Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
ulieden 2
ure 1
uur 2
uw 299
uwe 1
uwer 11
uws 7
Frequency    [«  »]
473 hij
415 zal
317 hem
299 uw
280 heeft
274 gij
270 der

Het boek Ecclesiasticus

IntraText - Concordances

uw

    Chapter, Verse
1 1, 29| mensen: en neem acht op uw lippen.~ 2 1, 30| en schande brengt over uw ziel.~ 3 1, 31| 31 Want de Here zal al uw verborgen dingen openbaren, 4 1, 32| waarheid zijt gekomen, en uw hart vol is van bedrog.~ 5 2, 1 | Here te dienen, zo bereid uw ziel tot aanvechting.~ 6 2, 2 | 2 Richt uw hart en verdraag, en haast 7 2, 3 | moogt vermeerderd worden in uw laatste dagen.~ 8 2, 4 | en in de verandering van uw vernedering zijt lankmoedig.~ 9 2, 6 | en hij zal u helpen, maak uw wegen recht, en hoop op 10 2, 7 | vreest, gelooft hem, en uw loon zal u geenszins ontvallen.~ 11 3, 1 | MIJN kinderen hoort mij uw vader en doet alzo, opdat 12 3, 8 | 8 Eer uw vader en moeder met werken 13 3, 13| 13 Mijn kind, verzorg uw vader in zijn ouderdom, 14 3, 13| en bedroef hem niet in uw leven.~ 15 3, 14| goede, en wacht u met al uw vermogen dat gij hem niet 16 3, 15| barmhartigheid, die gij uw vader bewijst, zal niet 17 3, 17| weder het ijs, zo zullen uw zonden versmelten.~ 18 3, 19| 19 Mijn kind, voer uw werken uit met zachtmoedigheid, 19 4, 4 | niet die u smeekt, en keer uw aangezicht niet af van de 20 4, 5 | 5 Van de behoeftige keer uw ogen niet af, en geef niemand 21 4, 7 | vergadering, en verneder uw hoofd voor een machtige.~ 22 4, 8 | 8 Neig uw oor tot de arme, zonder 23 4, 11| zal u meer beminnen dan uw moeder doet.~ 24 4, 24| word niet beschaamd voor uw ziel.~ 25 4, 26| de persoon niet aan tegen uw ziel, en word niet schaamrood 26 4, 26| word niet schaamrood in uw ongeval.~ 27 4, 28| 28 En verberg uw wijsheid niet om aangenaam 28 4, 30| schaamrood over de leugen van uw ongeschiktheid.~ 29 4, 31| 31 Schaam u niet uw zonden te belijden, en bedwing 30 4, 34| 34 Zijt niet stout met uw tong, en lui en slap in 31 4, 34| tong, en lui en slap in uw werken.~ 32 4, 35| Zijt niet als een leeuw in uw huis, en onder uw huisknechten 33 4, 35| leeuw in uw huis, en onder uw huisknechten als een die 34 4, 36| 36 Laat uw hand niet uitgestrekt zijn 35 5, 1 | 1 HOUD u niet aan uw rijkdom, en zeg niet, hij 36 5, 2 | 2 Volg uw ziel niet, noch uw sterkte, 37 5, 2 | Volg uw ziel niet, noch uw sterkte, om te gaan in de 38 5, 3 | want de Here zal zeker uw moedwil wreken.~ 39 5, 12| 12 Als gij in uw mening zeker zijt, zo blijf 40 5, 12| zo blijf vast daarbij, en uw woord zij enerlei.~ 41 5, 14| verstand hebt, zo antwoord uw naasten; en indien niet, 42 5, 14| en indien niet, zo zij uw hand op uw mond.~ 43 5, 14| niet, zo zij uw hand op uw mond.~ 44 5, 16| oorblazer noemen, en leg met uw tong geen lagen.~ 45 6, 2 | de raad uwer ziel, opdat uw ziel niet gelijk een stier 46 6, 3 | 3 Gij zult uw bladeren opeten, en uw vruchten 47 6, 3 | zult uw bladeren opeten, en uw vruchten verderven, en uzelf 48 6, 6 | maar een van duizenden die uw raadgever zij.