharden.~
104 12, 15| 15 En de vijand zal wel met zijn lippen zoet
105 12, 15| spreken, maar in zijn hart zal hij beraadslagen om u in
106 12, 16| 16 Met zijn ogen zal hij wenen, en indien hij
107 12, 16| indien hij gelegen tijd zal vinden, zo zal hij niet
108 12, 16| gelegen tijd zal vinden, zo zal hij niet verzadigd kunnen
109 12, 17| een mens die helpen wil, zal hij uw hiel doorklieven.~
110 12, 18| 18 Hij zal zijn hoofd schudden, en
111 13, 3 | 3 Wat gemeenschap zal de aarden pot met een ketel
112 13, 3 | met een ketel hebben? deze zal daaraan stoten, en de andere
113 13, 3 | daaraan stoten, en de andere zal verbrijzeld worden.~
114 13, 5 | kunt bevorderlijk zijn, zal hij u te werk stel len,
115 13, 5 | maar indien gij verachtert, zal hij u onderdrukken.~
116 13, 6 | gij wat zult hebben, zo zal hij met u leven, en zal
117 13, 6 | zal hij met u leven, en zal u uitledigen, en zelf zal
118 13, 6 | zal u uitledigen, en zelf zal hij niet arbeiden.~
119 13, 7 | 7 Heeft hij u nodig, zo zal hij u bedriegen, en aanlokken,
120 13, 7 | bedriegen, en aanlokken, en zal u hoop geven; hij zal schoon
121 13, 7 | en zal u hoop geven; hij zal schoon met u spreken, en
122 13, 8 | 8 Hij zal u met zijn spijs beschaamd
123 13, 8 | driemaal toe, en op het laatste zal hij u bespotten, en daarin
124 13, 8 | hij u bespotten, en daarin zal hij u aanzien, en u verlaten,
125 13, 8 | aanzien, en u verlaten, en zal zijn hoofd tegen u schudden.~
126 13, 11| maak u ter zijde, en hij zal u zo veel te meer en te
127 13, 13| want met veel te spreken zal hij u verzoeken, en al toelachende
128 13, 13| verzoeken, en al toelachende zal hij uw heimelijke zaken
129 13, 14| woorden niet houdt, en hij zal geenszins plagen en banden
130 13, 20| 20 Wat gemeenschap zal een wolf hebben met een
131 13, 21| 21 Wat vrede zal een hyëna hebben met een
132 13, 21| met een hond? en wat vrede zal een rijke hebben met een
133 13, 28| indien hij aanstoot, men zal hem voorts omstoten.~
134 14, 5 | tegen zichzelf kwaad is, wie zal hij goed zijn? zelfs zal
135 14, 5 | zal hij goed zijn? zelfs zal hij zich niet verheugen
136 14, 7 | ongaarne, en op het laatst zal hij zijn boosheid doen blijken.~
137 14, 12| Gedenk dat de dood niet zal vertoeven, en het verbond
138 14, 20| en die het gewrocht heeft zal met hetzelve ook weggaan.~
139 14, 22| in zijn hart bezint, die zal ook in haar verborgenheden
140 14, 25| 25 Zal herberg hebben in een herberg
141 14, 25| een herberg vol goeds, en zal zijn kinderen stellen onder
142 14, 25| bescherming, en onder haar takken zal hij overnachten.~
143 14, 26| 26 Hij zal van haar beschermd worden
144 14, 26| en in haar heerlijkheid zal hij herberg hebben.~ ~
145 15, 1 | 1 DIE de Here vreest zal zulks doen en die de kennis
146 15, 1 | der wet verkregen heeft zal haar vinden.~
147 15, 2 | 2 En gelijk een moeder zal zij hem tegemoet gaan, en
148 15, 2 | maagd was getrouwd heeft, zal zij hem ontvangen.~
149 15, 3 | 3 Zij zal hem spijzen met brood des
150 15, 3 | en met water der wijsheid zal zij hem drenken.~
151 15, 4 | 4 Hij zal op haar gevestigd worden,
152 15, 4 | haar gevestigd worden, en zal niet wankelen, en hij zal
153 15, 4 | zal niet wankelen, en hij zal zich aan haar houden, en
154 15, 5 | 5 En zij zal hem verhogen boven zijn
155 15, 5 | boven zijn naaste, en zij zal in het midden der vergadering
156 15, 6 | 6 Hij zal vrolijkheid en een kroon
157 15, 6 | verheuging vinden, en zij zal hem een eeuwige naam doen
158 15, 10| 10 Want met wijsheid zal lof gesproken worden, en
159 15, 10| gesproken worden, en de Here zal die voorspoedig maken.~
160 15, 17| en hetgeen hem behagen zal, dat zal hem gegeven worden.~
161 15, 17| hetgeen hem behagen zal, dat zal hem gegeven worden.~
162 15, 19| degenen die hem vrezen, en hij zal kennis nemen van alle werken
163 16, 5 | Want van een verstandige zal een stad met inwoners bezet
164 16, 5 | geslacht der goddelozen zal haastig woest worden.~
165 16, 7 | vergadering der zondaren zal een vuur aangestoken worden,
166 16, 13| ook zijn kastijding; hij zal een ieder oordelen naar
167 16, 14| 14 De zondaar zal niet ontvlieden met zijn
168 16, 14| verwachting van de godzalige zal niet achterblijven.~
169 16, 15| aalmoezen, want een ieder zal vinden naar zijn werken.
