Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
helft 1
helpen 2
helper 3
hem 317
hemel 9
hemels 7
hemelsblauwe 1
Frequency    [«  »]
475 van
473 hij
415 zal
317 hem
299 uw
280 heeft
274 gij

Het boek Ecclesiasticus

IntraText - Concordances

hem

    Chapter, Verse
1 1, 1 | is van de Here, en is met hem in der eeuwigheid.~ 2 1, 9 | verleent haar degenen die hem lief hebben.~ 3 1, 18| gezondheid, en de roem verbreidt hem voor degenen, die hem liefhebben.~ 4 1, 18| verbreidt hem voor degenen, die hem liefhebben.~ 5 1, 22| hevigheid zijns toorns is hem ten val.~ 6 1, 23| verdragen, en ten laatste zal hem de vrolijkheid vergelden.~ 7 1, 28| Heren niet, en ga niet tot hem met een dubbel hart.~ 8 2, 3 | 3 Hang hem aan, en wijk niet van hem 9 2, 3 | hem aan, en wijk niet van hem af, opdat gij moogt vermeerderd 10 2, 6 | 6 Geloof hem en hij zal u helpen, maak 11 2, 6 | wegen recht, en hoop op hem.~ 12 2, 7 | de Here vreest, gelooft hem, en uw loon zal u geenszins 13 2, 12| verlaten geworden? of wie heeft hem aangeroepen en is door hem 14 2, 12| hem aangeroepen en is door hem veracht?~ 15 2, 18| ongehoorzaam zijn, en die Hem liefhebben, zullen zijn 16 2, 19| Here vrezen, zoeken dat zij hem behagen mogen.~ 17 2, 20| 20 Die hem liefhebben, zullen van zijn 18 2, 21| vernederen hun zielen voor hem.~ 19 3, 7 | heren dienen degenen, die hem gegenereerd hebben.~ 20 3, 12| Want de eer des mensen komt hem uit de eer zijns vaders, 21 3, 13| zijn ouderdom, en bedroef hem niet in uw leven.~ 22 3, 14| 14 Indien hem het verstand begeeft, zo 23 3, 14| verstand begeeft, zo houd hem dat ten goede, en wacht 24 3, 14| met al uw vermogen dat gij hem niet onteert.~ 25 3, 29| plant der boosheid is in hem ingeworteld.~ 26 4, 6 | gebed zal hij horen, die hem gemaakt heeft,~ 27 4, 8 | zonder droefheid; en antwoord hem vreedzaam met zachtmoedigheid.~ 28 4, 9 | onrecht lijdt uit de hand van hem die onrecht doet, en zijt 29 4, 18| zal zij in het eerst met hem omgaan.~ 30 4, 19| en bloôheid zal zij over hem brengen, en zal hem pijnigen 31 4, 19| over hem brengen, en zal hem pijnigen met haar tuchtiging, 32 4, 19| vertrouwen zal hebben, en hem verzocht hebben door haar 33 4, 20| 20 En zij zal wederom tot hem keren door een rechte weg 34 4, 20| keren door een rechte weg en hem verheugen;~ 35 4, 21| 21 En zal hem haar verborgen dingen openbaren.~ 36 4, 22| zou afdwalen, zo zal zij hem verlaten, en hem overlaten 37 4, 22| zal zij hem verlaten, en hem overlaten in de handen van 38 5, 7 | barmhartigheid en toorn zal bij hem haasten, en op de zondaars 39 5, 15| en des mensen tong brengt hem ten val.~ 40 6, 7 | wilt verkrijgen, zo krijg hem in de verzoeking en vertrouw 41 6, 7 | verzoeking en vertrouw uzelf hem niet te haastig.~ 42 6, 16| die de Here vrezen zullen hem vinden.~ 43 6, 22| 22 Zij is bij hem gelijk een harde steen der 44 6, 35| is er iemand wijs, hang hem aan; wil alle Goddelijke 45 6, 36| u des morgens vroeg tot hem, en uw voet betrede gestadig 46 7, 21| huisknecht liefhebben, en onthoud hem de vrijheid niet.~ 47 7, 31| 31 En geef hem zijn deel, gelijk u bevolen 48 8, 5 | opdat uw voorouders van hem niet onteerd worden.~ 49 8, 15| is dan gij, en indien gij hem wat geleend zult hebben, 50 8, 17| de rechter, want men zal hem oordelen, naar zijn mening.