~ 49 6, 8 | u niet bij in de dag van uw verdrukking.~ 50 6, 11| hij zijn als gij, en over uw huisknechten zal hij vrijmoedigheid 51 6, 12| u zijn, en zal zich van uw aangezicht verbergen.~ 52 6, 13| 13 Scheid u af van uw vijanden, en wacht u voor 53 6, 13| vijanden, en wacht u voor uw vrienden.~ 54 6, 18| verkies de onderwijzing van uw jeugd aan, en tot uw grijze 55 6, 18| van uw jeugd aan, en tot uw grijze haren toe zult gij 56 6, 25| 25 En steek uw voeten in haar boeien, en 57 6, 25| voeten in haar boeien, en uw hals in haar halsijzer.~ 58 6, 26| 26 Leg uw schouder onder haar, en 59 6, 27| 27 Ga tot haar met geheel uw ziel, en bewaar haar wegen 60 6, 27| bewaar haar wegen met geheel uw kracht.~ 61 6, 33| onderwezen worden, en indien gij uw ziel daartoe begeeft, zo 62 6, 34| verstand krijgen, en indien gij uw oor zult neigen, zo zult 63 6, 36| morgens vroeg tot hem, en uw voet betrede gestadig de 64 6, 37| zijn bevelen, zo zal hij uw hart versterken, en de begeerde 65 7, 6 | en een aanstoot legt in uw rechte handeling.~ 66 7, 10| Wees niet kleinmoedig in uw gebed, en verzuim niet aalmoezen 67 7, 12| Ploeg geen leugen tegen uw broeder, en doe uw vriend 68 7, 12| tegen uw broeder, en doe uw vriend desgelijken niet.~ 69 7, 14| der ouden, en wederhaal uw woord niet in uw gebed.~ 70 7, 14| wederhaal uw woord niet in uw gebed.~ 71 7, 17| 17 Verneder uw ziel zeer, want de wraak 72 7, 18| 18 Verwissel uw vriend niet om enig middelmatig 73 7, 21| 21 Laat uw ziel een verstandige huisknecht 74 7, 24| op haar lichaam en stel uw aangezicht niet blijde tegen 75 7, 25| 25 Geef uw dochter uit, en gij zult 76 7, 26| Hebt gij een vrouw naar uw hart, werp haar niet uit, 77 7, 27| 27 Eer uw vader van ganser harte, 78 7, 27| vergeet niet de smarten van uw moeder.~ 79 7, 29| 29 Vrees de Here met uw gehele ziel, en houd zijn 80 7, 29| in waarde; heb uit geheel uw kracht lief degene die u 81 7, 34| 34 En steek uw hand uit tot de arme, opdat 82 7, 34| hand uit tot de arme, opdat uw zegen volkomen worde.~ 83 7, 38| 38 In al uw doen gedenk aan uw uiterste, 84 7, 38| In al uw doen gedenk aan uw uiterste, en gij zult in 85 8, 5 | met een ongeschikte, opdat uw voorouders van hem niet 86 8, 8 | u niet over de dood van uw grootste vijand, gedenk 87 8, 14| tegen de smader, opdat hij uw mond niet bespiede.~ 88 8, 16| 16 Word geen borg boven uw vermogen, en indien gij 89 8, 22| 22 Verklaar uw hart niet aan ieder mens, 90 9, 1 | jaloers op de vrouw van uw schoot, en leer haar tegen 91 9, 2 | 2 Geef uw ziel de vrouw niet, dat 92 9, 2 | vrouw niet, dat zij over uw ziel zou opklimmen.~ 93 9, 6 | 6 Geef uw ziel de hoeren niet over, 94 9, 6 | hoeren niet over, opdat gij uw erfdeel niet verliest.~ 95 9, 8 | 8 Wend uw oog af van een schone vrouw, 96 9, 11| dat niet te eniger tijd uw ziel tot haar neigt, en 97 9, 11| tot haar neigt, en gij met uw geest niet valt in het verderf.~ 98 9, 17| opdat bij u niet terstond uw leven beneme.