170 16, 16| 16 Zeg niet: Ik zal mij voor de Here verbergen,
171 16, 16| de Here verbergen, en wie zal aan mij gedenken uit de
172 16, 17| 17 Onder een groot volk zal men aan mij niet gedenken,
173 16, 22| 22 Wie zal de werken zijner gerechtigheid
174 16, 22| gerechtigheid verkondigen, of wie zal ze verdragen? Want het verbond
175 16, 25| 25 Ik zal onderwijzing tevoorschijn
176 17, 17| gelijk een zegel bij hem, en zal de genade tegen de mens
177 17, 17| dochters bekering, daarna zal hij opstaan en hen weder
178 17, 17| vergelden, en hun vergelding zal hij op hun hoofd vergelden.~
179 17, 20| ongerechtigheid, want hij zal u geleiden uit de duisternis
180 17, 22| 22 Wie zal de Allerhoogste prijzen
181 17, 24| leeft en gezond van hart is, zal de Here prijzen.~
182 18, 4 | 4 Wie zal de kracht van zijn majesteit
183 18, 4 | majesteit uitrekenen? en wie zal nog daarbij zijn barmhartigheden
184 18, 6 | 6 Wanneer de mens zal hebben voleindigd, dan begint
185 18, 6 | begint hij, en wanneer hij zal opgehouden hebben, dan zal
186 18, 6 | zal opgehouden hebben, dan zal hem nog ontbreken.~
187 18, 16| 16 Zal niet de dauw de hitte doen
188 18, 24| aan de gramschap die komen zal in de dagen van de dood,
189 18, 24| de Here zijn aangezicht zal afkeren.~
190 18, 26| mishandeling, maar een dwaas zal de tijd niet waarnemen.~
191 18, 28| 28 En wie ze vindt, die zal zij geven zulks openbaar
192 18, 33| leven, waar men van spreken zal.~ ~
193 19, 1 | arbeider, die een dronkaard is, zal niet rijk worden, en die
194 19, 1 | die het weinige versmaadt, zal gaandeweg vervallen.~
195 19, 3 | tot erfdeel hebben, en hij zal uitdrogen tot een zeer schandelijk
196 19, 4 | tegen zijn ziel zondigt, zal zo mishandelen.~
197 19, 5 | verheugt in het kwaaddoen, zal verdoemd worden, maar wie
198 19, 6 | Wie zijn tong bedwingt, zal met degene die niet twistig
199 19, 7 | rede nimmermeer, en het zal u niet wezen tot vermindering.~
200 19, 9 | waargenomen, en ter gelegener tijd zal hij u haten.~
201 19, 10| zijt welgemoed, want het zal u niet doen barsten.~
202 19, 11| 11 Een dwaas zal smarten lijden vanwege een
203 19, 19| heer: Gelijk het u behaagt zal ik niet doen, indien hij
204 19, 25| gij hem niet gewaar wordt, zal hij u voorkomen om kwaad
205 19, 26| verhinderd wordt te zondigen, zo zal hij toch kwaad doen indien
206 20, 1 | wie zijn zonde bekent, die zal voor schade bewaard worden.~
207 20, 5 | 5 Een wijs mens zal zwijgen totdat het gelegen
208 20, 7 | vaardigheid bewijst? want zo zal hij de vrijwillige zonden
209 20, 9 | die u niet bevorderlijk zal zijn, en daar is menige
210 20, 12| 12 De wijze zal zichzelf met woorden lieftallig
211 20, 12| aangenaamheid der dwazen zal uitgestort worden.~
212 20, 13| De gave van een onwijze zal u, die ze ontvangen hebt
213 20, 14| 14 Weinig zal hij geven, en veel verwijten,
214 20, 14| geven, en veel verwijten, en zal zijn mond open doen als
215 20, 15| 15 Heden zal hij u lenen, en morgen wedereisen;
216 20, 16| 16 Een dwaas zal zeggen: Ik heb geen vriend;
217 20, 18| vallen dan door een tong; zo zal de val der kwade mensen
218 20, 19| de mond der ongeschikten zal hij gedurig zijn.~
219 20, 20| uit de mond eens dwazen zal verworpen worden, want hij
