Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
twist 8
twistig 1
tyriërs 1
u 252
uit 104
uitblaast 1
uitdrogen 4
Frequency    [«  »]
280 heeft
274 gij
270 der
252 u
226 te
217 des
215 met

Het boek Ecclesiasticus

IntraText - Concordances

u

    Chapter, Verse
1 1, 26| geboden, en de Here zal u deze verlenen,~ 2 1, 31| verborgen dingen openbaren, en u in het midden der vergadering 3 2, 2 | in de tijd, als deze over u gebracht wordt.~ 4 2, 4 | 4 Neem gaarne aan al wat u zou mogen overkomen, en 5 2, 6 | 6 Geloof hem en hij zal u helpen, maak uw wegen recht, 6 2, 7 | gelooft hem, en uw loon zal u geenszins ontvallen.~ 7 2, 17| 17 Wat zult gij doen, als u de Here bezoeken zal?~ 8 3, 9 | zegening van mensen over u kome.~ 9 3, 11| want de oneer des vaders is u geen eer.~ 10 3, 14| dat ten goede, en wacht u met al uw vermogen dat gij 11 3, 17| der verdrukking zal aan u gedacht worden, gelijk schoon 12 3, 23| 23 Dingen die u te zwaar zijn, onderzoek 13 3, 23| ze niet onbedacht, en die u te sterk zijn ondertast 14 3, 23| niet uit dwaasheid. Wat u bevolen is, overleg dat 15 3, 24| 24 Want het is u niet van node, verborgen 16 3, 25| overvloedigheid uwer woorden, want u zijn meer dingen aangewezen, 17 3, 26| gebrek hebben, en als het u aan kennis ontbreekt, zo 18 4, 4 | Weiger de verdrukte niet die u smeekt, en keer uw aangezicht 19 4, 5 | en geef niemand oorzaak u te vervloeken.~ 20 4, 6 | 6 Want als iemand u vervloekt in bitterheid 21 4, 7 | 7 Maak u zelf lieftallig in de vergadering, 22 4, 11| Allerhoogsten, en hij zal u meer beminnen dan uw moeder 23 4, 23| des tijds waar, en wacht u van het boze.~ 24 4, 31| 31 Schaam u niet uw zonden te belijden, 25 4, 33| en God de Here zal voor u strijden.~ 26 5, 1 | 1 HOUD u niet aan uw rijkdom, en 27 5, 4 | Here is lankmoedig, hij zal u niet laten heengaan.~ 28 5, 8 | 8 Verbeid niet u tot de Here te bekeren, 29 5, 10| onrechtvaardige rijkdom, want hij zal u geen voordeel doen in de 30 5, 10| dag, wanneer ongeluk over u zal gebracht worden.~ 31 5, 16| 16 Laat u geen oorblazer noemen, en 32 6, 2 | 2 Verhef u niet in de raad uwer ziel, 33 6, 6 | 6 Maak dat velen met u in vrede leven, doch heb 34 6, 8 | gelegene tijd, en blijft u niet bij in de dag van uw 35 6, 9 | wordt in een vijand, en die u in het openbaar met verwijt 36 6, 10| tafelgenoot te zijn, en blijft u niet bij in de dag uwer 37 6, 11| 11 Als het u wel gaat zal hij zijn als 38 6, 12| wordt, zo zal hij tegen u zijn, en zal zich van uw 39 6, 13| 13 Scheid u af van uw vijanden, en wacht 40 6, 13| van uw vijanden, en wacht u voor uw vrienden.~ 41 6, 28| en zoek haar, en zij zal u bekend worden, en als gij 42 6, 28| zijt, zo laat haar niet van u.~ 43 6, 29| rust vinden, en zij zal u tot verheuging strekken;~ 44 6, 30| 30 En haar boeien zullen u zijn tot een sterke bescherming, 45 6, 35| 35 Houd u onder de menigte der ouden, 46 6, 35| verklaring horen, en laat u de spreuken van het verstand 47 6, 36| verstandig man ziet, zo maak u des morgens vroeg tot hem, 48 6, 37| Heren volkomen, en oefen u altijd in zijn bevelen, 49 6, 37| de begeerde wijsheid zal u gegeven worden.~ ~ 50 7, 1 | 1 DOE geen kwaad, en u zal geen kwaad bevangen.~ 51 7, 2 | ongerechtige, en de zonde zal van u wijken.