~ 99 9, 19| 19 Merk op uw naaste, naar al uw vermogen, 100 9, 19| Merk op uw naaste, naar al uw vermogen, en beraad u met 101 9, 20| Laat rechtvaardige mannen uw tafelgenoten zijn, en laat 102 9, 20| tafelgenoten zijn, en laat uw roem zijn in de vreze des 103 10, 6 | 6 Vergram u niet op uw naaste over enig onrecht, 104 10, 29| niet wijs te zijn als gij uw werk doet, en poch niet 105 10, 31| 31 Mijn kind verheerlijk uw ziel door uw zachtmoedigheid, 106 10, 31| verheerlijk uw ziel door uw zachtmoedigheid, en geeft 107 11, 20| 20 Sta in uw verbond, en verkeer daarin, 108 11, 20| daarin, en word oud doende uw werk.~ 109 11, 21| vertrouw de Here, en blijf in uw arbeid.~ 110 11, 30| 30 Leid niet een ieder in uw huis, want de lagen van 111 11, 35| 35 Laat een vreemde in uw huis wonen, en hij zal u 112 12, 1 | doet, en gij zult dank voor uw weldaden hebben.~ 113 12, 5 | goddeloze niet. Onthoud hem uw brood, en geef hem niet, 114 12, 9 | 9 Betrouw uw vijand in der eeuwigheid 115 12, 12| hebbende, zichzelf stelle op uw plaats, en zet hem niet 116 12, 12| plaats, en zet hem niet aan uw rechterzijde, dat hij niet 117 12, 12| niet te eniger tijd zoeke uw zitplaats in te nemen, en 118 12, 16| verzadigd kunnen worden van uw bloed.~ 119 12, 17| die helpen wil, zal hij uw hiel doorklieven.~ 120 13, 2 | 2 Neem in uw leven geen last op, die 121 13, 9 | niet verleid wordt door uw gedachten,~ 122 13, 13| en al toelachende zal hij uw heimelijke zaken onderzoeken.~ 123 13, 15| hoort, want gij wandelt met uw val.~ 124 13, 16| hoort, zo waak zelfs in uw slaap.~ 125 13, 17| 17 Hebt de Here lief al uw leven lang, en roep hem 126 13, 17| lang, en roep hem aan tot uw behoudenis.~ 127 14, 13| 13 Doe uw vriend goed, eer gij sterft, 128 14, 13| gij sterft, en strek naar uw vermogen uw hand uit en 129 14, 13| en strek naar uw vermogen uw hand uit en geef hem.~ 130 14, 15| 15 Zult gij niet uw arbeid een ander moeten 131 14, 15| ander moeten nalaten? en uw moeite tot verdeling des 132 14, 16| Geef en neem, en heilig uw ziel.~ 133 15, 16| water voorgesteld; strek uw hand waar heen gij wilt.~ 134 16, 24| leer wetenschap, en let met uw hart op mijn woorden.~ 135 18, 21| bewijs in de tijd der zonden uw bekering.~ 136 18, 22| 22 Laat u niet hinderen uw belofte te betalen ter bekwamer 137 18, 23| 23 Bereid uzelf eer gij uw gelofte doet, en wees niet 138 18, 30| 30 Ga uw lusten niet na, maar bedwing 139 18, 30| niet na, maar bedwing u van uw begeerten.~ 140 18, 31| 31 Indien gij uw zielen toereikt de lust 141 18, 31| welbehagen, zo zult gij uw vijanden die u benijden 142 18, 33| een verspieder zijn van uw eigen leven, waar men van 143 19, 13| 13 Bestraf uw vriend, misschien heeft 144 19, 14| 14 Bestraf uw naaste, misschien heeft 145 19, 15| 15 Bestraf uw vriend, want dikwijls geschiedt 146 19, 16| 16 Laat uw hart niet elk woord geloven; 147 19, 17| 17 Bestraf uw naaste eer gij dreigt, en 148 22, 14| ongevoelig zijnde zal hij al uw dingen voor niets achten.