Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
zachtmoedigheid 5
zag 5
zaken 4
zal 415
zalig 13
zaligmaker 2
zamen 1
Frequency    [«  »]
528 niet
475 van
473 hij
415 zal
317 hem
299 uw
280 heeft

Het boek Ecclesiasticus

IntraText - Concordances

zal

    Chapter, Verse
1 1, 2 | 2 Wie zal het zand der zee en de droppelen 2 1, 3 | 3 Wie zal de hoogte des hemels, en 3 1, 12| 12 Die de Here vreest die zal het welgaan in de laatste 4 1, 12| in de dag van zijn dood zal hij gezegend worden.~ 5 1, 14| gelegd, en bij hun zaad zal zij worden vertrouwd.~ 6 1, 22| 22 Een toornig man zal niet kunnen gerechtvaardigd 7 1, 23| 23 Een lankmoedig man zal een tijdlang verdragen, 8 1, 23| verdragen, en ten laatste zal hem de vrolijkheid vergelden.~ 9 1, 24| 24 Hij zal zijn woorden een tijdlang 10 1, 26| bewaar de geboden, en de Here zal u deze verlenen,~ 11 1, 31| 31 Want de Here zal al uw verborgen dingen openbaren, 12 2, 6 | 6 Geloof hem en hij zal u helpen, maak uw wegen 13 2, 7 | gelooft hem, en uw loon zal u geenszins ontvallen.~ 14 2, 15| het niet gelooft, daarom zal het niet beschermd worden.~ 15 2, 17| als u de Here bezoeken zal?~ 16 3, 5 | 5 Wie zijn vader eert, zal zich over zijn kinderen 17 3, 5 | zijn kinderen verheugen, en zal in de dag zijns gebeds verhoord 18 3, 6 | 6 Wie zijn vader eert, zal lang leven, en wie de Here 19 3, 6 | wie de Here gehoorzaam is, zal zijn moeder rust aanbrengen,~ 20 3, 7 | 7 Wie de Here vreest zal zijn vader eren, zal als 21 3, 7 | vreest zal zijn vader eren, zal als heren dienen degenen, 22 3, 15| die gij uw vader bewijst, zal niet vergeten worden.~ 23 3, 17| In de dag der verdrukking zal aan u gedacht worden, gelijk 24 3, 27| 27 Een hard hart zal op het laatste kwalijk varen, 25 3, 27| die het gevaar liefheeft zal daarin vergaan.~ 26 3, 28| 28 Een hard hart zal bezwaard worden met moeite, 27 3, 28| met moeite, en de zon daar zal zonden, op zonden ophopen.~ 28 3, 32| in het toekomende, en hij zal in de tijd van zijn val 29 4, 6 | zijner ziel, zijn gebed zal hij horen, die hem gemaakt 30 4, 11| des Allerhoogsten, en hij zal u meer beminnen dan uw moeder 31 4, 14| 14 Die haar vasthoudt zal eer beërven, en waar zij 32 4, 14| en waar zij ingaat, die zal de Here zegenen.~ 33 4, 16| Die haar gehoorzaam is, zal de volken richten; en die 34 4, 16| die op haar acht neemt, zal zeker wonen.~ 35 4, 17| Indien hij haar vertrouwt, zo zal hij haar beërven, en zijn 36 4, 18| 18 Want verkeerd zal zij in het eerst met hem 37 4, 19| 19 Vrees en bloôheid zal zij over hem brengen, en 38 4, 19| zij over hem brengen, en zal hem pijnigen met haar tuchtiging, 39 4, 19| in zijn ziel vertrouwen zal hebben, en hem verzocht 40 4, 20| 20 En zij zal wederom tot hem keren door 41 4, 21| 21 En zal hem haar verborgen dingen 42 4, 22| Indien hij zou afdwalen, zo zal zij hem verlaten, en hem 43 4, 29| 29 Want de wijsheid zal in het woord bekend worden, 44 4, 33| de dood, en God de Here zal voor u strijden.~ 45 5, 3 | 3 Zeg niet: Wie zal mij onder zijn macht brengen 46 5, 3 | mijn werken? want de Here zal zeker uw moedwil wreken.~ 47 5, 4 | Here is lankmoedig, hij zal u niet laten heengaan.~ 48 5, 6 | de menigte mijner zonden zal verzoend worden.~ 49 5, 7 | barmhartigheid en toorn zal bij hem haasten, en op de 50 5, 7 | haasten, en op de zondaars zal zijn gramschap rusten.