Chapter, Verse
1 1, 1 | de Here, en is met hem in der eeuwigheid.~
2 1, 2 | 2 Wie zal het zand der zee en de droppelen van
3 1, 2 | van de regen en de dagen der eeuwen tellen?~
4 1, 3 | des hemels, en de breedte der aarde, en de afgrond, en
5 1, 4 | geschapen, en het verstand der kloekheid is van de eeuwen
6 1, 5 | plaatsen woont, is de fontein der wijsheid, en haar wegen
7 1, 6 | 6 Wie is de wortel der wijsheid ontdekt geweest?
8 1, 10| vrolijkheid, en een kroon der verheuging.~
9 1, 13| 13 Het begin der wijsheid is de Here vrezen,
10 1, 15| 15 De verzadiging der wijsheid is de Here vrezen,
11 1, 18| 18 De kroon der wijsheid is de Here vrezen,
12 1, 19| verhoogt de heerlijkheid der genen, die haar vasthouden.~
13 1, 20| 20 De wortel der wijsheid is de Here vrezen,
14 1, 25| 25 In de schatten der wijsheid zijn gelijkenissen
15 1, 25| wijsheid zijn gelijkenissen der wetenschap, maar de godsdienstigheid
16 1, 29| geveinsden niet met monden der mensen: en neem acht op
17 1, 31| openbaren, en u in het midden der vergadering ter nederwerpen.~
18 2, 5 | aangename mensen in de oven der vernedering.~
19 2, 13| zonden, en behoedt in de tijd der verdrukking.~
20 2, 22| vallen, en niet in de handen der mensen.~
21 3, 2 | en bevestigt het oordeel der moeder boven de zonen.~
22 3, 10| vaders onderstut de huizen der kinderen, maar de vervloeking
23 3, 10| kinderen, maar de vervloeking der moeder ontwortelt de fundamenten.~
24 3, 16| 16 En in plaats der zonden zult gij daartegen
25 3, 17| 17 In de dag der verdrukking zal aan u gedacht
26 3, 25| aangewezen, dan het verstand der mensen begrijpen kan.~
27 3, 29| ontworteld worden, want een plant der boosheid is in hem ingeworteld.~
28 4, 27| niet in de geschikte tijd der behouding;~
29 4, 29| onderwijzing in de woorden der tong.~
30 5, 9 | vermorzeld worden, en in de tijd der wraak verderven.~
31 6, 22| hem gelijk een harde steen der beproeving, en hij zal niet
32 6, 32| uzelf opzetten als een kroon der vrolijkheid.~
33 6, 35| Houd u onder de menigte der ouden, en is er iemand wijs,
34 7, 3 | zoon, zaai niet in de voren der ongerechtigheid, zo zult
35 7, 7 | Zondig niet tegen de menigte der stad, en begeef uzelf niet
36 7, 13| leugen, want gedurig plegen der zelve komt niet ten goede.~
37 7, 14| niet veel in de menigte der ouden, en wederhaal uw woord
38 7, 16| uzelf niet onder de menigte der zondaren; gedenk dat de
39 7, 33| 33 En de gaven der schouderen, en de offerande
40 7, 33| schouderen, en de offerande der heiliging, en de eerstelingen
41 7, 33| heiliging, en de eerstelingen der heilige dingen.~
42 7, 38| uiterste, en gij zult in der eeuwigheid niet zondigen.~ ~
43 8, 3 | verdorven, en heeft de harten der koningen gebogen.~
44 8, 11| niet af van de onderwijzing der ouden, want zij hebben ook
45 9, 7 | Zie niet om in de straten der stad, en dwaal niet om in
46 9, 9 | Want door de schoonheid der vrouw zijn velen verleid
47 9, 18| Weet, dat gij in het midden der strikken doorgaat, en op
48 9, 18| doorgaat, en op de tinnen der stad wandelt.~
49 9, 21| 21 Door de hand der kunstenaren zal een werk
50 10, 2 | en gelijk de voorganger der stad is, zo zijn allen die