~ 51 8, 19| toornige, en ga niet met hem door de woestijn, gelijk 52 9, 12| niet, want de nieuwe is hem niet gelijk.~ 53 9, 13| oud geworden zijn, drink hem met verheuging.~ 54 9, 17| 17 En indien gij tot hem komt zo vergrijp u niet, 55 10, 13| hart afwijkt van degene die hem gemaakt heeft.~ 56 10, 22| zijn een gewis zaad, en die Hem liefhebben een kostelijke 57 11, 1 | zijn hoofd verheffen, en hem in het midden der groten 58 11, 12| van node, het ontbreekt hem aan sterkte, en hij heeft 59 11, 12| het oog des Heren ziet op hem ten goede, en richt hem 60 11, 12| hem ten goede, en richt hem op uit zijn nederigheid;~ 61 11, 13| schouwende, verwonderen zich over hem.~ 62 11, 15| der goede werken zijn van hem.~ 63 11, 19| en hij weet niet wat tijd hem overkomen zal, en hij zal 64 12, 2 | vinden, en is het niet bij hem, immers bij de Allerhoogste.~ 65 12, 5 | goddeloze niet. Onthoud hem uw brood, en geef hem niet, 66 12, 5 | Onthoud hem uw brood, en geef hem niet, opdat hij u daardoor 67 12, 5 | voor al het goede, dat gij hem gedaan zult hebben.~ 68 12, 8 | in droefheid, en als het hem kwalijk gaat, dan scheidt 69 12, 8 | scheidt ook de vriend van hem af.~ 70 12, 11| bedwing uzelf, en wacht u van hem, en gij zult hem zijn als 71 12, 11| wacht u van hem, en gij zult hem zijn als die een spiegel 72 12, 12| 12 Stel hem niet nevens u, opdat hij 73 12, 12| stelle op uw plaats, en zet hem niet aan uw rechterzijde, 74 12, 13| naderen? zo gaat het met hem die zich ophoudt bij een 75 12, 17| zou ontmoeten, gij zult hem aldaar eerder vinden dan 76 13, 1 | gemeenschap heeft, wordt hem gelijk.~ 77 13, 4 | doet onrecht, en men smeekt hem; een arme doet onrecht, 78 13, 5 | 5 Indien gij hem kunt bevorderlijk zijn, 79 13, 13| 13 Tracht niet met hem te spreken, en betrouw op 80 13, 15| neem vlijtig acht als gij hem hoort, want gij wandelt 81 13, 17| al uw leven lang, en roep hem aan tot uw behoudenis.~ 82 13, 25| zo heeft hij velen, die hem ophelpen; heeft hij onbetamelijke 83 13, 25| gesproken, men recht vaardigt hem evenwel.~ 84 13, 26| struikelt, en men bekijft hem nog daartoe; hij heeft verstandige 85 13, 26| gesproken, en men geeft hem geen plaats.~ 86 13, 28| indien hij aanstoot, men zal hem voorts omstoten.~ 87 14, 13| vermogen uw hand uit en geef hem.~ 88 15, 2 | gelijk een moeder zal zij hem tegemoet gaan, en gelijk 89 15, 2 | getrouwd heeft, zal zij hem ontvangen.~ 90 15, 3 | 3 Zij zal hem spijzen met brood des verstands, 91 15, 3 | water der wijsheid zal zij hem drenken.~ 92 15, 5 | 5 En zij zal hem verhogen boven zijn naaste, 93 15, 6 | verheuging vinden, en zij zal hem een eeuwige naam doen beërven.~ 94 15, 9 | voegt niet wel, omdat hij hem van de Here niet is gezonden.~ 95 15, 13| niet bemind van degenen die hem vrezen.~ 96 15, 14| beginne de mens gemaakt, en hem gelaten in de hand zijns 97 15, 17| voor de mens, en hetgeen hem behagen zal, dat zal hem 98 15, 17| hem behagen zal, dat zal hem gegeven worden.~ 99 15, 19| ogen zijn op degenen die hem vrezen, en hij zal kennis 100 16, 12| ontferming en toorn is bij hem; hij is een machtig Here, 101 16, 15| heeft Faraö verhard, dat hij hem niet kende, opdat zijn werken 102 17, 1 | aarde geschapen, en heeft hem weder in dezelve doen terugkeren.~ 103 17, 13| ogen, zijnde altijd voor hem, maar ieder mens is van 104 17, 14| tucht op voedt, en hij deelt hem mede het licht der liefde, 105 17, 14| licht der liefde, en begeeft hem niet.