Chapter, Verse
1 1, 1 | is van de Here, en is met hem in der eeuwigheid.~
2 1, 9 | verleent haar degenen die hem lief hebben.~
3 1, 18| gezondheid, en de roem verbreidt hem voor degenen, die hem liefhebben.~
4 1, 18| verbreidt hem voor degenen, die hem liefhebben.~
5 1, 22| hevigheid zijns toorns is hem ten val.~
6 1, 23| verdragen, en ten laatste zal hem de vrolijkheid vergelden.~
7 1, 28| Heren niet, en ga niet tot hem met een dubbel hart.~
8 2, 3 | 3 Hang hem aan, en wijk niet van hem
9 2, 3 | hem aan, en wijk niet van hem af, opdat gij moogt vermeerderd
10 2, 6 | 6 Geloof hem en hij zal u helpen, maak
11 2, 6 | wegen recht, en hoop op hem.~
12 2, 7 | de Here vreest, gelooft hem, en uw loon zal u geenszins
13 2, 12| verlaten geworden? of wie heeft hem aangeroepen en is door hem
14 2, 12| hem aangeroepen en is door hem veracht?~
15 2, 18| ongehoorzaam zijn, en die Hem liefhebben, zullen zijn
16 2, 19| Here vrezen, zoeken dat zij hem behagen mogen.~
17 2, 20| 20 Die hem liefhebben, zullen van zijn
18 2, 21| vernederen hun zielen voor hem.~
19 3, 7 | heren dienen degenen, die hem gegenereerd hebben.~
20 3, 12| Want de eer des mensen komt hem uit de eer zijns vaders,
21 3, 13| zijn ouderdom, en bedroef hem niet in uw leven.~
22 3, 14| 14 Indien hem het verstand begeeft, zo
23 3, 14| verstand begeeft, zo houd hem dat ten goede, en wacht
24 3, 14| met al uw vermogen dat gij hem niet onteert.~
25 3, 29| plant der boosheid is in hem ingeworteld.~
26 4, 6 | gebed zal hij horen, die hem gemaakt heeft,~
27 4, 8 | zonder droefheid; en antwoord hem vreedzaam met zachtmoedigheid.~
28 4, 9 | onrecht lijdt uit de hand van hem die onrecht doet, en zijt
29 4, 18| zal zij in het eerst met hem omgaan.~
30 4, 19| en bloôheid zal zij over hem brengen, en zal hem pijnigen
31 4, 19| over hem brengen, en zal hem pijnigen met haar tuchtiging,
32 4, 19| vertrouwen zal hebben, en hem verzocht hebben door haar
33 4, 20| 20 En zij zal wederom tot hem keren door een rechte weg
34 4, 20| keren door een rechte weg en hem verheugen;~
35 4, 21| 21 En zal hem haar verborgen dingen openbaren.~
36 4, 22| zou afdwalen, zo zal zij hem verlaten, en hem overlaten
37 4, 22| zal zij hem verlaten, en hem overlaten in de handen van
38 5, 7 | barmhartigheid en toorn zal bij hem haasten, en op de zondaars
39 5, 15| en des mensen tong brengt hem ten val.~
40 6, 7 | wilt verkrijgen, zo krijg hem in de verzoeking en vertrouw
41 6, 7 | verzoeking en vertrouw uzelf hem niet te haastig.~
42 6, 16| die de Here vrezen zullen hem vinden.~
43 6, 22| 22 Zij is bij hem gelijk een harde steen der
44 6, 35| is er iemand wijs, hang hem aan; wil alle Goddelijke
45 6, 36| u des morgens vroeg tot hem, en uw voet betrede gestadig
46 7, 21| huisknecht liefhebben, en onthoud hem de vrijheid niet.~
47 7, 31| 31 En geef hem zijn deel, gelijk u bevolen
48 8, 5 | opdat uw voorouders van hem niet onteerd worden.~
49 8, 15| is dan gij, en indien gij hem wat geleend zult hebben,
50 8, 17| de rechter, want men zal hem oordelen, naar zijn mening.~
51 8, 19| toornige, en ga niet met hem door de woestijn, gelijk