~ 51 5, 9 | Want de toorn des Heren zal schielijk uitvaren, en als 52 5, 10| onrechtvaardige rijkdom, want hij zal u geen voordeel doen in 53 5, 10| wanneer ongeluk over u zal gebracht worden.~ 54 6, 1 | een vriend, want zulk een zal een boze naam, schaamte 55 6, 1 | schaamte en verwijt beërven; zo zal ook de zondaar, die tweetongig 56 6, 4 | 4 Een boze ziel zal verderven degene die haar 57 6, 4 | degene die haar bezit, en zal maken dat de vijanden over 58 6, 9 | openbaar met verwijt bestrijden zal.~ 59 6, 11| 11 Als het u wel gaat zal hij zijn als gij, en over 60 6, 11| en over uw huisknechten zal hij vrijmoedigheid gebruiken.~ 61 6, 12| gij vernederd wordt, zo zal hij tegen u zijn, en zal 62 6, 12| zal hij tegen u zijn, en zal zich van uw aangezicht verbergen.~ 63 6, 22| steen der beproeving, en hij zal niet vertoeven haar weg 64 6, 28| na en zoek haar, en zij zal u bekend worden, en als 65 6, 29| haar rust vinden, en zij zal u tot verheuging strekken;~ 66 6, 37| altijd in zijn bevelen, zo zal hij uw hart versterken, 67 6, 37| en de begeerde wijsheid zal u gegeven worden.~ ~ 68 7, 1 | 1 DOE geen kwaad, en u zal geen kwaad bevangen.~ 69 7, 2 | ongerechtige, en de zonde zal van u wijken.~ 70 7, 9 | 9 Zeg niet: Hij zal op de menigte mijner gaven 71 7, 9 | de Allerhoogste ofer, zo zal hij het aannemen.~ 72 7, 17| de wraak des goddelozen zal vuur en worm zijn.~ 73 8, 17| tegen de rechter, want men zal hem oordelen, naar zijn 74 8, 18| u niet bezware, want hij zal naar zijn wil doen, en gij 75 8, 19| waar geen hulp is, daar zal hij u ter neder werpen.~ 76 8, 20| met een dwaas, want hij zal geen zaak kunnen bedekken.~ 77 8, 21| weet niet wat hij baren zal.~ 78 9, 13| gelijk nieuwe wijn: als hij zal oud geworden zijn, drink 79 9, 21| de hand der kunstenaren zal een werk geprezen worden, 80 9, 22| voortvarend is in zijn rede, zal gehaat worden.~ ~ 81 10, 3 | die niet onderwezen is, zal zijn volk verderven, maar 82 10, 3 | verderven, maar een stad zal door verstand der machtigen 83 10, 4 | de hand des Heren, en hij zal te zijner tijd over haar 84 10, 5 | aangezicht des schriftgeleerden zal hij zijn heerlijkheid stellen.~ 85 10, 11| iemand koning, en morgen zal hij sterven.~ 86 10, 14| moedwil, doch op het einde zal hij omgekeerd worden.~ 87 10, 28| en een man van wetenschap zal niet murmureren als hij 88 10, 32| 32 Wie zal die rechtvaardigen die tegen 89 10, 32| zijn ziel zondigt en wie zal die eren, die zijn leven 90 11, 1 | wijsheid van de nederige zal zijn hoofd verheffen, en 91 11, 19| Ik heb rust gevonden, nu zal ik van mijn goederen eten 92 11, 19| niet wat tijd hem overkomen zal, en hij zal ze anderen nalaten 93 11, 19| hem overkomen zal, en hij zal ze anderen nalaten en sterven.~ 94 11, 25| hetgeen ik heb is veel, en wat zal mij voortaan in dit leven 95 11, 32| ja in uitgelezen dingen zal hij u een schandvlek opleggen.~ 96 11, 35| in uw huis wonen, en hij zal u door onrust verstoren, 97 11, 35| door onrust verstoren, en zal u van enige uwer eigen goederen 98 12, 3 | het kwade voortgaat, die zal het niet wèl gaan, noch 99 12, 5 | overweldige, want dubbel kwaad zal u overkomen voor al het 100 12, 6 | zondaars, en de godvrezende zal hij wreken, maar genen bewaart 101 12, 13| 13 Wie zal zich ontfermen over een 102 12, 14| 14 Hij zal een uur bij u blijven in 103 12, 14| gij zoudt uitwijken, zo zal hij niet volharden.