Chapter, Verse
1 1, 29| mensen: en neem acht op uw lippen.~
2 1, 30| en schande brengt over uw ziel.~
3 1, 31| 31 Want de Here zal al uw verborgen dingen openbaren,
4 1, 32| waarheid zijt gekomen, en uw hart vol is van bedrog.~
5 2, 1 | Here te dienen, zo bereid uw ziel tot aanvechting.~
6 2, 2 | 2 Richt uw hart en verdraag, en haast
7 2, 3 | moogt vermeerderd worden in uw laatste dagen.~
8 2, 4 | en in de verandering van uw vernedering zijt lankmoedig.~
9 2, 6 | en hij zal u helpen, maak uw wegen recht, en hoop op
10 2, 7 | vreest, gelooft hem, en uw loon zal u geenszins ontvallen.~
11 3, 1 | MIJN kinderen hoort mij uw vader en doet alzo, opdat
12 3, 8 | 8 Eer uw vader en moeder met werken
13 3, 13| 13 Mijn kind, verzorg uw vader in zijn ouderdom,
14 3, 13| en bedroef hem niet in uw leven.~
15 3, 14| goede, en wacht u met al uw vermogen dat gij hem niet
16 3, 15| barmhartigheid, die gij uw vader bewijst, zal niet
17 3, 17| weder het ijs, zo zullen uw zonden versmelten.~
18 3, 19| 19 Mijn kind, voer uw werken uit met zachtmoedigheid,
19 4, 4 | niet die u smeekt, en keer uw aangezicht niet af van de
20 4, 5 | 5 Van de behoeftige keer uw ogen niet af, en geef niemand
21 4, 7 | vergadering, en verneder uw hoofd voor een machtige.~
22 4, 8 | 8 Neig uw oor tot de arme, zonder
23 4, 11| zal u meer beminnen dan uw moeder doet.~
24 4, 24| word niet beschaamd voor uw ziel.~
25 4, 26| de persoon niet aan tegen uw ziel, en word niet schaamrood
26 4, 26| word niet schaamrood in uw ongeval.~
27 4, 28| 28 En verberg uw wijsheid niet om aangenaam
28 4, 30| schaamrood over de leugen van uw ongeschiktheid.~
29 4, 31| 31 Schaam u niet uw zonden te belijden, en bedwing
30 4, 34| 34 Zijt niet stout met uw tong, en lui en slap in
31 4, 34| tong, en lui en slap in uw werken.~
32 4, 35| Zijt niet als een leeuw in uw huis, en onder uw huisknechten
33 4, 35| leeuw in uw huis, en onder uw huisknechten als een die
34 4, 36| 36 Laat uw hand niet uitgestrekt zijn
35 5, 1 | 1 HOUD u niet aan uw rijkdom, en zeg niet, hij
36 5, 2 | 2 Volg uw ziel niet, noch uw sterkte,
37 5, 2 | Volg uw ziel niet, noch uw sterkte, om te gaan in de
38 5, 3 | want de Here zal zeker uw moedwil wreken.~
39 5, 12| 12 Als gij in uw mening zeker zijt, zo blijf
40 5, 12| zo blijf vast daarbij, en uw woord zij enerlei.~
41 5, 14| verstand hebt, zo antwoord uw naasten; en indien niet,
42 5, 14| en indien niet, zo zij uw hand op uw mond.~
43 5, 14| niet, zo zij uw hand op uw mond.~
44 5, 16| oorblazer noemen, en leg met uw tong geen lagen.~
45 6, 2 | de raad uwer ziel, opdat uw ziel niet gelijk een stier
46 6, 3 | 3 Gij zult uw bladeren opeten, en uw vruchten
47 6, 3 | zult uw bladeren opeten, en uw vruchten verderven, en uzelf
48 6, 6 | maar een van duizenden die uw raadgever zij.~
49 6, 8 | u niet bij in de dag van uw verdrukking.~
50 6, 11| hij zijn als gij, en over uw huisknechten zal hij vrijmoedigheid
51 6, 12| u zijn, en zal zich van uw aangezicht verbergen.~