~ 149 22, 25| zwaard getrokken hebt tegen uw vriend, zo wanhoop niet, 150 22, 26| Indien gij de mond tegen uw vriend opengedaan hebt, 151 22, 27| 27 Bewijs trouw jegens uw naaste in zijn armoede; 152 23, 3 | worde, van welke de hoop van uw barmhartigheid verre is.~ 153 23, 4 | stout gemoed altijd van uw knechten af.~ 154 23, 5 | niet innemen, en geef mij, uw knecht, niet over aan een 155 23, 8 | 8 Gewen uw mond niet tot zweren, en 156 23, 15| 15 Gewen uw mond niet tot onmatig eedzweren, 157 23, 16| 16 Gedenk aan uw vader en moeder; want in 158 23, 17| wordt vergeten, en door uw gewone omgang verwelkt, 159 24, 9 | 9 In Jakob zult gij uw tent opslaan, en te Jeruzalem 160 25, 5 | 5 In uw jeugd hebt gij niet vergaderd, 161 25, 5 | zoudt gij wat vinden in uw ouderdom?~ 162 25, 31| 31 Gaat zij niet naar uw hand, zo snijd haar af van 163 25, 31| hand, zo snijd haar af van uw vlees, geef een scheidbrief 164 26, 20| bewaar de beste kracht van uw leven in gezond heid, en 165 26, 20| heid, en geef de vreemde uw sterkte niet.~ 166 26, 21| uitgezocht hebben, zo zaai uw eigen zaad, vertrouwende 167 26, 21| eigen zaad, vertrouwende op uw edel geslacht.~ 168 26, 22| 22 Zo zullen uw vruchten overblijvende, 169 27, 17| 17 Heb uw vriend hartelijk lief en 170 27, 20| alsof gij een vogel uit uw hand losgelaten hadt, zo 171 27, 20| losgelaten hadt, zo hebt gij uw naaste verlaten, en zult 172 27, 24| 24 Voor uw ogen zal zijn mond zoet 173 27, 24| spreken, en hij zal zich over uw woorden verwonderen, maar 174 27, 24| spreken, en maken dat in uw woorden aanstoot is.~ 175 28, 2 | 2 Vergeef uw naaste het onrecht dat hij 176 28, 2 | gebeden hebben, zullen u uw zonden vergeven worden.~ 177 28, 6 | 6 Gedenk aan uw uiterste, en houd op vijandschap 178 28, 7 | Pleeg geen vijandschap tegen uw naaste tot zijn verderf 179 28, 13| uitgaan; en dit komt beide uit uw mond.~ 180 28, 28| met doornen, en maak voor uw mond deuren en grendelen.~ 181 28, 29| 29 Bind uw goud en uw zilver tezamen, 182 28, 29| 29 Bind uw goud en uw zilver tezamen, en maak 183 28, 29| zilver tezamen, en maak voor uw woorden een weegschaal, 184 28, 29| een weegschaal, en voor uw mond een deur en grendel.~ 185 29, 2 | 2 Leen uw naaste in de tijd zijner 186 29, 2 | behoefte, en wederom, geef het uw naaste weder te zijner tijd.~ 187 29, 3 | 3 Bevestig uw woord en zijt hem getrouw 188 29, 3 | zult hem te allen tijde uw behoefte vinden.~ 189 29, 11| en stel hem niet uit met uw aalmoes.~ 190 29, 13| 13 Verlies uw geld om uws vriends en broeders 191 29, 14| 14 Leg uw schat naar de geboden des 192 29, 15| 15 Sluit uw aalmoes in uw schatkamers, 193 29, 15| 15 Sluit uw aalmoes in uw schatkamers, en ze zal u 194 29, 16| dan een harde spies, tegen uw vijand voor u strijden.~ 195 29, 24| Neem u des naasten aan naar uw vermogen, en heb acht op 196 29, 27| niet hoort het verwijt van uw huis.~ 197 30, 9 | 9 Streel uw kind, en het zal u verschrikken; 198 30, 10| overkome, en gij ten laatste op uw tanden bijt.~ 199 30, 12| zijnde, u ongehoorzaam, en uw ziel een smart zij.