220 21, 2 | indien gij tot haar naakt, zo zal zij u steken.~
221 21, 5 | smaadheid verwoesten rijkdom; zo zal het huis der hovaardigen
222 21, 14| 14 Wie niet kloek is, die zal niet onderwezen worden,
223 21, 15| De kennis van een wijze zal vermeerderd worden als een
224 21, 16| gelijk een gebroken vat, het zal geen kennis vatten, zo lang
225 21, 23| lachen, maar een kloek man zal nauwelijks stilletjes lachen.~
226 21, 26| 26 De onwijze zal over de deur in het huis
227 21, 26| man die wel opgevoed is, zal buiten blijven staan.~
228 21, 31| zou mogen gaan wonen, daar zal hij gehaat worden.~ ~
229 22, 4 | Een voorzichtige dochter zal erfgenaam zijn van haar
230 22, 5 | beschaamd, en van beiden zal zij ongeëerd blijven.~
231 22, 9 | sluimerende, en in het einde zal hij zeggen: Wat is het?~
232 22, 14| want ongevoelig zijnde zal hij al uw dingen voor niets
233 22, 17| zwaarder dan lood, en wat naam zal hij hebben anders dan lood.~
234 22, 30| Een vriend te beschermen zal ik mij niet schamen, en
235 22, 30| en voor zijn aangezicht zal ik mij niet verbergen, zelfs
236 22, 30| een iegelijk die het hoort zal zich voor hem wachten.~
237 22, 31| 31 Wie zal mij een wacht aan mijn mond
238 23, 2 | 2 Wie zal geselen bestellen over mijn
239 23, 6 | en wie zij bewaart, die zal in zijn lippen niet gevangen
240 23, 7 | 7 De zondaar zal in zijn onvoorzichtigheid
241 23, 10| ongerechtigheid, en de gesel zal van zijn huis niet wijken.~
242 23, 12| ijdel gezworen heeft, hij zal niet gerechtvaardigd worden,
243 23, 12| gerechtvaardigd worden, want zijn huis zal vervuld worden met aangehaalde
244 23, 18| is tot scheldwoorden, die zal al de dagen zijns levens
245 23, 22| allerlei brood zoet; hij zal niet aflaten totdat hij
246 23, 24| vrees ik? De Allerhoogste zal aan mijn zonden niet gedenken,
247 23, 28| 28 Deze zal op de straten der stad gewroken
248 23, 31| 31 Deze zal in de gemeente uitgestoten
249 23, 31| worden, en over haar kinderen zal onderzoeking geschieden.~
250 23, 33| 33 Haar gedachtenis zal zij tot een vervloeking
251 23, 33| nalaten, en haar versmaadheid zal niet uitgewist worden.~
252 24, 25| 25 Die naar mij luistert zal nimmermeer beschaamd worden,
253 24, 34| 34 Ik heb gezegd: Ik zal mijn beste hof wateren,
254 25, 9 | mijn hart, en het tiende zal ik met mijn tong zeggen:~
255 25, 15| 15 Wie ze houdt, bij wie zal hij vergeleken worden?~
256 25, 22| midden van zijn naasten zal haar man aanzitten en zal
257 25, 22| zal haar man aanzitten en zal ongaarne zuchten om harentwil.~
258 26, 13| dat nabij is drinkt, zo zal zij zich tegenover elke
259 26, 23| maar die een man heeft, zal een toren des doods geacht
260 26, 24| 24 Een goddeloze vrouw zal de onrechtvaardige tot een
261 26, 25| maar een eerbare dochter zal ook de man ontzien.~
262 26, 26| 26 Een onbeschaamde vrouw zal geacht worden als een hond,
263 26, 26| maar die schaamte heeft, zal de Here vrezen.~
264 26, 27| die haar eigen man eert, zal door allen voor wijs gehouden
265 26, 27| maar die de man onteert, zal van allen gekend worden,
266 26, 28| want het getal zijner jaren zal dubbel zijn.~
267 26, 29| tong dapper weet te roeren, zal beschouwd worden als bekwaam