52 6, 13| 13 Scheid u af van uw vijanden, en wacht u voor
53 6, 13| vijanden, en wacht u voor uw vrienden.~
54 6, 18| verkies de onderwijzing van uw jeugd aan, en tot uw grijze
55 6, 18| van uw jeugd aan, en tot uw grijze haren toe zult gij
56 6, 25| 25 En steek uw voeten in haar boeien, en
57 6, 25| voeten in haar boeien, en uw hals in haar halsijzer.~
58 6, 26| 26 Leg uw schouder onder haar, en
59 6, 27| 27 Ga tot haar met geheel uw ziel, en bewaar haar wegen
60 6, 27| bewaar haar wegen met geheel uw kracht.~
61 6, 33| onderwezen worden, en indien gij uw ziel daartoe begeeft, zo
62 6, 34| verstand krijgen, en indien gij uw oor zult neigen, zo zult
63 6, 36| morgens vroeg tot hem, en uw voet betrede gestadig de
64 6, 37| zijn bevelen, zo zal hij uw hart versterken, en de begeerde
65 7, 6 | en een aanstoot legt in uw rechte handeling.~
66 7, 10| Wees niet kleinmoedig in uw gebed, en verzuim niet aalmoezen
67 7, 12| Ploeg geen leugen tegen uw broeder, en doe uw vriend
68 7, 12| tegen uw broeder, en doe uw vriend desgelijken niet.~
69 7, 14| der ouden, en wederhaal uw woord niet in uw gebed.~
70 7, 14| wederhaal uw woord niet in uw gebed.~
71 7, 17| 17 Verneder uw ziel zeer, want de wraak
72 7, 18| 18 Verwissel uw vriend niet om enig middelmatig
73 7, 21| 21 Laat uw ziel een verstandige huisknecht
74 7, 24| op haar lichaam en stel uw aangezicht niet blijde tegen
75 7, 25| 25 Geef uw dochter uit, en gij zult
76 7, 26| Hebt gij een vrouw naar uw hart, werp haar niet uit,
77 7, 27| 27 Eer uw vader van ganser harte,
78 7, 27| vergeet niet de smarten van uw moeder.~
79 7, 29| 29 Vrees de Here met uw gehele ziel, en houd zijn
80 7, 29| in waarde; heb uit geheel uw kracht lief degene die u
81 7, 34| 34 En steek uw hand uit tot de arme, opdat
82 7, 34| hand uit tot de arme, opdat uw zegen volkomen worde.~
83 7, 38| 38 In al uw doen gedenk aan uw uiterste,
84 7, 38| In al uw doen gedenk aan uw uiterste, en gij zult in
85 8, 5 | met een ongeschikte, opdat uw voorouders van hem niet
86 8, 8 | u niet over de dood van uw grootste vijand, gedenk
87 8, 14| tegen de smader, opdat hij uw mond niet bespiede.~
88 8, 16| 16 Word geen borg boven uw vermogen, en indien gij
89 8, 22| 22 Verklaar uw hart niet aan ieder mens,
90 9, 1 | jaloers op de vrouw van uw schoot, en leer haar tegen
91 9, 2 | 2 Geef uw ziel de vrouw niet, dat
92 9, 2 | vrouw niet, dat zij over uw ziel zou opklimmen.~
93 9, 6 | 6 Geef uw ziel de hoeren niet over,
94 9, 6 | hoeren niet over, opdat gij uw erfdeel niet verliest.~
95 9, 8 | 8 Wend uw oog af van een schone vrouw,
96 9, 11| dat niet te eniger tijd uw ziel tot haar neigt, en
97 9, 11| tot haar neigt, en gij met uw geest niet valt in het verderf.~
98 9, 17| opdat bij u niet terstond uw leven beneme.~
99 9, 19| 19 Merk op uw naaste, naar al uw vermogen,
100 9, 19| Merk op uw naaste, naar al uw vermogen, en beraad u met
101 9, 20| Laat rechtvaardige mannen uw tafelgenoten zijn, en laat