~ 200 30, 13| 13 Onderwijs uw zoon, en maak uw werk van 201 30, 13| Onderwijs uw zoon, en maak uw werk van hem, opdat gij 202 30, 21| 21 Begeef uw ziel niet tot droefheid, 203 30, 21| en kwel uzelf niet door uw eigen raad.~ 204 30, 23| 23 Heb uw ziel lief, en troost uw 205 30, 23| uw ziel lief, en troost uw hart, en stel droefheid 206 31, 12| grote tafel zit, zo doe uw keel over deze niet wijd 207 31, 16| 16 Steek uw hand niet uit daar hij heenziet, 208 31, 17| Meet bij uzelf af hetgeen uw naaste behaagt, en let op 209 31, 20| onder velen aanzit, steek uw hand niet eerder uit dan 210 31, 25| 25 Zijt in al uw werken wakker, en geen krankheid 211 31, 35| 35 Bestraf uw naaste niet in het wijngelag, 212 32, 5 | men toeluistert, giet daar uw rede niet uit, en zijt niet 213 32, 9 | 9 Maak uw rede kort, zeg met weinig 214 32, 22| aanstoot is, en wacht u voor uw kinderen.~ 215 33, 18| gemeente regeert, laat het tot uw oren ingaan.~ 216 33, 19| 19 Geef uw zoon een vrouw, broeder 217 33, 19| lang gij leeft, en geef uw goederen aan geen ander, 218 33, 22| 22 Maak, dat gij in al uw werken anderen te boven 219 33, 22| hang geen schandvlek aan uw eer.~ 220 33, 23| 23 Verdeel uw erfgoed in de dag van de 221 33, 23| voleinding der dagen van uw leven, en in de tijd uws 222 33, 30| huisknecht, dat hij u zij gelijk uw ziel, omdat gij hem door 223 33, 30| broeder, want hij is gelijk uw ziel, gij zult hem behoeven.~ 224 34, 5 | zijn ijdele dingen, waarvan uw hart inbeeldingen krijgt, 225 34, 6 | om u te bezoeken, zo geef uw hart daartoe niet.~ 226 35, 9 | vrolijk aangezicht in al uw gaven, en heilig uw tiende 227 35, 9 | in al uw gaven, en heilig uw tiende met verheuging.~ 228 35, 10| met een goed oog hetgeen uw hand gevonden heeft.~ 229 35, 12| 12 Besnoei uw gave niet, want hij zou 230 36, 2 | 2 En zend uw vrees over al de volken 231 36, 3 | 3 Verhef uw hand over de vreemde volken, 232 36, 3 | vreemde volken, laat hun uw vermogen zien.~ 233 36, 6 | 6 Vernieuw uw tekenen, en verander uw 234 36, 6 | uw tekenen, en verander uw wonderen.~ 235 36, 7 | 7 Verheerlijk uw hand en rechterarm, opdat 236 36, 7 | en rechterarm, opdat zij uw wonderen mogen vertellen.~ 237 36, 8 | 8 Verwek uw gramschap, en giet uw toorn 238 36, 8 | Verwek uw gramschap, en giet uw toorn uit.~ 239 36, 10| gedenk aan de toorn, en laat uw wonderen verteld worden.~ 240 36, 11| toorn verslonden, en die uw volk kwellen, laat die het 241 36, 14| 14 Ontferm u over uw volk, Here, dat naar uw 242 36, 14| uw volk, Here, dat naar uw naam genoemd is; en over 243 36, 14| en over Israël, dat gij uw eerstgeborene genoemd hebt.~ 244 36, 15| Bewijs barmhartigheid aan uw heilige stad Jeruzalem, 245 36, 16| 16 Vervul Sion om uw woorden te verheffen, en 246 36, 16| woorden te verheffen, en uw volk met uw heerlijkheid.~ 247 36, 16| verheffen, en uw volk met uw heerlijkheid.~ 248 36, 17| degenen die van den beginne af uw bezittingen zijn, en verwek 249 36, 17| zijn, en verwek profeten in uw naam.~ 250 36, 18| verwachten, en maak dat uw profeten geloofd worden.