~ 106 17, 15| zijn al hun werken voor hem gelijk als de zon, en zijn 107 17, 16| zijn niet verborgen voor hem, en al hun zonden zijn voor 108 17, 17| is gelijk een zegel bij hem, en zal de genade tegen 109 17, 25| degenen die zich heilig tot hem bekeren.~ 110 18, 6 | opgehouden hebben, dan zal hem nog ontbreken.~ 111 18, 18| van een nijdig mens doet hem de ogen uitdrogen.~ 112 19, 18| en de wijsheid die van hem komt verkrijgt liefde; kennis 113 19, 18| levens, en die doen wat hem behagelijk is, zullen de 114 19, 19| ver toornt degene, die hem voedt.~ 115 19, 24| klederen, en het binnenste van hem is vol van vurig bedrog.~ 116 19, 25| maakt de dove; indien gij hem niet gewaar wordt, zal hij 117 20, 17| menigmaal, en hoe velen zullen hem bespotten! want hij heeft 118 20, 17| het ontberen daarvan is hem desgelijks evenveel.~ 119 20, 23| uit schaamte, en krijgt hem tot een vijand zonder oorzaak.~ 120 20, 26| een leugenachtig mens zijn hem een oneer, en zijn schande 121 20, 26| zijn schande is steeds bij hem.~ 122 21, 18| gehoord, zo mishaagt het hem, enhij werpt het achter 123 22, 1 | steen, en een ieder schuift hem weg om zijn oneer.~ 124 22, 2 | koedrek op de mesthoop; wie hem op neemt, schudt de hand 125 22, 3 | en zulk een dochter wordt hem tot verkleining.~ 126 22, 10| dode, want het licht heeft hem begeven. Beween ook een 127 22, 10| want het verstand heeft hem begeven.~ 128 22, 15| 15 Hoed u voor hem, opdat gij geen moeite hebt, 129 22, 16| 16 Wijk van hem, en gij zult rust vinden, 130 22, 27| verheugen moogt als het hem wèl gaat.~ 131 22, 28| der verdrukking blijf bij hem, opdat gij zijn erfdeel 132 22, 30| het hoort zal zich voor hem wachten.~ 133 23, 5 | hoop en begeerte, en behoud hem die u altijd wil dienen; 134 23, 11| mishandelt, zijn zonde is op hem, en indien hij het niet 135 23, 27| dingen geschapen waren, is hem alles bekend geweest; zo 136 23, 35| lang leven, dat gij van hem aangenomen wordt.~ ~ 137 24, 21| dingen, namelijk die mij van hem toegezegd worden.~ 138 24, 26| u krachtig make; kleeft hem aan; de Almachtige Here 139 24, 26| geen Zaligmaker benevens hem.~ 140 26, 24| godvrezende vrouw wordt gegeven hem, die de Here vreest.~ 141 26, 32| wederkeert tot zonde; de Here zal hem tot het zwaard bereiden.~ 142 27, 17| vriend hartelijk lief en zijt hem getrouw.~ 143 27, 18| geopenbaard hebben, zo volg hem niet na.~ 144 27, 20| naaste verlaten, en zult hem niet weder vangen.~ 145 27, 21| 21 Volg hem niet, want hij is verre 146 27, 23| en wie die kent zal van hem afwijken.~ 147 27, 25| en vergelijk niemand bij hem, en de Here zal hem haten.~ 148 27, 25| bij hem, en de Here zal hem haten.~ 149 27, 26| hoogte werpt, die werpt hem op zijn eigen hoofd; zo 150 27, 28| zal niet weten vanwaar het hem komt.~ 151 28, 4 | barmhartigheid over een mens die hem gelijk is, en bidt om zijn 152 29, 1 | leent zijn naaste en wie hem sterkt met zijn hand, die 153 29, 3 | Bevestig uw woord en zijt hem getrouw en gij zult hem 154 29, 3 | hem getrouw en gij zult hem te allen tijde uw behoefte 155 29, 8 | indien niet, zo berooft hij hem van zijn geld, en maakt 156 29, 8 | van zijn geld, en maakt hem tot een vijand zonder oorzaak.~ 157 29, 9 | 9 Hij betaalt hem met vloeken en scheldwoorden, 158 29, 9 | en voor eer vergeldt hij hem oneer.