~ 104 12, 15| 15 En de vijand zal wel met zijn lippen zoet 105 12, 15| spreken, maar in zijn hart zal hij beraadslagen om u in 106 12, 16| 16 Met zijn ogen zal hij wenen, en indien hij 107 12, 16| indien hij gelegen tijd zal vinden, zo zal hij niet 108 12, 16| gelegen tijd zal vinden, zo zal hij niet verzadigd kunnen 109 12, 17| een mens die helpen wil, zal hij uw hiel doorklieven.~ 110 12, 18| 18 Hij zal zijn hoofd schudden, en 111 13, 3 | 3 Wat gemeenschap zal de aarden pot met een ketel 112 13, 3 | met een ketel hebben? deze zal daaraan stoten, en de andere 113 13, 3 | daaraan stoten, en de andere zal verbrijzeld worden.~ 114 13, 5 | kunt bevorderlijk zijn, zal hij u te werk stel len, 115 13, 5 | maar indien gij verachtert, zal hij u onderdrukken.~ 116 13, 6 | gij wat zult hebben, zo zal hij met u leven, en zal 117 13, 6 | zal hij met u leven, en zal u uitledigen, en zelf zal 118 13, 6 | zal u uitledigen, en zelf zal hij niet arbeiden.~ 119 13, 7 | 7 Heeft hij u nodig, zo zal hij u bedriegen, en aanlokken, 120 13, 7 | bedriegen, en aanlokken, en zal u hoop geven; hij zal schoon 121 13, 7 | en zal u hoop geven; hij zal schoon met u spreken, en 122 13, 8 | 8 Hij zal u met zijn spijs beschaamd 123 13, 8 | driemaal toe, en op het laatste zal hij u bespotten, en daarin 124 13, 8 | hij u bespotten, en daarin zal hij u aanzien, en u verlaten, 125 13, 8 | aanzien, en u verlaten, en zal zijn hoofd tegen u schudden.~ 126 13, 11| maak u ter zijde, en hij zal u zo veel te meer en te 127 13, 13| want met veel te spreken zal hij u verzoeken, en al toelachende 128 13, 13| verzoeken, en al toelachende zal hij uw heimelijke zaken 129 13, 14| woorden niet houdt, en hij zal geenszins plagen en banden 130 13, 20| 20 Wat gemeenschap zal een wolf hebben met een 131 13, 21| 21 Wat vrede zal een hyëna hebben met een 132 13, 21| met een hond? en wat vrede zal een rijke hebben met een 133 13, 28| indien hij aanstoot, men zal hem voorts omstoten.~ 134 14, 5 | tegen zichzelf kwaad is, wie zal hij goed zijn? zelfs zal 135 14, 5 | zal hij goed zijn? zelfs zal hij zich niet verheugen 136 14, 7 | ongaarne, en op het laatst zal hij zijn boosheid doen blijken.~ 137 14, 12| Gedenk dat de dood niet zal vertoeven, en het verbond 138 14, 20| en die het gewrocht heeft zal met hetzelve ook weggaan.~ 139 14, 22| in zijn hart bezint, die zal ook in haar verborgenheden 140 14, 25| 25 Zal herberg hebben in een herberg 141 14, 25| een herberg vol goeds, en zal zijn kinderen stellen onder 142 14, 25| bescherming, en onder haar takken zal hij overnachten.~ 143 14, 26| 26 Hij zal van haar beschermd worden 144 14, 26| en in haar heerlijkheid zal hij herberg hebben.~ ~ 145 15, 1 | 1 DIE de Here vreest zal zulks doen en die de kennis 146 15, 1 | der wet verkregen heeft zal haar vinden.~ 147 15, 2 | 2 En gelijk een moeder zal zij hem tegemoet gaan, en 148 15, 2 | maagd was getrouwd heeft, zal zij hem ontvangen.~ 149 15, 3 | 3 Zij zal hem spijzen met brood des 150 15, 3 | en met water der wijsheid zal zij hem drenken.~ 151 15, 4 | 4 Hij zal op haar gevestigd worden, 152 15, 4 | haar gevestigd worden, en zal niet wankelen, en hij zal 153 15, 4 | zal niet wankelen, en hij zal zich aan haar houden, en 154 15, 5 | 5 En zij zal hem verhogen boven zijn 155 15, 5 | boven zijn naaste, en zij zal in het midden der vergadering 156 15, 6 | 6 Hij zal vrolijkheid en een kroon 157 15, 6 | verheuging vinden, en zij zal hem een eeuwige naam doen 158 15, 10| 10 Want met wijsheid zal lof gesproken worden, en 159 15, 10| gesproken worden, en de Here zal die voorspoedig maken.