51 10, 3 | een stad zal door verstand der machtigen bewoond worden.~
52 10, 7 | beide is hatelijk de misdaad der ongerechtigheid.~
53 10, 13| 13 Het beginsel der hovaardigheid is, wanneer
54 10, 14| hovaardigheid is een beginsel der zonde, en die daarbij blijft,
55 10, 16| De Here heeft de tronen der regeerders ternedergedrukt,
56 10, 17| De Here rukt de wortelen der hovaardige volken uit, en
57 10, 18| 18 De landen der volken keert de Here om,
58 10, 18| verderft ze tot op de grond der aarde.~
59 10, 23| 23 In het midden der broeders is degene geëerd,
60 10, 24| hovaardigheid is een wegwerping der heer schappij.~
61 11, 1 | verheffen, en hem in het midden der groten zetten.~
62 11, 3 | vrucht is het voornaamste der zoetigheden.~
63 11, 4 | gij aandoet, en in de dag der heerlijkheid verhef u niet,
64 11, 8 | gehoord hebt, en in het midden der woorden spreek niet tussenbeide.~
65 11, 9 | niet bij in het gericht der zondaren.~
66 11, 15| en wetenschap, en kennis der wet is van de Here; liefde
67 11, 15| de Here; liefde en wegen der goede werken zijn van hem.~
68 11, 17| welbehagen maakt voorspoedig in der eeuwigheid.~
69 12, 6 | hij tot de krachtige dag der wraak. Geef degene die vroom
70 12, 9 | 9 Betrouw uw vijand in der eeuwigheid niet.~
71 13, 12| opdat gij niet zonder kennis der zaak verstoten wordt, en
72 13, 22| 22 Gelijk de wilde ezels der leeuwen jacht zijn in de
73 13, 22| woestijn, zo zijn de armen der rijken weide.~
74 13, 23| Gelijk de nederigheid is der hovaardigen gruwel, zo is
75 13, 31| wel gesteld is, en vinding der gelijkenissen in overlegging
76 14, 1 | doorprikkeld wordt met de menigte der zonden.~
77 14, 14| goede dag, en laat het deel der goede begeerte u niet voorbijgaan.~
78 15, 1 | zulks doen en die de kennis der wet verkregen heeft zal
79 15, 3 | verstands, en met water der wijsheid zal zij hem drenken.~
80 15, 5 | en zij zal in het midden der vergadering zijn mond openen.~
81 15, 6 | vrolijkheid en een kroon der verheuging vinden, en zij
82 16, 5 | worden; maar het geslacht der goddelozen zal haastig woest
83 16, 7 | 7 In de vergadering der zondaren zal een vuur aangestoken
84 16, 19| bergen en de fundamenten der aarde worden tegelijk geschud
85 17, 14| 14 Want in de verdeling der volken van het ganse aardrijk
86 17, 14| deelt hem mede het licht der liefde, en begeeft hem niet.~
87 17, 20| duisternis in een verlichting der gezondheid.~
88 17, 22| prijzen in het graf, in plaats der levenden, en dergenen die
89 18, 8 | 8 Het getal der dagen des mensen aangaande
90 18, 9 | duizend jaren tegen de dagen der eeuwigheid.~
91 18, 20| verzoening vinden in de ure der bezoeking.~
92 18, 21| wordt, en bewijs in de tijd der zonden uw bekering.~
93 18, 24| de dood, en aan de tijd der wraak, als de Here zijn
94 18, 25| des hongers, in de tijd der volheid, aan armoede en
95 18, 26| vreest altijd, en in de dagen der zonden wacht hij zichzelf
96 19, 18| des Heren is een beginsel der aanneming, en de wijsheid
97 19, 18| verkrijgt liefde; kennis der geboden des Heren is onderwijzing
98 19, 18| behagelijk is, zullen de boom der onsterfelijkheid tot vrucht
99 19, 19| wijsheid is de onderhouding der wet, en kennis zijner almogendheid.