268 26, 29| deze in zeden gelijk is, zal zijn leven in de oproeren
269 26, 32| wederkeert tot zonde; de Here zal hem tot het zwaard bereiden.~
270 26, 33| mishandeling; en een waard zal niet gerechtvaardigd worden
271 27, 1 | zijn goed te vermeerderen, zal zijn oog afwenden.~
272 27, 2 | vastgestoken wordt, zo ook zal de zonde tussen verkopen
273 27, 3 | vreze des Heren houdt, zo zal zijn huis haastig omgekeerd
274 27, 16| verliest zijn geloof, en zal geen vriend vinden naar
275 27, 23| dingen, en wie die kent zal van hem afwijken.~
276 27, 24| 24 Voor uw ogen zal zijn mond zoet spreken,
277 27, 24| mond zoet spreken, en hij zal zich over uw woorden verwonderen,
278 27, 24| verwonderen, maar daarna zal hij anders spreken, en maken
279 27, 25| niemand bij hem, en de Here zal hem haten.~
280 27, 27| Wie een kuil graaft, die zal daarin vallen, en die een
281 27, 27| strik voor anderen legt, zal daarmee gevangen worden.~
282 27, 28| Wie kwaad doet, bij die zal dat kwaad herberg nemen,
283 27, 28| kwaad herberg nemen, en hij zal niet weten vanwaar het hem
284 27, 30| gevangen worden, en smart zal hen verteren voor hun dood;
285 27, 30| gruwelen, en een zon daar zal daarmee bevangen worden.~ ~
286 28, 1 | WIE zichzelf wreekt, die zal van de Here wraak vinden,
287 28, 1 | Here wraak vinden, en hij zal zijn zonden zeker bewaren.~
288 28, 5 | behoudt vijandschap en wie zal zijn zonden verzoenen?~
289 28, 13| gij in een vonk blaast, zo zal zij branden, maar indien
290 28, 13| indien gij daarop spuwt, zo zal zij uitgaan; en dit komt
291 28, 18| naar haar luistert, die zal geen rust vinden, noch met
292 28, 25| 25 Zij zal over de godvrezenden gans
293 28, 26| in haar vallen en in hen zal zij worden ontstoken, en
294 28, 27| 27 Zij zal over hen gezonden worden
295 28, 27| en gelijk een luipaard zal zij ze verwoesten.~
296 29, 7 | het vermag te geven, zo zal hij nauwelijks de helft
297 29, 7 | nauwelijks de helft brengen, en zal het rekenen als gevonden.~
298 29, 14| des Allerhoogsten, en hij zal u voordeliger zijn dan goud.~
299 29, 15| in uw schatkamers, en ze zal u redden uit alle jammer.~
300 29, 16| 16 Zij zal meer dan een sterk schild,
301 29, 17| 17 Een goed man zal voor zijn naaste borg worden,
302 29, 17| schaamte verloren heeft, zal hem verlaten.~
303 29, 20| voor hem borg geworden is, zal vlieden, en een onnut mens
304 29, 20| vlieden, en een onnut mens zal in zijn. gedachten verlaten
305 29, 23| overtredende de geboden des Heren zal in borgschap vervallen,
306 29, 23| van zware werken najaagt, zal in het gericht vallen.~
307 30, 1 | zijn zoon liefheeft, die zal de roeden altijd aan hem
308 30, 2 | Wie zijn zoon tuchtigt, zal over hem verblijd worden,
309 30, 2 | midden der vermaarde lieden zal hij van hem roemen.~
310 30, 3 | Wie zijn zoon leert, die zal zijn vijand tot jaloersheid
311 30, 3 | tegenwoordigheid der vrienden zal hij over hem vrolijk zijn.~
312 30, 6 | zich aan de vijanden wreken zal, en de vrienden weder dankbaar
313 30, 6 | vrienden weder dankbaar zal zijn.~
314 30, 9 | 9 Streel uw kind, en het zal u verschrikken; speel met
315 30, 9 | verschrikken; speel met hem, en het zal u bedroeven.~