~ 160 15, 17| en hetgeen hem behagen zal, dat zal hem gegeven worden.~ 161 15, 17| hetgeen hem behagen zal, dat zal hem gegeven worden.~ 162 15, 19| degenen die hem vrezen, en hij zal kennis nemen van alle werken 163 16, 5 | Want van een verstandige zal een stad met inwoners bezet 164 16, 5 | geslacht der goddelozen zal haastig woest worden.~ 165 16, 7 | vergadering der zondaren zal een vuur aangestoken worden, 166 16, 13| ook zijn kastijding; hij zal een ieder oordelen naar 167 16, 14| 14 De zondaar zal niet ontvlieden met zijn 168 16, 14| verwachting van de godzalige zal niet achterblijven.~ 169 16, 15| aalmoezen, want een ieder zal vinden naar zijn werken. 170 16, 16| 16 Zeg niet: Ik zal mij voor de Here verbergen, 171 16, 16| de Here verbergen, en wie zal aan mij gedenken uit de 172 16, 17| 17 Onder een groot volk zal men aan mij niet gedenken, 173 16, 22| 22 Wie zal de werken zijner gerechtigheid 174 16, 22| gerechtigheid verkondigen, of wie zal ze verdragen? Want het verbond 175 16, 25| 25 Ik zal onderwijzing tevoorschijn 176 17, 17| gelijk een zegel bij hem, en zal de genade tegen de mens 177 17, 17| dochters bekering, daarna zal hij opstaan en hen weder 178 17, 17| vergelden, en hun vergelding zal hij op hun hoofd vergelden.~ 179 17, 20| ongerechtigheid, want hij zal u geleiden uit de duisternis 180 17, 22| 22 Wie zal de Allerhoogste prijzen 181 17, 24| leeft en gezond van hart is, zal de Here prijzen.~ 182 18, 4 | 4 Wie zal de kracht van zijn majesteit 183 18, 4 | majesteit uitrekenen? en wie zal nog daarbij zijn barmhartigheden 184 18, 6 | 6 Wanneer de mens zal hebben voleindigd, dan begint 185 18, 6 | begint hij, en wanneer hij zal opgehouden hebben, dan zal 186 18, 6 | zal opgehouden hebben, dan zal hem nog ontbreken.~ 187 18, 16| 16 Zal niet de dauw de hitte doen 188 18, 24| aan de gramschap die komen zal in de dagen van de dood, 189 18, 24| de Here zijn aangezicht zal afkeren.~ 190 18, 26| mishandeling, maar een dwaas zal de tijd niet waarnemen.~ 191 18, 28| 28 En wie ze vindt, die zal zij geven zulks openbaar 192 18, 33| leven, waar men van spreken zal.~ ~ 193 19, 1 | arbeider, die een dronkaard is, zal niet rijk worden, en die 194 19, 1 | die het weinige versmaadt, zal gaandeweg vervallen.~ 195 19, 3 | tot erfdeel hebben, en hij zal uitdrogen tot een zeer schandelijk 196 19, 4 | tegen zijn ziel zondigt, zal zo mishandelen.~ 197 19, 5 | verheugt in het kwaaddoen, zal verdoemd worden, maar wie 198 19, 6 | Wie zijn tong bedwingt, zal met degene die niet twistig 199 19, 7 | rede nimmermeer, en het zal u niet wezen tot vermindering.~ 200 19, 9 | waargenomen, en ter gelegener tijd zal hij u haten.~ 201 19, 10| zijt welgemoed, want het zal u niet doen barsten.~ 202 19, 11| 11 Een dwaas zal smarten lijden vanwege een 203 19, 19| heer: Gelijk het u behaagt zal ik niet doen, indien hij 204 19, 25| gij hem niet gewaar wordt, zal hij u voorkomen om kwaad 205 19, 26| verhinderd wordt te zondigen, zo zal hij toch kwaad doen indien 206 20, 1 | wie zijn zonde bekent, die zal voor schade bewaard worden.