100 19, 20| 20 De wetenschap der boosheid is geen wijsheid,
101 19, 20| geen kloekheid waar de raad der zondaren is.~
102 19, 28| des mans, en het lachen der tanden, en de gang der mensen,
103 19, 28| lachen der tanden, en de gang der mensen, verkondigen wat
104 20, 12| maken, maar de aangenaamheid der dwazen zal uitgestort worden.~
105 20, 18| een tong; zo zal de val der kwade mensen haastig komen.~
106 20, 19| ontijdige klucht, in de mond der ongeschikten zal hij gedurig
107 20, 24| een mens, en in de mond der ongeschikten is zij gedurig.~
108 20, 29| geschenken verblinden de ogen der wijzen, en gelijk een toom
109 21, 3 | leeuwentanden, en doden de zielen der mensen.~
110 21, 5 | rijkdom; zo zal het huis der hovaardigen verwoest worden.~
111 21, 10| 10 De vergadering der goddelozen is gelijk werk
112 21, 11| uiterste daarvan is de gracht der hel.~
113 21, 13| des Heren is de aanneming der wijsheid.~
114 21, 28| 28 De lippen der veelsprekers verhalen dingen
115 21, 28| aangaan, maar de woorden der voorzichtigen zijn op de
116 21, 29| 29 Het hart der dwazen is in hun mond, maar
117 21, 29| in hun mond, maar de mond der wijzen is in hun hart.~
118 22, 28| 28 In de tijd der verdrukking blijf bij hem,
119 23, 2 | gedachte, en een onderrichting der wijsheid in mijn hart? opdat
120 23, 2 | verschoont, en de moedwil der openbare zondaren niet voorbijgaat;~
121 23, 4 | geef mij geen verheffing der ogen, en wend een stout
122 23, 15| eedzweren, want daarin is schuld der zonde.~
123 23, 16| moeder; want in het midden der groten zult gij bijzitten.~
124 23, 24| niet gedenken, en de ogen der mensen zijn alleen zijn
125 23, 26| Welke zien op alle wegen der mensen, en merken op de
126 23, 28| 28 Deze zal op de straten der stad gewroken worden, en
127 24, 5 | omgegaan, en heb in de diepte der afgronden gewandeld.~
128 24, 6 | 6 In de baren der zee, en op de ganse aarde,
129 24, 19| bloemen zijn een vrucht der heerlijkheid en des rijkdoms.~
130 24, 20| 20 Ik ben een moeder der schone liefde, en der vrees,
131 24, 20| moeder der schone liefde, en der vrees, en der kennis, en
132 24, 20| liefde, en der vrees, en der kennis, en der heilige hoop;~
133 24, 20| vrees, en der kennis, en der heilige hoop;~
134 24, 27| gelijk de Tigris in de dagen der nieuwe vruchten.~
135 24, 29| 29 Die de leer der kennis doet uitschijnen
136 25, 2 | 2 Door eendracht der broederen en vriendschap
137 25, 8 | ervarenheid is een kroon der ouden, en hun roem is de
138 25, 12| en ze verhaalt in de oren der toehoorders.~
139 25, 18| wraak, doch niet de wraak der vijanden.~
140 25, 19| geen hoofd boven het hoofd der slang, en daar is geen gramschap
141 25, 29| Van de vrouw is het begin der zonde, en om harentwil sterven
142 26, 10| bekend aan de verheffingen der ogen en aan haar wenkbrauwen.~
143 26, 14| 14 De bevalligheid der vrouw vermaakt haar man,
144 26, 29| als bekwaam tot afwering der vijanden; en een ieders
145 27, 2 | een nagel tussen de voegen der stenen vastgestoken wordt,
146 27, 6 | zo doet ook de uitspraak der gedachten blijken wat in
147 27, 13| 13 Het verhaal der zotten is verdriet, en hun
148 27, 13| lachen bestaat in dartelheid der zonde.~
149 27, 15| 15 De twist der hovaardigen brengt bloedvergieting,
150 27, 30| zich verheugen in de val der godvrezenden zullen in een
151 28, 16| steden vernield, en huizen der groten omgekeerd.~
152 28, 19| maakt striemen, maar de slag der tong vermorzelt het gebeente.~
153 29, 21| bewogen gelijk een golf der zee.~
154 30, 2 | worden, en in het midden der vermaarde lieden zal hij
155 30, 3 | verwekken en in tegenwoordigheid der vrienden zal hij over hem
156 31, 29| ook de wijn in het hart der hovaardigen als zij dronken