316 30, 26| de spijzen, die hij eten zal.~ ~
317 31, 5 | 5 Wie goud liefheeft die zal niet gerechtvaardigd worden;
318 31, 5 | verderving najaagt, deze zal daarvan verzadigd worden.~
319 31, 10| volmaakt bevonden? en hij zal zijn tot een roem. Wie heeft
320 31, 11| bevestigd worden, en de gemeente zal zijn aalmoezen vertellen.~
321 31, 25| wakker, en geen krankheid zal u ontmoeten.~
322 32, 15| Wie de Here vreest, die zal zijn onderwijzing aannemen,
323 32, 16| 16 Wie de wet zoekt, die zal daarvan vervuld worden;
324 32, 16| worden; maar wie geveinsd is, zal daaraan geërgerd worden.~
325 32, 24| betrouwen op hem zet, die zal geen gebrek hebben.~ ~
326 33, 1 | HEM die de Here vreest, zal geen kwaad ontmoeten, maar
327 33, 1 | kwaad ontmoeten, maar hij zal hem in verzoeking ook weder
328 33, 2 | 2 Een wijs man zal de wet niet haten maar wie
329 33, 25| door tuchtiging, en hij zal rust zoeken; laat hem de
330 33, 25| handen ledig zijn, en hij zal vrijheid zoeken.~
331 34, 4 | 4 Van het onreine, wat zal daarvan gereinigd worden?
332 34, 4 | leugenaar, welke waarheid zal daarvan komen?~
333 34, 9 | die veel ervaren heeft, zal verstandige dingen verhalen.~
334 34, 13| dergenen, die de Here vrezen, zal leven.~
335 34, 15| Wie de Here vreest, die zal geen ding vrezen, en zal
336 34, 15| zal geen ding vrezen, en zal niet vervaard wezen, want
337 34, 26| andere vloekt, wiens stem zal de Here verhoren?~
338 34, 28| heengaat en hetzelfde doet; wie zal zijn gebed verhoren? en
339 35, 7 | en de gedachtenis daarvan zal niet vergeten worden.~
340 35, 11| is een vergelden, en hij zal het zevenvoudig vergelden.~
341 35, 14| 14 De Here zal het aangezicht desgenen
342 35, 14| desgenen die onrecht lijdt zal hij verhoren.~
343 35, 15| 15 Hij zal het smeken der wezen niet
344 35, 17| God dient met welbehagen zal aangenomen worden, en zijn
345 35, 17| aangenomen worden, en zijn gebed zal tot aan de wolken raken.~
346 35, 18| totdat de Allerhoogste het zal ingezien hebben, welke de
347 35, 18| welke de rechtvaardige zal oordelen en recht doen.~
348 35, 19| 19 Ook zal de Here niet vertragen,
349 35, 19| vertragen, en de machtige zal niet lankmoedig zijn over
350 35, 19| onbarmhartigen verbroken zal hebben.~
351 35, 20| 20 Ja, hij zal de volken wraak vergelden,
352 35, 20| hij de menigte der smaders zal weggenomen, en de scepters
353 35, 20| onrecht vaardigen verbroken zal hebben.~
354 35, 22| 22 Totdat hij zal hebben geoordeeld het recht
355 36, 22| 22 Een verdraaid hart zal droefheid geven, maar een
356 36, 22| die veel ervaren heeft, zal hem vergelden.~
357 36, 27| waar geen vrouw is, daar zal de man zuchten en dwalen.~
358 36, 28| 28 Want wie zal een toegeruste moordenaar
359 37, 1 | 1 IEDER vriend zal wel zeggen: Ik heb ook vriendschap
360 37, 4 | de tijd van verdrukking zal hij hem tegen zijn.~
361 37, 9 | zijn behoefte is, want hij zal zichzelf raad geven, opdat
362 37, 10| zien hetgeen u overkomen zal.~
363 37, 25| 25 Een wijs man zal vervuld worden met zegen,
364 37, 27| 27 Een wijze zal heerlijkheid beërven onder
365 37, 27| zijn volk, en zijn naam zal in eeuwigheid blijven.~
366 37, 32| gestorven, maar die daarop let zal zijn leven verlengen.~ ~