~ 207 20, 5 | 5 Een wijs mens zal zwijgen totdat het gelegen 208 20, 7 | vaardigheid bewijst? want zo zal hij de vrijwillige zonden 209 20, 9 | die u niet bevorderlijk zal zijn, en daar is menige 210 20, 12| 12 De wijze zal zichzelf met woorden lieftallig 211 20, 12| aangenaamheid der dwazen zal uitgestort worden.~ 212 20, 13| De gave van een onwijze zal u, die ze ontvangen hebt 213 20, 14| 14 Weinig zal hij geven, en veel verwijten, 214 20, 14| geven, en veel verwijten, en zal zijn mond open doen als 215 20, 15| 15 Heden zal hij u lenen, en morgen wedereisen; 216 20, 16| 16 Een dwaas zal zeggen: Ik heb geen vriend; 217 20, 18| vallen dan door een tong; zo zal de val der kwade mensen 218 20, 19| de mond der ongeschikten zal hij gedurig zijn.~ 219 20, 20| uit de mond eens dwazen zal verworpen worden, want hij 220 21, 2 | indien gij tot haar naakt, zo zal zij u steken.~ 221 21, 5 | smaadheid verwoesten rijkdom; zo zal het huis der hovaardigen 222 21, 14| 14 Wie niet kloek is, die zal niet onderwezen worden, 223 21, 15| De kennis van een wijze zal vermeerderd worden als een 224 21, 16| gelijk een gebroken vat, het zal geen kennis vatten, zo lang 225 21, 23| lachen, maar een kloek man zal nauwelijks stilletjes lachen.~ 226 21, 26| 26 De onwijze zal over de deur in het huis 227 21, 26| man die wel opgevoed is, zal buiten blijven staan.~ 228 21, 31| zou mogen gaan wonen, daar zal hij gehaat worden.~ ~ 229 22, 4 | Een voorzichtige dochter zal erfgenaam zijn van haar 230 22, 5 | beschaamd, en van beiden zal zij ongeëerd blijven.~ 231 22, 9 | sluimerende, en in het einde zal hij zeggen: Wat is het?~ 232 22, 14| want ongevoelig zijnde zal hij al uw dingen voor niets 233 22, 17| zwaarder dan lood, en wat naam zal hij hebben anders dan lood.~ 234 22, 30| Een vriend te beschermen zal ik mij niet schamen, en 235 22, 30| en voor zijn aangezicht zal ik mij niet verbergen, zelfs 236 22, 30| een iegelijk die het hoort zal zich voor hem wachten.~ 237 22, 31| 31 Wie zal mij een wacht aan mijn mond 238 23, 2 | 2 Wie zal geselen bestellen over mijn 239 23, 6 | en wie zij bewaart, die zal in zijn lippen niet gevangen 240 23, 7 | 7 De zondaar zal in zijn onvoorzichtigheid 241 23, 10| ongerechtigheid, en de gesel zal van zijn huis niet wijken.~ 242 23, 12| ijdel gezworen heeft, hij zal niet gerechtvaardigd worden, 243 23, 12| gerechtvaardigd worden, want zijn huis zal vervuld worden met aangehaalde 244 23, 18| is tot scheldwoorden, die zal al de dagen zijns levens 245 23, 22| allerlei brood zoet; hij zal niet aflaten totdat hij 246 23, 24| vrees ik? De Allerhoogste zal aan mijn zonden niet gedenken, 247 23, 28| 28 Deze zal op de straten der stad gewroken 248 23, 31| 31 Deze zal in de gemeente uitgestoten 249 23, 31| worden, en over haar kinderen zal onderzoeking geschieden.~ 250 23, 33| 33 Haar gedachtenis zal zij tot een vervloeking 251 23, 33| nalaten, en haar versmaadheid zal niet uitgewist worden.~ 252 24, 25| 25 Die naar mij luistert zal nimmermeer beschaamd worden, 253 24, 34| 34 Ik heb gezegd: Ik zal mijn beste hof wateren, 254 25, 9 | mijn hart, en het tiende zal ik met mijn tong zeggen:~ 255 25, 15| 15 Wie ze houdt, bij wie zal hij vergeleken worden?~ 256 25, 22| midden van zijn naasten zal haar man aanzitten en zal 257 25, 22| zal haar man aanzitten en zal ongaarne zuchten om harentwil.~ 258 26, 13| dat nabij is drinkt, zo zal zij zich tegenover elke 259 26, 23| maar die een man heeft, zal een toren des doods geacht 260 26, 24| 24 Een goddeloze vrouw zal de onrechtvaardige tot een 261 26, 25| maar een eerbare dochter zal ook de man ontzien.