102 9, 20| tafelgenoten zijn, en laat uw roem zijn in de vreze des
103 10, 6 | 6 Vergram u niet op uw naaste over enig onrecht,
104 10, 29| niet wijs te zijn als gij uw werk doet, en poch niet
105 10, 31| 31 Mijn kind verheerlijk uw ziel door uw zachtmoedigheid,
106 10, 31| verheerlijk uw ziel door uw zachtmoedigheid, en geeft
107 11, 20| 20 Sta in uw verbond, en verkeer daarin,
108 11, 20| daarin, en word oud doende uw werk.~
109 11, 21| vertrouw de Here, en blijf in uw arbeid.~
110 11, 30| 30 Leid niet een ieder in uw huis, want de lagen van
111 11, 35| 35 Laat een vreemde in uw huis wonen, en hij zal u
112 12, 1 | doet, en gij zult dank voor uw weldaden hebben.~
113 12, 5 | goddeloze niet. Onthoud hem uw brood, en geef hem niet,
114 12, 9 | 9 Betrouw uw vijand in der eeuwigheid
115 12, 12| hebbende, zichzelf stelle op uw plaats, en zet hem niet
116 12, 12| plaats, en zet hem niet aan uw rechterzijde, dat hij niet
117 12, 12| niet te eniger tijd zoeke uw zitplaats in te nemen, en
118 12, 16| verzadigd kunnen worden van uw bloed.~
119 12, 17| die helpen wil, zal hij uw hiel doorklieven.~
120 13, 2 | 2 Neem in uw leven geen last op, die
121 13, 9 | niet verleid wordt door uw gedachten,~
122 13, 13| en al toelachende zal hij uw heimelijke zaken onderzoeken.~
123 13, 15| hoort, want gij wandelt met uw val.~
124 13, 16| hoort, zo waak zelfs in uw slaap.~
125 13, 17| 17 Hebt de Here lief al uw leven lang, en roep hem
126 13, 17| lang, en roep hem aan tot uw behoudenis.~
127 14, 13| 13 Doe uw vriend goed, eer gij sterft,
128 14, 13| gij sterft, en strek naar uw vermogen uw hand uit en
129 14, 13| en strek naar uw vermogen uw hand uit en geef hem.~
130 14, 15| 15 Zult gij niet uw arbeid een ander moeten
131 14, 15| ander moeten nalaten? en uw moeite tot verdeling des
132 14, 16| Geef en neem, en heilig uw ziel.~
133 15, 16| water voorgesteld; strek uw hand waar heen gij wilt.~
134 16, 24| leer wetenschap, en let met uw hart op mijn woorden.~
135 18, 21| bewijs in de tijd der zonden uw bekering.~
136 18, 22| 22 Laat u niet hinderen uw belofte te betalen ter bekwamer
137 18, 23| 23 Bereid uzelf eer gij uw gelofte doet, en wees niet
138 18, 30| 30 Ga uw lusten niet na, maar bedwing
139 18, 30| niet na, maar bedwing u van uw begeerten.~
140 18, 31| 31 Indien gij uw zielen toereikt de lust
141 18, 31| welbehagen, zo zult gij uw vijanden die u benijden
142 18, 33| een verspieder zijn van uw eigen leven, waar men van
143 19, 13| 13 Bestraf uw vriend, misschien heeft
144 19, 14| 14 Bestraf uw naaste, misschien heeft
145 19, 15| 15 Bestraf uw vriend, want dikwijls geschiedt
146 19, 16| 16 Laat uw hart niet elk woord geloven;
147 19, 17| 17 Bestraf uw naaste eer gij dreigt, en
148 22, 14| ongevoelig zijnde zal hij al uw dingen voor niets achten.~
149 22, 25| zwaard getrokken hebt tegen uw vriend, zo wanhoop niet,
150 22, 26| Indien gij de mond tegen uw vriend opengedaan hebt,
151 22, 27| 27 Bewijs trouw jegens uw naaste in zijn armoede;