367 38, 9 | maar bid de Here, en hij zal u genezen.~
368 38, 15| die hem gemaakt heeft, die zal in de handen van de geneesheer
369 38, 23| aan mijn oordeel, want zo zal ook het uwe zijn; mij gisteren
370 38, 25| is in zijn handeling, die zal niet wijs worden.~
371 38, 27| 27 Deze zal zijn hart begeven om voren
372 38, 27| begeven om voren te maken, en zal waken om de koeien voeder
373 38, 38| 38 Zonder hen zal geen stad gebouwd worden,
374 38, 38| stad gebouwd worden, en men zal daar niet in wonen noch
375 39, 8 | Indien die grote Here wil, zo zal hij met de geest des verstands
376 39, 9 | 9 Hij zal de woorden zijner wijsheid
377 39, 12| verstand prijzen, en dat zal in eeuwigheid niet uitgewist
378 39, 13| 13 Zijn gedachtenis zal niet vergaan, en zijn naam
379 39, 13| niet vergaan, en zijn naam zal leven tot in alle geslachten.~
380 39, 15| in het leven blijft, zo zal hij een betere naam nalaten
381 39, 16| 16 Nog zal ik vertellen hetgeen ik
382 39, 22| niemand die verminderen zal hetgeen hij behouden wil.~
383 40, 11| geschenk en ongerechtigheid zal uitgedelgd worden, maar
384 40, 11| uitgedelgd worden, maar geloof zal in eeuwigheid bestaan.~
385 40, 12| een grote donder met regen zal God geluid daartegen geven.~
386 40, 15| en oever van een stroom zal voor alle ander gras uitgeplukt
387 40, 31| zoet, maar in zijn buik zal een vuur branden.~ ~
388 41, 13| Al wat uit de aarde is, zal weder in de aarde keren;
389 41, 14| de boze naam der mensen zal uitgewist worden.~
390 41, 15| te verkrijgen, want die zal u bijblijven meer dan duizend
391 42, 18| 18 Nu zal ik gedenken de werken des
392 42, 18| en hetgeen ik gezien heb zal ik vertellen: in de woorden
393 42, 31| goede des anderen, en wie zal verzadigd worden aanschouwende
394 43, 3 | verdroogt zij het land, en wie zal tegen haar hitte bestaan?~
395 43, 32| zoveel gij kunt; evenwel zal hij het nog overtreffen.~
396 43, 34| Wie heeft hem gezien, en zal het vertellen? en wie zal
397 43, 34| zal het vertellen? en wie zal hem groot maken gelijk hij
398 44, 14| zaad, en hun heerlijkheid zal niet uitgedelgd worden.~
399 44, 16| vertellen, en de gemeente zal hun lof verkondigen.~
400 45, 19| zaad zolang de hemel dagen zal hebben; om tegelijk zijn
401 50, 28| in deze dingen. oefenen zal, en die ze ter harte neemt,
402 50, 28| die ze ter harte neemt, zal wijs worden.~
403 50, 29| Want indien hij ze doet, zal hij tot alle dingen bekwaam
404 51, 1 | de zoon van Sirach>> IK zal u belijden Here, Koning,
405 51, 1 | belijden Here, Koning, en ik zal u prijzen, o God, die mijn
406 51, 14| 14 Ik zal uw naam prijzen zonder ophouden,
407 51, 16| 16 Daarom zal ik u belijden, Here, en
408 51, 16| ik u belijden, Here, en zal u prijzen, en zal uw naam
409 51, 16| Here, en zal u prijzen, en zal uw naam danken.~
410 51, 18| en tot het uiterste toe zal ik haar naarstig zoeken.~
411 51, 23| mij wijsheid geeft, die zal ik macht toeschrijven.~
412 51, 24| beijveren het goede, en zal geenszins te schande worden.~
413 51, 28| een hart gekregen, daarom zal ik niet verlaten worden.~
414 51, 30| tot mijn loon, en met deze zal ik hem prijzen.~
415 51, 38| werk voor de tijd, en hij zal u te zijner tijd loon geven.~
|