~ 262 26, 26| 26 Een onbeschaamde vrouw zal geacht worden als een hond, 263 26, 26| maar die schaamte heeft, zal de Here vrezen.~ 264 26, 27| die haar eigen man eert, zal door allen voor wijs gehouden 265 26, 27| maar die de man onteert, zal van allen gekend worden, 266 26, 28| want het getal zijner jaren zal dubbel zijn.~ 267 26, 29| tong dapper weet te roeren, zal beschouwd worden als bekwaam 268 26, 29| deze in zeden gelijk is, zal zijn leven in de oproeren 269 26, 32| wederkeert tot zonde; de Here zal hem tot het zwaard bereiden.~ 270 26, 33| mishandeling; en een waard zal niet gerechtvaardigd worden 271 27, 1 | zijn goed te vermeerderen, zal zijn oog afwenden.~ 272 27, 2 | vastgestoken wordt, zo ook zal de zonde tussen verkopen 273 27, 3 | vreze des Heren houdt, zo zal zijn huis haastig omgekeerd 274 27, 16| verliest zijn geloof, en zal geen vriend vinden naar 275 27, 23| dingen, en wie die kent zal van hem afwijken.~ 276 27, 24| 24 Voor uw ogen zal zijn mond zoet spreken, 277 27, 24| mond zoet spreken, en hij zal zich over uw woorden verwonderen, 278 27, 24| verwonderen, maar daarna zal hij anders spreken, en maken 279 27, 25| niemand bij hem, en de Here zal hem haten.~ 280 27, 27| Wie een kuil graaft, die zal daarin vallen, en die een 281 27, 27| strik voor anderen legt, zal daarmee gevangen worden.~ 282 27, 28| Wie kwaad doet, bij die zal dat kwaad herberg nemen, 283 27, 28| kwaad herberg nemen, en hij zal niet weten vanwaar het hem 284 27, 30| gevangen worden, en smart zal hen verteren voor hun dood; 285 27, 30| gruwelen, en een zon daar zal daarmee bevangen worden.~ ~ 286 28, 1 | WIE zichzelf wreekt, die zal van de Here wraak vinden, 287 28, 1 | Here wraak vinden, en hij zal zijn zonden zeker bewaren.~ 288 28, 5 | behoudt vijandschap en wie zal zijn zonden verzoenen?~ 289 28, 13| gij in een vonk blaast, zo zal zij branden, maar indien 290 28, 13| indien gij daarop spuwt, zo zal zij uitgaan; en dit komt 291 28, 18| naar haar luistert, die zal geen rust vinden, noch met 292 28, 25| 25 Zij zal over de godvrezenden gans 293 28, 26| in haar vallen en in hen zal zij worden ontstoken, en 294 28, 27| 27 Zij zal over hen gezonden worden 295 28, 27| en gelijk een luipaard zal zij ze verwoesten.~ 296 29, 7 | het vermag te geven, zo zal hij nauwelijks de helft 297 29, 7 | nauwelijks de helft brengen, en zal het rekenen als gevonden.~ 298 29, 14| des Allerhoogsten, en hij zal u voordeliger zijn dan goud.~ 299 29, 15| in uw schatkamers, en ze zal u redden uit alle jammer.~ 300 29, 16| 16 Zij zal meer dan een sterk schild, 301 29, 17| 17 Een goed man zal voor zijn naaste borg worden, 302 29, 17| schaamte verloren heeft, zal hem verlaten.~ 303 29, 20| voor hem borg geworden is, zal vlieden, en een onnut mens 304 29, 20| vlieden, en een onnut mens zal in zijn. gedachten verlaten 305 29, 23| overtredende de geboden des Heren zal in borgschap vervallen, 306 29, 23| van zware werken najaagt, zal in het gericht vallen.~ 307 30, 1 | zijn zoon liefheeft, die zal de roeden altijd aan hem 308 30, 2 | Wie zijn zoon tuchtigt, zal over hem verblijd worden, 309 30, 2 | midden der vermaarde lieden zal hij van hem roemen.~ 310 30, 3 | Wie zijn zoon leert, die zal zijn vijand tot jaloersheid 311 30, 3 | tegenwoordigheid der vrienden zal hij over hem vrolijk zijn.