152 23, 3 | worde, van welke de hoop van uw barmhartigheid verre is.~
153 23, 4 | stout gemoed altijd van uw knechten af.~
154 23, 5 | niet innemen, en geef mij, uw knecht, niet over aan een
155 23, 8 | 8 Gewen uw mond niet tot zweren, en
156 23, 15| 15 Gewen uw mond niet tot onmatig eedzweren,
157 23, 16| 16 Gedenk aan uw vader en moeder; want in
158 23, 17| wordt vergeten, en door uw gewone omgang verwelkt,
159 24, 9 | 9 In Jakob zult gij uw tent opslaan, en te Jeruzalem
160 25, 5 | 5 In uw jeugd hebt gij niet vergaderd,
161 25, 5 | zoudt gij wat vinden in uw ouderdom?~
162 25, 31| 31 Gaat zij niet naar uw hand, zo snijd haar af van
163 25, 31| hand, zo snijd haar af van uw vlees, geef een scheidbrief
164 26, 20| bewaar de beste kracht van uw leven in gezond heid, en
165 26, 20| heid, en geef de vreemde uw sterkte niet.~
166 26, 21| uitgezocht hebben, zo zaai uw eigen zaad, vertrouwende
167 26, 21| eigen zaad, vertrouwende op uw edel geslacht.~
168 26, 22| 22 Zo zullen uw vruchten overblijvende,
169 27, 17| 17 Heb uw vriend hartelijk lief en
170 27, 20| alsof gij een vogel uit uw hand losgelaten hadt, zo
171 27, 20| losgelaten hadt, zo hebt gij uw naaste verlaten, en zult
172 27, 24| 24 Voor uw ogen zal zijn mond zoet
173 27, 24| spreken, en hij zal zich over uw woorden verwonderen, maar
174 27, 24| spreken, en maken dat in uw woorden aanstoot is.~
175 28, 2 | 2 Vergeef uw naaste het onrecht dat hij
176 28, 2 | gebeden hebben, zullen u uw zonden vergeven worden.~
177 28, 6 | 6 Gedenk aan uw uiterste, en houd op vijandschap
178 28, 7 | Pleeg geen vijandschap tegen uw naaste tot zijn verderf
179 28, 13| uitgaan; en dit komt beide uit uw mond.~
180 28, 28| met doornen, en maak voor uw mond deuren en grendelen.~
181 28, 29| 29 Bind uw goud en uw zilver tezamen,
182 28, 29| 29 Bind uw goud en uw zilver tezamen, en maak
183 28, 29| zilver tezamen, en maak voor uw woorden een weegschaal,
184 28, 29| een weegschaal, en voor uw mond een deur en grendel.~
185 29, 2 | 2 Leen uw naaste in de tijd zijner
186 29, 2 | behoefte, en wederom, geef het uw naaste weder te zijner tijd.~
187 29, 3 | 3 Bevestig uw woord en zijt hem getrouw
188 29, 3 | zult hem te allen tijde uw behoefte vinden.~
189 29, 11| en stel hem niet uit met uw aalmoes.~
190 29, 13| 13 Verlies uw geld om uws vriends en broeders
191 29, 14| 14 Leg uw schat naar de geboden des
192 29, 15| 15 Sluit uw aalmoes in uw schatkamers,
193 29, 15| 15 Sluit uw aalmoes in uw schatkamers, en ze zal u
194 29, 16| dan een harde spies, tegen uw vijand voor u strijden.~
195 29, 24| Neem u des naasten aan naar uw vermogen, en heb acht op
196 29, 27| niet hoort het verwijt van uw huis.~
197 30, 9 | 9 Streel uw kind, en het zal u verschrikken;
198 30, 10| overkome, en gij ten laatste op uw tanden bijt.~
199 30, 12| zijnde, u ongehoorzaam, en uw ziel een smart zij.~
200 30, 13| 13 Onderwijs uw zoon, en maak uw werk van
201 30, 13| Onderwijs uw zoon, en maak uw werk van hem, opdat gij