157 31, 32| des harten en verheuging der ziel, ter rechter tijd,
158 31, 33| gedronken veroorzaakt bitterheid der ziel door twist en ongeval.~
159 32, 6 | 6 De samenstemming der muzikanten in een wijngelag
160 32, 7 | 7 Het gezang der muzikanten bij zoete wijn,
161 32, 23| dat is een onderhouding der geboden.~
162 33, 7 | dag, zo toch al het licht der dagen in het jaar van de
163 33, 9 | sommige gesteld tot het getal der gemene dagen.~
164 33, 23| de dag van de voleinding der dagen van uw leven, en in
165 34, 19| bespottelijk, en de gaven der goddelozen behagen God niet.~
166 34, 20| welbehagen aan de offeran den der goddelozen, en wordt over
167 34, 20| over de zonde door menigte der slachtoffers niet verzoend.~
168 34, 21| slachtoffer toebrengt van het geld der armen.~
169 34, 22| 22 Het brood der behoeftigen is het leven
170 34, 22| behoeftigen is het leven der armen, wie hen daarvan berooft,
171 35, 15| 15 Hij zal het smeken der wezen niet verachten, noch
172 35, 16| 16 Vlieten niet de tranen der weduwe af op de wang? en
173 35, 19| totdat hij de lendenen der onbarmhartigen verbroken
174 35, 20| vergelden, totdat hij de menigte der smaders zal weggenomen,
175 35, 20| weggenomen, en de scepters der onrecht vaardigen verbroken
176 35, 21| handelingen, en de werken der mensen naar hun gedachten.~
177 35, 23| barmhartigheid in de tijd der verdrukking; zij is gelijk
178 35, 23| gelijk de wolken in de tijd der droogte.~ ~
179 36, 12| hoofden van de oversten der volken, die zeggen: Daar
180 36, 19| bekennen dat gij een Here der eeuwen zijt.~
181 36, 24| 24 De schoonheid der vrouw verblijdt het aangezicht,
182 37, 18| teken van de verandering der vreugde.~
183 37, 26| een man heeft een getal der dagen, maar de dagen van
184 38, 18| waardigheid, een dag of twee, om der lastering wil, en troost
185 38, 39| 39 Op de stoel der rechters zitten zij niet,
186 38, 40| zij bevestigen het bezit der wereld, en hun wens is dat
187 39, 2 | 2 De vertelling der vermaarde manen onthoudt
188 39, 3 | spreekwoorden, en in raadselen der spreuken oefent hij zich.~
189 39, 19| al zijn werken met gezang der lippen, en met citers; en
190 39, 21| van zijn mond de boezem der wateren.~
191 39, 34| 34 De tanden der wilde dieren, en de schorpioenen,
192 40, 3 | bij hem, die op de troon der heerlijkheid zit, als bij
193 40, 6 | slaapt hij gelijk in de dagen der schildwacht.~
194 40, 9 | invoering van de honger, en der verplettering, en van de
195 40, 12| 12 De goederen der onrechtvaardigen zullen
196 40, 14| 14 De nakomelingen der goddelozen zullen niet vele
197 40, 18| 18 Kinderen, en opbouw der stad onderstutten de naam.~
198 40, 23| hulp zijn goed in de tijd der verdrukking, maar een aalmoes
199 41, 8 | 8 Der zondaren kinderen worden
200 41, 8 | die in de gebuurschappen der goddelozen te zamen verkeren.~
201 41, 9 | erfdeel van de kinderen der zondaars vergaat, en bij
202 41, 14| lichamen, doch de boze naam der mensen zal uitgewist worden.~
203 41, 16| leven heeft een. zeker getal der dagen, maar een goede naam
204 41, 22| volk, vanwege overtreding der wet.~
205 41, 28| uw vriend vanwege woorden der verwijting, en als gij hem
206 42, 15| en zit niet in het midden der vrouwen.~
207 42, 16| van de vrouw de boosheid der vrouw.~
208 42, 23| wetenschap, en ziet op de tekenen der eeuw.~
209 42, 24| hij ontdekt de voetstappen der verborgen dingen.~
210 42, 26| is vóór de wereld en in der eeuwigheid.~
211 42, 29| dingen leven en blijven in der eeuwigheid in al hun gebruik
212 43, 1 | zuivere firmament is een roem der hoogte; de gedaante des
213 43, 4 | een oven aan tot werken der hitte, maar de zon verhit
214 43, 6 | tijd, tot een aanwijzing der tijden, en tot een teken