52 9, 12| niet, want de nieuwe is hem niet gelijk.~
53 9, 13| oud geworden zijn, drink hem met verheuging.~
54 9, 17| 17 En indien gij tot hem komt zo vergrijp u niet,
55 10, 13| hart afwijkt van degene die hem gemaakt heeft.~
56 10, 22| zijn een gewis zaad, en die Hem liefhebben een kostelijke
57 11, 1 | zijn hoofd verheffen, en hem in het midden der groten
58 11, 12| van node, het ontbreekt hem aan sterkte, en hij heeft
59 11, 12| het oog des Heren ziet op hem ten goede, en richt hem
60 11, 12| hem ten goede, en richt hem op uit zijn nederigheid;~
61 11, 13| schouwende, verwonderen zich over hem.~
62 11, 15| der goede werken zijn van hem.~
63 11, 19| en hij weet niet wat tijd hem overkomen zal, en hij zal
64 12, 2 | vinden, en is het niet bij hem, immers bij de Allerhoogste.~
65 12, 5 | goddeloze niet. Onthoud hem uw brood, en geef hem niet,
66 12, 5 | Onthoud hem uw brood, en geef hem niet, opdat hij u daardoor
67 12, 5 | voor al het goede, dat gij hem gedaan zult hebben.~
68 12, 8 | in droefheid, en als het hem kwalijk gaat, dan scheidt
69 12, 8 | scheidt ook de vriend van hem af.~
70 12, 11| bedwing uzelf, en wacht u van hem, en gij zult hem zijn als
71 12, 11| wacht u van hem, en gij zult hem zijn als die een spiegel
72 12, 12| 12 Stel hem niet nevens u, opdat hij
73 12, 12| stelle op uw plaats, en zet hem niet aan uw rechterzijde,
74 12, 13| naderen? zo gaat het met hem die zich ophoudt bij een
75 12, 17| zou ontmoeten, gij zult hem aldaar eerder vinden dan
76 13, 1 | gemeenschap heeft, wordt hem gelijk.~
77 13, 4 | doet onrecht, en men smeekt hem; een arme doet onrecht,
78 13, 5 | 5 Indien gij hem kunt bevorderlijk zijn,
79 13, 13| 13 Tracht niet met hem te spreken, en betrouw op
80 13, 15| neem vlijtig acht als gij hem hoort, want gij wandelt
81 13, 17| al uw leven lang, en roep hem aan tot uw behoudenis.~
82 13, 25| zo heeft hij velen, die hem ophelpen; heeft hij onbetamelijke
83 13, 25| gesproken, men recht vaardigt hem evenwel.~
84 13, 26| struikelt, en men bekijft hem nog daartoe; hij heeft verstandige
85 13, 26| gesproken, en men geeft hem geen plaats.~
86 13, 28| indien hij aanstoot, men zal hem voorts omstoten.~
87 14, 13| vermogen uw hand uit en geef hem.~
88 15, 2 | gelijk een moeder zal zij hem tegemoet gaan, en gelijk
89 15, 2 | getrouwd heeft, zal zij hem ontvangen.~
90 15, 3 | 3 Zij zal hem spijzen met brood des verstands,
91 15, 3 | water der wijsheid zal zij hem drenken.~
92 15, 5 | 5 En zij zal hem verhogen boven zijn naaste,
93 15, 6 | verheuging vinden, en zij zal hem een eeuwige naam doen beërven.~
94 15, 9 | voegt niet wel, omdat hij hem van de Here niet is gezonden.~
95 15, 13| niet bemind van degenen die hem vrezen.~
96 15, 14| beginne de mens gemaakt, en hem gelaten in de hand zijns
97 15, 17| voor de mens, en hetgeen hem behagen zal, dat zal hem
98 15, 17| hem behagen zal, dat zal hem gegeven worden.~
99 15, 19| ogen zijn op degenen die hem vrezen, en hij zal kennis
100 16, 12| ontferming en toorn is bij hem; hij is een machtig Here,
101 16, 15| heeft Faraö verhard, dat hij hem niet kende, opdat zijn werken