~ 159 29, 11| zijt lankmoedig, en stel hem niet uit met uw aalmoes.~ 160 29, 17| schaamte verloren heeft, zal hem verlaten.~ 161 29, 20| zondaar, wanneer men voor hem borg geworden is, zal vlieden, 162 29, 20| gedachten verlaten degene, die hem verlost heeft.~ 163 29, 32| en het verwijt van die hem geleend heeft.~ ~ 164 30, 1 | zal de roeden altijd aan hem bezigen, opdat hij eindelijk 165 30, 1 | opdat hij eindelijk van hem verheugd worde.~ 166 30, 2 | zoon tuchtigt, zal over hem verblijd worden, en in het 167 30, 2 | vermaarde lieden zal hij van hem roemen.~ 168 30, 3 | der vrienden zal hij over hem vrolijk zijn.~ 169 30, 4 | achter zich gelaten een die hem gelijk is.~ 170 30, 5 | 5 In zijn leven zag hij hem, en was over hem verheugd, 171 30, 5 | zag hij hem, en was over hem verheugd, en in zijn dood 172 30, 9 | verschrikken; speel met hem, en het zal u bedroeven.~ 173 30, 10| 10 Lach niet met hem, opdat u geen smart overkome, 174 30, 11| 11 Geef hem geen macht in de jeugd, 175 30, 12| 12 Buig hem zijn hals in de jeugd, en 176 30, 13| zoon, en maak uw werk van hem, opdat gij u niet stoot 177 30, 19| riekt niet; zo gaat het hem die door de Here vervolgd 178 30, 22| vrolijk heid des mans verlengt hem zijn dagen.~ 179 31, 9 | Wie is deze? en wij zullen hem zalig prijzen; want hij 180 31, 16| heenziet, en wrijf ze met hem niet in de schotel.~ 181 31, 21| en zijn vernuft is bij hem.~ 182 31, 35| het wijngelag, en veracht hem niet in zijn verheuging.~ 183 31, 36| 36 En zeg hem geen verwijtend woord, en 184 31, 36| verwijtend woord, en verdruk hem niet, wanneer hij u ontmoet.~ ~ 185 32, 14| 14 En dank hiervoor Hem die u gemaakt heeft, en 186 32, 15| aannemen, en die zich vroeg tot Hem maken, zullen vinden wat 187 32, 18| wil vindt hij uit hetgeen hem behaagt.~ 188 32, 24| en wie zijn betrouwen op hem zet, die zal geen gebrek 189 33, 1 | 1 HEM die de Here vreest, zal 190 33, 1 | ontmoeten, maar hij zal hem in verzoeking ook weder 191 33, 3 | vertrouwt de wet, en de wet is hem getrouw.~ 192 33, 6 | onder een ieder, die op hem zit.~ 193 33, 12| heeft hij geheiligd, en tot hem doen naderen, enigen uit 194 33, 14| in de hand desgenen, die hem gemaakt heeft, dat hij hen 195 33, 25| 25 Doe hem werken door tuchtiging, 196 33, 25| hij zal rust zoeken; laat hem de handen ledig zijn, en 197 33, 27| 27 Drijf hem tot het i werk, opdat hij 198 33, 28| 28 Stel hem aan het werk, gelijk hem 199 33, 28| hem aan het werk, gelijk hem betaamt.~ 200 33, 30| gelijk uw ziel, omdat gij hem door bloed verkregen hebt; 201 33, 30| huisknecht hebt, behandel hem gelijk een broeder, want 202 33, 30| gelijk uw ziel, gij zult hem behoeven.~ 203 33, 31| 31 Indien gij hem onrechtvaardig zoudt mishandelen, 204 33, 31| zou lopen, waar zult gij hem zoeken?~ ~ 205 34, 14| 14 Want hun hoop is op hem, die hen behouden heeft.~ 206 34, 17| Heren zien op degenen die hem liefhebben; hij is hun een 207 34, 23| Hij doodt zijn naaste, die hem zijn leeftocht afneemt.~ 208 35, 13| Here is een rechter, en bij hem is geen achting des aangezichts.~ 209 35, 15| zij haar klaag rede tot hem uitstort.~ 210 35, 16| en haar geschrei tegen hem, die ze heeft doen nederkomen?~ 211 36, 22| veel ervaren heeft, zal hem vergelden.~ 212 36, 26| hij een hulp heeft, die hem gelijk is, en een pilaar 213 37, 4 | van verdrukking zal hij hem tegen zijn.