215 43, 6 | tijden, en tot een teken der eeuw.~
216 43, 21| zijnde wordt gelijk de punten der palen.~
217 43, 27| gedierten en onderscheid der walvissen.~
218 44, 5 | raadslagen, en in het verstand der beschreven wetten van het
219 44, 11| 11 Doch dezen zijn mannen der barmhartigheid, welker gerechtigheden
220 44, 14| 14 Tot in der eeuwigheid blijft hun zaad,
221 44, 17| het geslacht een voorbeeld der boetvaardigheid te zijn.~
222 44, 20| een grootvader van menigte der volken, en daar is niemand
223 44, 23| vermenigvuldigen gelijk het stof der aarde; en dat zij een erfdeel
224 44, 23| rivier tot aan het uiterste der aarde.~
225 44, 26| hem voortgebracht een man der barmhartigheid, die gunst
226 45, 2 | 2 Hij heeft hem der heiligen heerlijkheid gelijk
227 45, 2 | heeft hem door de vrees der vijanden groot gemaakt;
228 45, 2 | verheerlijkt voor het aangezicht der koningen.~
229 45, 6 | gegeven, de wet des levens en der wetenschap; deze heeft Jakob
230 45, 9 | hem omgord met een kleed der heerlijkheid, en hem aangetrokken
231 45, 9 | gesterkt met uitrusting der sterkte;~
232 45, 12| gericht, openbare tekenen der waarheid;~
233 45, 13| gegraveerd was het getal der kinderen Israëls.~
234 45, 14| hoed, een uitgedrukt zegel der heiligheid, een heerlijke
235 45, 14| machtige werken, verlustigingen der ogen, schone versieringen.~
236 45, 21| macht in de inzet tingen der rechten, om Jakob zijn getuigenissen
237 45, 25| gegeven, de eerstelingen der eerstgeborenen heeft hij
238 45, 30| zou zijn een voorstander der heilige dingen, en dat hij
239 45, 30| priesterdoms zou hebben in der eeuwigheid.~
240 46, 20| En verdelgde de vorsten der Tyriërs, en alle oversten
241 46, 20| Tyriërs, en alle oversten der Filistijnen.~
242 47, 7 | Heren, als hem de kroon der heerlijk heid gebracht werd.~
243 47, 13| koninkrijks, en de troon der heerlijkheid in Israël.~
244 47, 15| een heiligdom bereiden in der eeuwigheid.~
245 47, 20| de naam des Heren, de God der ganse aarde, die bij genaamd
246 47, 27| zondigende, en gaf Efraïm een weg der zonde, en hun zonden vermenigvuldigden
247 48, 7 | en op Horeb de oordelen der wraak.~
248 48, 24| 24 Hij sloeg het leger der Assyriërs, en zijn engel
249 49, 3 | heeft weggenomen de gruwelen der ongerechtigheid.~
250 49, 4 | tot de Here; in de dagen der onrecht vaardigen versterkte
251 49, 10| Here hem toonde in de wagen der cherubim.~
252 49, 12| 12 Ook de gedachtenis der twaalf profeten zij in zegening.~
253 50, 6 | morgenster in het midden der wolken, gelijk de maan als
254 50, 7 | Allerhoogsten; gelijk de bloem der rozen in de tijd der nieuwe
255 50, 7 | bloem der rozen in de tijd der nieuwe bloemen; gelijk als
256 50, 10| wolken; als hij het kleed der heerlijkheid nam, en als
257 50, 12| En als hij de gedeelten der offeranden uit de hand der
258 50, 12| der offeranden uit de hand der priesters ontving, zo stond
259 50, 13| handen, in tegenwoordigheid der ganse gemeente van Israël;~
260 50, 21| op over de ganse gemeente der kinderen Israëls, om hun
261 50, 24| gelijk het in de dagen der vorige eeuw geweest is;
262 50, 26| Samaria, en lieden die in der Filistijnen land wonen,
263 50, 27| onderwijzing van het verstand en der wetenschap; welke de wijsheid
264 50, 30| Geprezen zij de Here in der eeuwigheid. Dat geschiede,
265 51, 3 | 3 En van de strik der lasterende tong; van de
266 51, 4 | verlost naar de menigte der barmhartigheid van uw naam,
267 51, 9 | ik zag om naar bijstand der mensen, en daar was geen.~
268 51, 11| hen verlost uit de hand der vijanden.~
269 51, 13| wilde verlaten in de dag der verdrukking, ten tijde als
270 51, 31| en overnacht in het huis der onderwijzing.~
|