202 30, 21| 21 Begeef uw ziel niet tot droefheid,
203 30, 21| en kwel uzelf niet door uw eigen raad.~
204 30, 23| 23 Heb uw ziel lief, en troost uw
205 30, 23| uw ziel lief, en troost uw hart, en stel droefheid
206 31, 12| grote tafel zit, zo doe uw keel over deze niet wijd
207 31, 16| 16 Steek uw hand niet uit daar hij heenziet,
208 31, 17| Meet bij uzelf af hetgeen uw naaste behaagt, en let op
209 31, 20| onder velen aanzit, steek uw hand niet eerder uit dan
210 31, 25| 25 Zijt in al uw werken wakker, en geen krankheid
211 31, 35| 35 Bestraf uw naaste niet in het wijngelag,
212 32, 5 | men toeluistert, giet daar uw rede niet uit, en zijt niet
213 32, 9 | 9 Maak uw rede kort, zeg met weinig
214 32, 22| aanstoot is, en wacht u voor uw kinderen.~
215 33, 18| gemeente regeert, laat het tot uw oren ingaan.~
216 33, 19| 19 Geef uw zoon een vrouw, broeder
217 33, 19| lang gij leeft, en geef uw goederen aan geen ander,
218 33, 22| 22 Maak, dat gij in al uw werken anderen te boven
219 33, 22| hang geen schandvlek aan uw eer.~
220 33, 23| 23 Verdeel uw erfgoed in de dag van de
221 33, 23| voleinding der dagen van uw leven, en in de tijd uws
222 33, 30| huisknecht, dat hij u zij gelijk uw ziel, omdat gij hem door
223 33, 30| broeder, want hij is gelijk uw ziel, gij zult hem behoeven.~
224 34, 5 | zijn ijdele dingen, waarvan uw hart inbeeldingen krijgt,
225 34, 6 | om u te bezoeken, zo geef uw hart daartoe niet.~
226 35, 9 | vrolijk aangezicht in al uw gaven, en heilig uw tiende
227 35, 9 | in al uw gaven, en heilig uw tiende met verheuging.~
228 35, 10| met een goed oog hetgeen uw hand gevonden heeft.~
229 35, 12| 12 Besnoei uw gave niet, want hij zou
230 36, 2 | 2 En zend uw vrees over al de volken
231 36, 3 | 3 Verhef uw hand over de vreemde volken,
232 36, 3 | vreemde volken, laat hun uw vermogen zien.~
233 36, 6 | 6 Vernieuw uw tekenen, en verander uw
234 36, 6 | uw tekenen, en verander uw wonderen.~
235 36, 7 | 7 Verheerlijk uw hand en rechterarm, opdat
236 36, 7 | en rechterarm, opdat zij uw wonderen mogen vertellen.~
237 36, 8 | 8 Verwek uw gramschap, en giet uw toorn
238 36, 8 | Verwek uw gramschap, en giet uw toorn uit.~
239 36, 10| gedenk aan de toorn, en laat uw wonderen verteld worden.~
240 36, 11| toorn verslonden, en die uw volk kwellen, laat die het
241 36, 14| 14 Ontferm u over uw volk, Here, dat naar uw
242 36, 14| uw volk, Here, dat naar uw naam genoemd is; en over
243 36, 14| en over Israël, dat gij uw eerstgeborene genoemd hebt.~
244 36, 15| Bewijs barmhartigheid aan uw heilige stad Jeruzalem,
245 36, 16| 16 Vervul Sion om uw woorden te verheffen, en
246 36, 16| woorden te verheffen, en uw volk met uw heerlijkheid.~
247 36, 16| verheffen, en uw volk met uw heerlijkheid.~
248 36, 17| degenen die van den beginne af uw bezittingen zijn, en verwek
249 36, 17| zijn, en verwek profeten in uw naam.~
250 36, 18| verwachten, en maak dat uw profeten geloofd worden.~