102 17, 1 | aarde geschapen, en heeft hem weder in dezelve doen terugkeren.~
103 17, 13| ogen, zijnde altijd voor hem, maar ieder mens is van
104 17, 14| tucht op voedt, en hij deelt hem mede het licht der liefde,
105 17, 14| licht der liefde, en begeeft hem niet.~
106 17, 15| zijn al hun werken voor hem gelijk als de zon, en zijn
107 17, 16| zijn niet verborgen voor hem, en al hun zonden zijn voor
108 17, 17| is gelijk een zegel bij hem, en zal de genade tegen
109 17, 25| degenen die zich heilig tot hem bekeren.~
110 18, 6 | opgehouden hebben, dan zal hem nog ontbreken.~
111 18, 18| van een nijdig mens doet hem de ogen uitdrogen.~
112 19, 18| en de wijsheid die van hem komt verkrijgt liefde; kennis
113 19, 18| levens, en die doen wat hem behagelijk is, zullen de
114 19, 19| ver toornt degene, die hem voedt.~
115 19, 24| klederen, en het binnenste van hem is vol van vurig bedrog.~
116 19, 25| maakt de dove; indien gij hem niet gewaar wordt, zal hij
117 20, 17| menigmaal, en hoe velen zullen hem bespotten! want hij heeft
118 20, 17| het ontberen daarvan is hem desgelijks evenveel.~
119 20, 23| uit schaamte, en krijgt hem tot een vijand zonder oorzaak.~
120 20, 26| een leugenachtig mens zijn hem een oneer, en zijn schande
121 20, 26| zijn schande is steeds bij hem.~
122 21, 18| gehoord, zo mishaagt het hem, enhij werpt het achter
123 22, 1 | steen, en een ieder schuift hem weg om zijn oneer.~
124 22, 2 | koedrek op de mesthoop; wie hem op neemt, schudt de hand
125 22, 3 | en zulk een dochter wordt hem tot verkleining.~
126 22, 10| dode, want het licht heeft hem begeven. Beween ook een
127 22, 10| want het verstand heeft hem begeven.~
128 22, 15| 15 Hoed u voor hem, opdat gij geen moeite hebt,
129 22, 16| 16 Wijk van hem, en gij zult rust vinden,
130 22, 27| verheugen moogt als het hem wèl gaat.~
131 22, 28| der verdrukking blijf bij hem, opdat gij zijn erfdeel
132 22, 30| het hoort zal zich voor hem wachten.~
133 23, 5 | hoop en begeerte, en behoud hem die u altijd wil dienen;
134 23, 11| mishandelt, zijn zonde is op hem, en indien hij het niet
135 23, 27| dingen geschapen waren, is hem alles bekend geweest; zo
136 23, 35| lang leven, dat gij van hem aangenomen wordt.~ ~
137 24, 21| dingen, namelijk die mij van hem toegezegd worden.~
138 24, 26| u krachtig make; kleeft hem aan; de Almachtige Here
139 24, 26| geen Zaligmaker benevens hem.~
140 26, 24| godvrezende vrouw wordt gegeven hem, die de Here vreest.~
141 26, 32| wederkeert tot zonde; de Here zal hem tot het zwaard bereiden.~
142 27, 17| vriend hartelijk lief en zijt hem getrouw.~
143 27, 18| geopenbaard hebben, zo volg hem niet na.~
144 27, 20| naaste verlaten, en zult hem niet weder vangen.~
145 27, 21| 21 Volg hem niet, want hij is verre
146 27, 23| en wie die kent zal van hem afwijken.~
147 27, 25| en vergelijk niemand bij hem, en de Here zal hem haten.~
148 27, 25| bij hem, en de Here zal hem haten.~
149 27, 26| hoogte werpt, die werpt hem op zijn eigen hoofd; zo
150 27, 28| zal niet weten vanwaar het hem komt.~