~ 251 36, 19| de zegen van Aäron over uw volk, en allen die op aarde 252 37, 6 | 6 Vergeet uw vriend niet in uw hart, 253 37, 6 | Vergeet uw vriend niet in uw hart, en stel hem niet in 254 37, 7 | overdwars aanziet, en verberg uw raad voor degenen die u 255 37, 9 | 9 Bewaar uw ziel voor de raadgever, 256 37, 10| 10 En zegge tot u: Uw weg is goed, en stelle zich 257 37, 11| overdwars aanziet, en verberg uw raadslag voor degenen, die 258 37, 13| deze niet in een van al uw beraadslagingen, maar houdt 259 37, 16| Allerhoogste, opdat de waarheid uw weg recht make.~ 260 37, 28| 28 Mijn kind beproef uw ziel terwijl gij leeft, 261 38, 1 | 1 EER de geneesheer tot uw behoeften, met de eer die 262 38, 9 | 9 Mijn kind, in uw krankheid verzuim het niet, 263 38, 10| de hand recht, en reinig uw hart van alle zonde.~ 264 38, 21| 21 Begeef uw hart niet tot droefheid, 265 38, 21| u, gedachtig zijnde aan uw einde;~ 266 39, 19| met citers; en zegt zo in uw dankzegging:~ 267 39, 40| 40 En nu, lofzingt met uw ganse hart en mond, en looft 268 41, 3 | 3 O dood, uw oordeel is aangenaam voor 269 41, 5 | want dit is het oordeel aan uw vlees door de Here opgelegd.~ 270 41, 25| degene, die u groet vanwege uw stilzwijgen; vanwege het 271 41, 25| lichte vrouw; en dat gij uw aangezicht afwendt van een 272 41, 28| 28 Schaamt u ook voor uw vriend vanwege woorden der 273 42, 3 | Noch om te horen spreken uw metgezel, en die met u over 274 42, 14| niet misschien make dat uw vijanden over u vrolijk 275 45, 32| geve ulieden wijsheid in uw hart om te richten zijn 276 47, 17| 17 Uw ziel heeft de ganse aarde 277 47, 18| 18 Uw naam is verre tot in de 278 47, 18| gij zijt bemind geweest in uw vrede.~ 279 47, 19| landschappen waren verwonderd over uw gezangen, en spreuken, en 280 47, 20| het zilver; maar gij hebt uw hart geneigd tot de vrouwen;~ 281 47, 21| 21 En zijt met uw lichaam in haar macht gekomen.~ 282 47, 22| 22 Zo hebt gij uw heerlijkheid een schandvlek 283 47, 22| schandvlek aangehangen, en uw zaad ontheiligd, en over 284 47, 22| zaad ontheiligd, en over uw kinderen toorn gebracht, 285 47, 22| gekweld geworden vanwege uw dwaasheid, als de heerschappij 286 48, 3 | verheerlijkt geworden Elia, door uw wonderdaden!~ 287 50, 5 | gij zijt verheerlijkt door uw verkeer met het volk, en 288 51, 2 | 2 Ik belijd uw naam, dat gij mij een beschermer 289 51, 4 | menigte der barmhartigheid van uw naam, uit de tanden die 290 51, 10| 10 Toen gedacht ik aan uw barmhartigheid, Here, en 291 51, 10| barmhartigheid, Here, en aan uw werken van alle tijden.~ 292 51, 14| 14 Ik zal uw naam prijzen zonder ophouden, 293 51, 16| en zal u prijzen, en zal uw naam danken.~ 294 51, 32| zegt gij hiertoe? zo toch uw zielen zeer dorsten.~ 295 51, 34| 34 Legt uw hals onder het juk, en uw 296 51, 34| uw hals onder het juk, en uw ziel neme onderwijzing aan, 297 51, 35| 35 Ziet met uw ogen dat ik weinig moeite 298 51, 37| 37 Uw ziel verheuge zich over 299 51, 38| 38 Werkt uw werk voor de tijd, en hij


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License