251 36, 19| de zegen van Aäron over uw volk, en allen die op aarde
252 37, 6 | 6 Vergeet uw vriend niet in uw hart,
253 37, 6 | Vergeet uw vriend niet in uw hart, en stel hem niet in
254 37, 7 | overdwars aanziet, en verberg uw raad voor degenen die u
255 37, 9 | 9 Bewaar uw ziel voor de raadgever,
256 37, 10| 10 En zegge tot u: Uw weg is goed, en stelle zich
257 37, 11| overdwars aanziet, en verberg uw raadslag voor degenen, die
258 37, 13| deze niet in een van al uw beraadslagingen, maar houdt
259 37, 16| Allerhoogste, opdat de waarheid uw weg recht make.~
260 37, 28| 28 Mijn kind beproef uw ziel terwijl gij leeft,
261 38, 1 | 1 EER de geneesheer tot uw behoeften, met de eer die
262 38, 9 | 9 Mijn kind, in uw krankheid verzuim het niet,
263 38, 10| de hand recht, en reinig uw hart van alle zonde.~
264 38, 21| 21 Begeef uw hart niet tot droefheid,
265 38, 21| u, gedachtig zijnde aan uw einde;~
266 39, 19| met citers; en zegt zo in uw dankzegging:~
267 39, 40| 40 En nu, lofzingt met uw ganse hart en mond, en looft
268 41, 3 | 3 O dood, uw oordeel is aangenaam voor
269 41, 5 | want dit is het oordeel aan uw vlees door de Here opgelegd.~
270 41, 25| degene, die u groet vanwege uw stilzwijgen; vanwege het
271 41, 25| lichte vrouw; en dat gij uw aangezicht afwendt van een
272 41, 28| 28 Schaamt u ook voor uw vriend vanwege woorden der
273 42, 3 | Noch om te horen spreken uw metgezel, en die met u over
274 42, 14| niet misschien make dat uw vijanden over u vrolijk
275 45, 32| geve ulieden wijsheid in uw hart om te richten zijn
276 47, 17| 17 Uw ziel heeft de ganse aarde
277 47, 18| 18 Uw naam is verre tot in de
278 47, 18| gij zijt bemind geweest in uw vrede.~
279 47, 19| landschappen waren verwonderd over uw gezangen, en spreuken, en
280 47, 20| het zilver; maar gij hebt uw hart geneigd tot de vrouwen;~
281 47, 21| 21 En zijt met uw lichaam in haar macht gekomen.~
282 47, 22| 22 Zo hebt gij uw heerlijkheid een schandvlek
283 47, 22| schandvlek aangehangen, en uw zaad ontheiligd, en over
284 47, 22| zaad ontheiligd, en over uw kinderen toorn gebracht,
285 47, 22| gekweld geworden vanwege uw dwaasheid, als de heerschappij
286 48, 3 | verheerlijkt geworden Elia, door uw wonderdaden!~
287 50, 5 | gij zijt verheerlijkt door uw verkeer met het volk, en
288 51, 2 | 2 Ik belijd uw naam, dat gij mij een beschermer
289 51, 4 | menigte der barmhartigheid van uw naam, uit de tanden die
290 51, 10| 10 Toen gedacht ik aan uw barmhartigheid, Here, en
291 51, 10| barmhartigheid, Here, en aan uw werken van alle tijden.~
292 51, 14| 14 Ik zal uw naam prijzen zonder ophouden,
293 51, 16| en zal u prijzen, en zal uw naam danken.~
294 51, 32| zegt gij hiertoe? zo toch uw zielen zeer dorsten.~
295 51, 34| 34 Legt uw hals onder het juk, en uw
296 51, 34| uw hals onder het juk, en uw ziel neme onderwijzing aan,
297 51, 35| 35 Ziet met uw ogen dat ik weinig moeite
298 51, 37| 37 Uw ziel verheuge zich over
299 51, 38| 38 Werkt uw werk voor de tijd, en hij
|