~ 214 37, 6 | niet in uw hart, en stel hem niet in vergetelheid, wanneer 215 37, 7 | 7 Beraad u niet met hem die u overdwars aanziet, 216 37, 11| 11 Beraad u niet met hem, die u overdwars aanziet, 217 37, 14| hebt niemand getrouwer dan hem.~ 218 37, 22| 22 Want hem is door de Here die genade 219 37, 25| met zegen, en allen die hem zien, zullen hem gelukzalig 220 37, 25| allen die hem zien, zullen hem gelukzalig prijzen.~ 221 38, 1 | behoeften, met de eer die hem toekomt; want ook hem heeft 222 38, 1 | die hem toekomt; want ook hem heeft de Here geschapen.~ 223 38, 8 | hebben geen einde, en van hem komt gezondheid op de aardbodem.~ 224 38, 11| van meelbloem, en breng hem een vette offerande, als 225 38, 12| 12 Want de Here heeft hem geschapen, en laat hem niet 226 38, 12| heeft hem geschapen, en laat hem niet van u, want gij behoeft 227 38, 12| van u, want gij behoeft hem.~ 228 38, 15| tegen degene zondigt, die hem gemaakt heeft, die zal in 229 38, 22| vandaar is geen wederkomst, en hem zult gij geen voordeel doen, 230 38, 24| rusten, en troost u over hem, wanneer zijn geest uitgegaan 231 38, 29| 29 Zo ook met hem die de zegelen uitsteekt, 232 39, 6 | te komen tot degene die hem gemaakt heeft, en tot de 233 39, 24| niets te wonderlijk voor hem.~ 234 40, 3 | 3 Zo wel bij hem, die op de troon der heerlijkheid 235 40, 4 | 4 Zo wel bij hem, die een purperen kleed 236 41, 26| weg te nemen, en hetgeen hem gegeven is, en te letten 237 41, 28| der verwijting, en als gij hem wat gegeven hebt verwijt 238 41, 28| wat gegeven hebt verwijt hem dat niet.~ 239 42, 25| 25 Geen gedachte gaat hem voorbij; daar is voor hem 240 42, 25| hem voorbij; daar is voor hem ook niet een woord verborgen.~ 241 42, 29| in al hun gebruik en zijn hem alle gehoorzaam.~ 242 43, 12| Zie de regenboog, en loof hem die hem gemaakt heeft, die 243 43, 12| regenboog, en loof hem die hem gemaakt heeft, die zeer 244 43, 13| des Allerhoogsten spannen hem uit.~ 245 43, 28| 28 Door hem is zijn bode voorspoedig, 246 43, 30| 30 Willen wij hem verheerlijken, waar zullen 247 43, 32| Verheerlijkt de Here en verhoogt hem zoveel gij kunt; evenwel 248 43, 33| 33 Verhoogt hem en brengt hem veel sterkte 249 43, 33| 33 Verhoogt hem en brengt hem veel sterkte toe; doch vermoeit 250 43, 34| 34 Wie heeft hem gezien, en zal het vertellen? 251 43, 34| het vertellen? en wie zal hem groot maken gelijk hij is?~ 252 44, 18| tijd des toorns geschiedde hem vergelding.~ 253 44, 19| eeuwige verbonden werden met hem opgericht, opdat niet alle 254 44, 20| daar is niemand gevonden hem gelijk in zijn heerlijkheid, 255 44, 20| Allerhoogsten bewaard heeft, en met hem in een verbond geweest is.~ 256 44, 22| 22 Daarom heeft hij hem met een eed beloofd, dat 257 44, 23| 23 En hem zou vermenigvuldigen gelijk 258 44, 25| gekend in zijn zegeningen, en hem een erfdeel gegeven, en 259 44, 26| 26 En heeft uit hem voortgebracht een man der 260 45, 2 | 2 Hij heeft hem der heiligen heerlijkheid 261 45, 2 | gelijk gemaakt, en heeft hem door de vrees der vijanden 262 45, 2 | doen ophouden; en heeft hem verheerlijkt voor het aangezicht 263 45, 3 | 3 Hij heeft hem bevel gegeven aan zijn volk, 264 45, 3 | aan zijn volk, en heeft hem zijn heerlijkheid getoond.~ 265 45, 4 | zachtmoedigheid heeft hij hem geheiligd; hij heeft hem 266 45, 4 | hem geheiligd; hij heeft hem uit alle vlees uitverkoren.