151 28, 4 | barmhartigheid over een mens die hem gelijk is, en bidt om zijn
152 29, 1 | leent zijn naaste en wie hem sterkt met zijn hand, die
153 29, 3 | Bevestig uw woord en zijt hem getrouw en gij zult hem
154 29, 3 | hem getrouw en gij zult hem te allen tijde uw behoefte
155 29, 8 | indien niet, zo berooft hij hem van zijn geld, en maakt
156 29, 8 | van zijn geld, en maakt hem tot een vijand zonder oorzaak.~
157 29, 9 | 9 Hij betaalt hem met vloeken en scheldwoorden,
158 29, 9 | en voor eer vergeldt hij hem oneer.~
159 29, 11| zijt lankmoedig, en stel hem niet uit met uw aalmoes.~
160 29, 17| schaamte verloren heeft, zal hem verlaten.~
161 29, 20| zondaar, wanneer men voor hem borg geworden is, zal vlieden,
162 29, 20| gedachten verlaten degene, die hem verlost heeft.~
163 29, 32| en het verwijt van die hem geleend heeft.~ ~
164 30, 1 | zal de roeden altijd aan hem bezigen, opdat hij eindelijk
165 30, 1 | opdat hij eindelijk van hem verheugd worde.~
166 30, 2 | zoon tuchtigt, zal over hem verblijd worden, en in het
167 30, 2 | vermaarde lieden zal hij van hem roemen.~
168 30, 3 | der vrienden zal hij over hem vrolijk zijn.~
169 30, 4 | achter zich gelaten een die hem gelijk is.~
170 30, 5 | 5 In zijn leven zag hij hem, en was over hem verheugd,
171 30, 5 | zag hij hem, en was over hem verheugd, en in zijn dood
172 30, 9 | verschrikken; speel met hem, en het zal u bedroeven.~
173 30, 10| 10 Lach niet met hem, opdat u geen smart overkome,
174 30, 11| 11 Geef hem geen macht in de jeugd,
175 30, 12| 12 Buig hem zijn hals in de jeugd, en
176 30, 13| zoon, en maak uw werk van hem, opdat gij u niet stoot
177 30, 19| riekt niet; zo gaat het hem die door de Here vervolgd
178 30, 22| vrolijk heid des mans verlengt hem zijn dagen.~
179 31, 9 | Wie is deze? en wij zullen hem zalig prijzen; want hij
180 31, 16| heenziet, en wrijf ze met hem niet in de schotel.~
181 31, 21| en zijn vernuft is bij hem.~
182 31, 35| het wijngelag, en veracht hem niet in zijn verheuging.~
183 31, 36| 36 En zeg hem geen verwijtend woord, en
184 31, 36| verwijtend woord, en verdruk hem niet, wanneer hij u ontmoet.~ ~
185 32, 14| 14 En dank hiervoor Hem die u gemaakt heeft, en
186 32, 15| aannemen, en die zich vroeg tot Hem maken, zullen vinden wat
187 32, 18| wil vindt hij uit hetgeen hem behaagt.~
188 32, 24| en wie zijn betrouwen op hem zet, die zal geen gebrek
189 33, 1 | 1 HEM die de Here vreest, zal
190 33, 1 | ontmoeten, maar hij zal hem in verzoeking ook weder
191 33, 3 | vertrouwt de wet, en de wet is hem getrouw.~
192 33, 6 | onder een ieder, die op hem zit.~
193 33, 12| heeft hij geheiligd, en tot hem doen naderen, enigen uit
194 33, 14| in de hand desgenen, die hem gemaakt heeft, dat hij hen
195 33, 25| 25 Doe hem werken door tuchtiging,
196 33, 25| hij zal rust zoeken; laat hem de handen ledig zijn, en
197 33, 27| 27 Drijf hem tot het i werk, opdat hij
198 33, 28| 28 Stel hem aan het werk, gelijk hem
199 33, 28| hem aan het werk, gelijk hem betaamt.~
200 33, 30| gelijk uw ziel, omdat gij hem door bloed verkregen hebt;
201 33, 30| huisknecht hebt, behandel hem gelijk een broeder, want