~ 312 30, 6 | zich aan de vijanden wreken zal, en de vrienden weder dankbaar 313 30, 6 | vrienden weder dankbaar zal zijn.~ 314 30, 9 | 9 Streel uw kind, en het zal u verschrikken; speel met 315 30, 9 | verschrikken; speel met hem, en het zal u bedroeven.~ 316 30, 26| de spijzen, die hij eten zal.~ ~ 317 31, 5 | 5 Wie goud liefheeft die zal niet gerechtvaardigd worden; 318 31, 5 | verderving najaagt, deze zal daarvan verzadigd worden.~ 319 31, 10| volmaakt bevonden? en hij zal zijn tot een roem. Wie heeft 320 31, 11| bevestigd worden, en de gemeente zal zijn aalmoezen vertellen.~ 321 31, 25| wakker, en geen krankheid zal u ontmoeten.~ 322 32, 15| Wie de Here vreest, die zal zijn onderwijzing aannemen, 323 32, 16| 16 Wie de wet zoekt, die zal daarvan vervuld worden; 324 32, 16| worden; maar wie geveinsd is, zal daaraan geërgerd worden.~ 325 32, 24| betrouwen op hem zet, die zal geen gebrek hebben.~ ~ 326 33, 1 | HEM die de Here vreest, zal geen kwaad ontmoeten, maar 327 33, 1 | kwaad ontmoeten, maar hij zal hem in verzoeking ook weder 328 33, 2 | 2 Een wijs man zal de wet niet haten maar wie 329 33, 25| door tuchtiging, en hij zal rust zoeken; laat hem de 330 33, 25| handen ledig zijn, en hij zal vrijheid zoeken.~ 331 34, 4 | 4 Van het onreine, wat zal daarvan gereinigd worden? 332 34, 4 | leugenaar, welke waarheid zal daarvan komen?~ 333 34, 9 | die veel ervaren heeft, zal verstandige dingen verhalen.~ 334 34, 13| dergenen, die de Here vrezen, zal leven.~ 335 34, 15| Wie de Here vreest, die zal geen ding vrezen, en zal 336 34, 15| zal geen ding vrezen, en zal niet vervaard wezen, want 337 34, 26| andere vloekt, wiens stem zal de Here verhoren?~ 338 34, 28| heengaat en hetzelfde doet; wie zal zijn gebed verhoren? en 339 35, 7 | en de gedachtenis daarvan zal niet vergeten worden.~ 340 35, 11| is een vergelden, en hij zal het zevenvoudig vergelden.~ 341 35, 14| 14 De Here zal het aangezicht desgenen 342 35, 14| desgenen die onrecht lijdt zal hij verhoren.~ 343 35, 15| 15 Hij zal het smeken der wezen niet 344 35, 17| God dient met welbehagen zal aangenomen worden, en zijn 345 35, 17| aangenomen worden, en zijn gebed zal tot aan de wolken raken.~ 346 35, 18| totdat de Allerhoogste het zal ingezien hebben, welke de 347 35, 18| welke de rechtvaardige zal oordelen en recht doen.~ 348 35, 19| 19 Ook zal de Here niet vertragen, 349 35, 19| vertragen, en de machtige zal niet lankmoedig zijn over 350 35, 19| onbarmhartigen verbroken zal hebben.~ 351 35, 20| 20 Ja, hij zal de volken wraak vergelden, 352 35, 20| hij de menigte der smaders zal weggenomen, en de scepters 353 35, 20| onrecht vaardigen verbroken zal hebben.~ 354 35, 22| 22 Totdat hij zal hebben geoordeeld het recht 355 36, 22| 22 Een verdraaid hart zal droefheid geven, maar een 356 36, 22| die veel ervaren heeft, zal hem vergelden.~ 357 36, 27| waar geen vrouw is, daar zal de man zuchten en dwalen.~ 358 36, 28| 28 Want wie zal een toegeruste moordenaar 359 37, 1 | 1 IEDER vriend zal wel zeggen: Ik heb ook vriendschap 360 37, 4 | de tijd van verdrukking zal hij hem tegen zijn.~ 361 37, 9 | zijn behoefte is, want hij zal zichzelf raad geven, opdat 362 37, 10| zien hetgeen u overkomen zal.~ 363 37, 25| 25 Een wijs man zal vervuld worden met zegen, 364 37, 27| 27 Een wijze zal heerlijkheid beërven onder 365 37, 27| zijn volk, en zijn naam zal in eeuwigheid blijven.