~ 267 45, 5 | 5 Hij heeft hem zijn stem laten horen, en 268 45, 5 | stem laten horen, en heeft hem ingevoerd in het donker;~ 269 45, 6 | 6 En heeft hem van aangezicht tot aangezicht 270 45, 7 | verhoogd, dat hij heilig en hem gelijk ware.~ 271 45, 8 | 8 Hij heeft met hem een eeuwig verbond opgericht, 272 45, 8 | eeuwig verbond opgericht, en hem gegeven het priesterdom 273 45, 9 | 9 En heeft hem omgord met een kleed der 274 45, 9 | kleed der heerlijkheid, en hem aangetrokken een volkomen 275 45, 9 | aangetrokken een volkomen roem, en hem gesterkt met uitrusting 276 45, 11| 11 En heeft hem rondom behangen met granaatappelen, 277 45, 14| 14 Hij heeft hem versierd met een gouden 278 45, 15| 15 Vóór hem zijn dergelijke dingen niet 279 45, 16| alleen zijn zonen, en die uit hem geboren waren te allen tijde.~ 280 45, 18| handen gevuld, en heeft hem met heilige olie gezalfd.~ 281 45, 19| 19 Dit is hem geweest tot een eeuwig verbond, 282 45, 20| alle levenden heeft hij hem uitverkoren, om de Here 283 45, 21| 21 Hij heeft hem zijn bevelen gegeven, en 284 45, 22| 22 Vreemden zijn tegen hem opgestaan, en hebben hem 285 45, 22| hem opgestaan, en hebben hem benijd in de woestijn; mannen 286 45, 25| heerlijkheid vermeerderd, en hem een erfdeel gegeven, de 287 45, 25| eerstgeborenen heeft hij hem ten deel gegeven.~ 288 45, 26| 26 Vooral heeft hij hem brood toebereid in verzadiging; 289 45, 26| slachtoffers des Heren, welke hij hem en zijn zaad gegeven heeft.~ 290 45, 30| Daarom heeft de Here met hem en zijn volk opgericht een. 291 46, 6 | de grote Here verhoorde hem, en hielp door geweldige 292 46, 11| Here gaf Kaleb sterkte, die hem bijbleef tot in zijn ouderdom, 293 46, 18| Here, de machtige, aan, als hem zijn vijanden rondom drukten, 294 46, 21| en geen mens klaagde over hem.~ 295 47, 6 | Allerhoogste Here aan, en die gaf hem in zijn rechterhand kracht 296 47, 7 | 7 Zodat het hem verheerlijkte onder tienduizenden, 297 47, 7 | tienduizenden, en prees hem met zegeningen des Heren, 298 47, 7 | zegeningen des Heren, als hem de kroon der heerlijk heid 299 47, 8 | de Filistijnen die tegen hem waren, tot op de huidige 300 47, 10| en had degene lief die hem gemaakt had.~ 301 47, 13| in eeuwigheid; en heeft hem gegeven het verbond des 302 47, 14| 14 Na hem stond op zijn zoon zijnde 303 47, 14| zijnde een wijs man, en door hem heeft het volk in ruimte 304 47, 15| geworden, gelijk God rondom hem rust gegeven had, opdat 305 47, 24| nam het zaad desgenen, die hem had liefgehad, niet weg.~ 306 47, 25| en David een wortel uit hem gesproten.~ 307 48, 13| oversten, en niemand heeft hem met geweld onderdrukt.~ 308 48, 14| 14 Geen ding ging hem te boven, en als hij ontslapen 309 48, 22| breidden hun handen tot hem uit.~ 310 49, 9 | 9 Want zij hebben hem kwalijk behandeld, hoewel 311 49, 10| gezicht zag, hetwelk de Here hem toonde in de wagen der cherubim.~ 312 50, 2 | 2 Onder hem is het fundament gelegd 313 50, 13| 13 Rondom hem was een omstaande menigte 314 50, 13| Libanon, en omsingelden hem gelijk scheuten van palmbomen; 315 51, 21| 21 Ik hem mijn oor een weinig geneigd, 316 51, 30| loon, en met deze zal ik hem prijzen.~ 317 51, 37| Heren, en schaamt u niet hem te prijzen.~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License