202 33, 30| gelijk uw ziel, gij zult hem behoeven.~
203 33, 31| 31 Indien gij hem onrechtvaardig zoudt mishandelen,
204 33, 31| zou lopen, waar zult gij hem zoeken?~ ~
205 34, 14| 14 Want hun hoop is op hem, die hen behouden heeft.~
206 34, 17| Heren zien op degenen die hem liefhebben; hij is hun een
207 34, 23| Hij doodt zijn naaste, die hem zijn leeftocht afneemt.~
208 35, 13| Here is een rechter, en bij hem is geen achting des aangezichts.~
209 35, 15| zij haar klaag rede tot hem uitstort.~
210 35, 16| en haar geschrei tegen hem, die ze heeft doen nederkomen?~
211 36, 22| veel ervaren heeft, zal hem vergelden.~
212 36, 26| hij een hulp heeft, die hem gelijk is, en een pilaar
213 37, 4 | van verdrukking zal hij hem tegen zijn.~
214 37, 6 | niet in uw hart, en stel hem niet in vergetelheid, wanneer
215 37, 7 | 7 Beraad u niet met hem die u overdwars aanziet,
216 37, 11| 11 Beraad u niet met hem, die u overdwars aanziet,
217 37, 14| hebt niemand getrouwer dan hem.~
218 37, 22| 22 Want hem is door de Here die genade
219 37, 25| met zegen, en allen die hem zien, zullen hem gelukzalig
220 37, 25| allen die hem zien, zullen hem gelukzalig prijzen.~
221 38, 1 | behoeften, met de eer die hem toekomt; want ook hem heeft
222 38, 1 | die hem toekomt; want ook hem heeft de Here geschapen.~
223 38, 8 | hebben geen einde, en van hem komt gezondheid op de aardbodem.~
224 38, 11| van meelbloem, en breng hem een vette offerande, als
225 38, 12| 12 Want de Here heeft hem geschapen, en laat hem niet
226 38, 12| heeft hem geschapen, en laat hem niet van u, want gij behoeft
227 38, 12| van u, want gij behoeft hem.~
228 38, 15| tegen degene zondigt, die hem gemaakt heeft, die zal in
229 38, 22| vandaar is geen wederkomst, en hem zult gij geen voordeel doen,
230 38, 24| rusten, en troost u over hem, wanneer zijn geest uitgegaan
231 38, 29| 29 Zo ook met hem die de zegelen uitsteekt,
232 39, 6 | te komen tot degene die hem gemaakt heeft, en tot de
233 39, 24| niets te wonderlijk voor hem.~
234 40, 3 | 3 Zo wel bij hem, die op de troon der heerlijkheid
235 40, 4 | 4 Zo wel bij hem, die een purperen kleed
236 41, 26| weg te nemen, en hetgeen hem gegeven is, en te letten
237 41, 28| der verwijting, en als gij hem wat gegeven hebt verwijt
238 41, 28| wat gegeven hebt verwijt hem dat niet.~
239 42, 25| 25 Geen gedachte gaat hem voorbij; daar is voor hem
240 42, 25| hem voorbij; daar is voor hem ook niet een woord verborgen.~
241 42, 29| in al hun gebruik en zijn hem alle gehoorzaam.~
242 43, 12| Zie de regenboog, en loof hem die hem gemaakt heeft, die
243 43, 12| regenboog, en loof hem die hem gemaakt heeft, die zeer
244 43, 13| des Allerhoogsten spannen hem uit.~
245 43, 28| 28 Door hem is zijn bode voorspoedig,
246 43, 30| 30 Willen wij hem verheerlijken, waar zullen
247 43, 32| Verheerlijkt de Here en verhoogt hem zoveel gij kunt; evenwel
248 43, 33| 33 Verhoogt hem en brengt hem veel sterkte
249 43, 33| 33 Verhoogt hem en brengt hem veel sterkte toe; doch vermoeit
250 43, 34| 34 Wie heeft hem gezien, en zal het vertellen?