~ 366 37, 32| gestorven, maar die daarop let zal zijn leven verlengen.~ ~ 367 38, 9 | maar bid de Here, en hij zal u genezen.~ 368 38, 15| die hem gemaakt heeft, die zal in de handen van de geneesheer 369 38, 23| aan mijn oordeel, want zo zal ook het uwe zijn; mij gisteren 370 38, 25| is in zijn handeling, die zal niet wijs worden.~ 371 38, 27| 27 Deze zal zijn hart begeven om voren 372 38, 27| begeven om voren te maken, en zal waken om de koeien voeder 373 38, 38| 38 Zonder hen zal geen stad gebouwd worden, 374 38, 38| stad gebouwd worden, en men zal daar niet in wonen noch 375 39, 8 | Indien die grote Here wil, zo zal hij met de geest des verstands 376 39, 9 | 9 Hij zal de woorden zijner wijsheid 377 39, 12| verstand prijzen, en dat zal in eeuwigheid niet uitgewist 378 39, 13| 13 Zijn gedachtenis zal niet vergaan, en zijn naam 379 39, 13| niet vergaan, en zijn naam zal leven tot in alle geslachten.~ 380 39, 15| in het leven blijft, zo zal hij een betere naam nalaten 381 39, 16| 16 Nog zal ik vertellen hetgeen ik 382 39, 22| niemand die verminderen zal hetgeen hij behouden wil.~ 383 40, 11| geschenk en ongerechtigheid zal uitgedelgd worden, maar 384 40, 11| uitgedelgd worden, maar geloof zal in eeuwigheid bestaan.~ 385 40, 12| een grote donder met regen zal God geluid daartegen geven.~ 386 40, 15| en oever van een stroom zal voor alle ander gras uitgeplukt 387 40, 31| zoet, maar in zijn buik zal een vuur branden.~ ~ 388 41, 13| Al wat uit de aarde is, zal weder in de aarde keren; 389 41, 14| de boze naam der mensen zal uitgewist worden.~ 390 41, 15| te verkrijgen, want die zal u bijblijven meer dan duizend 391 42, 18| 18 Nu zal ik gedenken de werken des 392 42, 18| en hetgeen ik gezien heb zal ik vertellen: in de woorden 393 42, 31| goede des anderen, en wie zal verzadigd worden aanschouwende 394 43, 3 | verdroogt zij het land, en wie zal tegen haar hitte bestaan?~ 395 43, 32| zoveel gij kunt; evenwel zal hij het nog overtreffen.~ 396 43, 34| Wie heeft hem gezien, en zal het vertellen? en wie zal 397 43, 34| zal het vertellen? en wie zal hem groot maken gelijk hij 398 44, 14| zaad, en hun heerlijkheid zal niet uitgedelgd worden.~ 399 44, 16| vertellen, en de gemeente zal hun lof verkondigen.~ 400 45, 19| zaad zolang de hemel dagen zal hebben; om tegelijk zijn 401 50, 28| in deze dingen. oefenen zal, en die ze ter harte neemt, 402 50, 28| die ze ter harte neemt, zal wijs worden.~ 403 50, 29| Want indien hij ze doet, zal hij tot alle dingen bekwaam 404 51, 1 | de zoon van Sirach>> IK zal u belijden Here, Koning, 405 51, 1 | belijden Here, Koning, en ik zal u prijzen, o God, die mijn 406 51, 14| 14 Ik zal uw naam prijzen zonder ophouden, 407 51, 16| 16 Daarom zal ik u belijden, Here, en 408 51, 16| ik u belijden, Here, en zal u prijzen, en zal uw naam 409 51, 16| Here, en zal u prijzen, en zal uw naam danken.~ 410 51, 18| en tot het uiterste toe zal ik haar naarstig zoeken.~ 411 51, 23| mij wijsheid geeft, die zal ik macht toeschrijven.~ 412 51, 24| beijveren het goede, en zal geenszins te schande worden.~ 413 51, 28| een hart gekregen, daarom zal ik niet verlaten worden.~ 414 51, 30| tot mijn loon, en met deze zal ik hem prijzen.~ 415 51, 38| werk voor de tijd, en hij zal u te zijner tijd loon geven.~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License