251 43, 34| het vertellen? en wie zal hem groot maken gelijk hij is?~
252 44, 18| tijd des toorns geschiedde hem vergelding.~
253 44, 19| eeuwige verbonden werden met hem opgericht, opdat niet alle
254 44, 20| daar is niemand gevonden hem gelijk in zijn heerlijkheid,
255 44, 20| Allerhoogsten bewaard heeft, en met hem in een verbond geweest is.~
256 44, 22| 22 Daarom heeft hij hem met een eed beloofd, dat
257 44, 23| 23 En hem zou vermenigvuldigen gelijk
258 44, 25| gekend in zijn zegeningen, en hem een erfdeel gegeven, en
259 44, 26| 26 En heeft uit hem voortgebracht een man der
260 45, 2 | 2 Hij heeft hem der heiligen heerlijkheid
261 45, 2 | gelijk gemaakt, en heeft hem door de vrees der vijanden
262 45, 2 | doen ophouden; en heeft hem verheerlijkt voor het aangezicht
263 45, 3 | 3 Hij heeft hem bevel gegeven aan zijn volk,
264 45, 3 | aan zijn volk, en heeft hem zijn heerlijkheid getoond.~
265 45, 4 | zachtmoedigheid heeft hij hem geheiligd; hij heeft hem
266 45, 4 | hem geheiligd; hij heeft hem uit alle vlees uitverkoren.~
267 45, 5 | 5 Hij heeft hem zijn stem laten horen, en
268 45, 5 | stem laten horen, en heeft hem ingevoerd in het donker;~
269 45, 6 | 6 En heeft hem van aangezicht tot aangezicht
270 45, 7 | verhoogd, dat hij heilig en hem gelijk ware.~
271 45, 8 | 8 Hij heeft met hem een eeuwig verbond opgericht,
272 45, 8 | eeuwig verbond opgericht, en hem gegeven het priesterdom
273 45, 9 | 9 En heeft hem omgord met een kleed der
274 45, 9 | kleed der heerlijkheid, en hem aangetrokken een volkomen
275 45, 9 | aangetrokken een volkomen roem, en hem gesterkt met uitrusting
276 45, 11| 11 En heeft hem rondom behangen met granaatappelen,
277 45, 14| 14 Hij heeft hem versierd met een gouden
278 45, 15| 15 Vóór hem zijn dergelijke dingen niet
279 45, 16| alleen zijn zonen, en die uit hem geboren waren te allen tijde.~
280 45, 18| handen gevuld, en heeft hem met heilige olie gezalfd.~
281 45, 19| 19 Dit is hem geweest tot een eeuwig verbond,
282 45, 20| alle levenden heeft hij hem uitverkoren, om de Here
283 45, 21| 21 Hij heeft hem zijn bevelen gegeven, en
284 45, 22| 22 Vreemden zijn tegen hem opgestaan, en hebben hem
285 45, 22| hem opgestaan, en hebben hem benijd in de woestijn; mannen
286 45, 25| heerlijkheid vermeerderd, en hem een erfdeel gegeven, de
287 45, 25| eerstgeborenen heeft hij hem ten deel gegeven.~
288 45, 26| 26 Vooral heeft hij hem brood toebereid in verzadiging;
289 45, 26| slachtoffers des Heren, welke hij hem en zijn zaad gegeven heeft.~
290 45, 30| Daarom heeft de Here met hem en zijn volk opgericht een.
291 46, 6 | de grote Here verhoorde hem, en hielp door geweldige
292 46, 11| Here gaf Kaleb sterkte, die hem bijbleef tot in zijn ouderdom,
293 46, 18| Here, de machtige, aan, als hem zijn vijanden rondom drukten,
294 46, 21| en geen mens klaagde over hem.~
295 47, 6 | Allerhoogste Here aan, en die gaf hem in zijn rechterhand kracht
296 47, 7 | 7 Zodat het hem verheerlijkte onder tienduizenden,
297 47, 7 | tienduizenden, en prees hem met zegeningen des Heren,
298 47, 7 | zegeningen des Heren, als hem de kroon der heerlijk heid
299 47, 8 | de Filistijnen die tegen hem waren, tot op de huidige
300 47, 10| en had degene lief die hem gemaakt had.~
301 47, 13| in eeuwigheid; en heeft hem gegeven het verbond des
302 47, 14| 14 Na hem stond op zijn zoon zijnde
303 47, 14| zijnde een wijs man, en door hem heeft het volk in ruimte
304 47, 15| geworden, gelijk God rondom hem rust gegeven had, opdat
305 47, 24| nam het zaad desgenen, die hem had liefgehad, niet weg.~
306 47, 25| en David een wortel uit hem gesproten.~
307 48, 13| oversten, en niemand heeft hem met geweld onderdrukt.~
308 48, 14| 14 Geen ding ging hem te boven, en als hij ontslapen
309 48, 22| breidden hun handen tot hem uit.~
310 49, 9 | 9 Want zij hebben hem kwalijk behandeld, hoewel
311 49, 10| gezicht zag, hetwelk de Here hem toonde in de wagen der cherubim.~
312 50, 2 | 2 Onder hem is het fundament gelegd
313 50, 13| 13 Rondom hem was een omstaande menigte
314 50, 13| Libanon, en omsingelden hem gelijk scheuten van palmbomen;
315 51, 21| 21 Ik hem mijn oor een weinig geneigd,
316 51, 30| loon, en met deze zal ik hem prijzen.~
317 51, 37| Heren, en schaamt u niet hem te prijzen.~
|