~ 52 7, 5 | 5 Rechtvaardig u niet voor de Here, en houd 53 7, 5 | niet voor de Here, en houd u niet voor wijs bij de koning.~ 54 7, 19| 19 Het ontbreke u niet aan een wijze en goede 55 7, 20| huurling die zijn ziel aan u overgeeft.~ 56 7, 22| opzicht daarop, en zo het u nut is, laat het bij u blijven.~ 57 7, 22| het u nut is, laat het bij u blijven.~ 58 7, 26| werp haar niet uit, en geef u zelf aan een gehate niet 59 7, 28| gelijkheid van hetgeen zij u gegeven hebben?~ 60 7, 29| uw kracht lief degene die u gemaakt heeft, en verlaat 61 7, 31| geef hem zijn deel, gelijk u bevolen is,~ 62 7, 36| 36 Onttrek u niet van de wenende, en 63 8, 2 | een rijk mens, opdat hij u misschien niet overmag.~ 64 8, 8 | 8 Verblijd u niet over de dood van uw 65 8, 18| met een stoute, opdat hij u niet bezware, want hij zal 66 8, 19| geen hulp is, daar zal hij u ter neder werpen.~ 67 8, 20| 20 Beraad u niet met een dwaas, want 68 8, 22| aan ieder mens, en laat u geen valse dank vergelden.~ ~ 69 9, 9 | vuur aangestoken, en leg u niet neder met haar in de 70 9, 17| tot hem komt zo vergrijp u niet, opdat bij u niet terstond 71 9, 17| vergrijp u niet, opdat bij u niet terstond uw leven beneme.~ 72 9, 19| al uw vermogen, en beraad u met de wijzen; spreek met 73 10, 6 | 6 Vergram u niet op uw naaste over enig 74 11, 4 | der heerlijkheid verhef u niet, want wonderlijk zijn 75 11, 9 | Twist niet om een zaak die u niet aangaat; en zit niet 76 11, 10| 10 Mijn kind, bemoei u niet met vele dingen, want 77 11, 21| 21 Verwonder u niet in de werken des zondaars, 78 11, 32| uitgelezen dingen zal hij u een schandvlek opleggen.~ 79 11, 34| 34 Wacht u voor een boosdoener, want 80 11, 34| smeedt boze dingen; dat hij u niet te eniger tijd een 81 11, 35| uw huis wonen, en hij zal u door onrust verstoren, en 82 11, 35| onrust verstoren, en zal u van enige uwer eigen goederen 83 12, 4 | die God vreest, en neem u de zondaar niet aan.~ 84 12, 5 | geef hem niet, opdat hij u daardoor niet overweldige, 85 12, 5 | overweldige, want dubbel kwaad zal u overkomen voor al het goede, 86 12, 6 | degene die vroom is, en neem u de zondaar niet aan.~ 87 12, 11| bedwing uzelf, en wacht u van hem, en gij zult hem 88 12, 12| 12 Stel hem niet nevens u, opdat hij niet te eniger 89 12, 12| hij niet te eniger tijd u omgekeerd hebbende, zichzelf 90 12, 14| 14 Hij zal een uur bij u blijven in een gerechte 91 12, 15| zal hij beraadslagen om u in een gracht te werpen.~ 92 12, 17| 17 Indien u iets kwaads zou ontmoeten, 93 13, 2 | leven geen last op, die u te zwaar is, en heb geen 94 13, 5 | bevorderlijk zijn, zal hij u te werk stel len, maar indien 95 13, 5 | gij verachtert, zal hij u onderdrukken.~ 96 13, 6 | zult hebben, zo zal hij met u leven, en zal u uitledigen, 97 13, 6 | hij met u leven, en zal u uitledigen, en zelf zal 98 13, 7 | 7 Heeft hij u nodig, zo zal hij u bedriegen, 99 13, 7 | hij u nodig, zo zal hij u bedriegen, en aanlokken, 100 13, 7 | bedriegen, en aanlokken, en zal u hoop geven; hij zal schoon 101 13, 7 | geven; hij zal schoon met u spreken, en zeggen: Wat 102 13, 8 | 8 Hij zal u met zijn spijs beschaamd 103 13, 8 | beschaamd maken, totdat hij u uitledige tot twee of driemaal 104 13, 8 | en op het laatste zal hij u bespotten, en daarin zal 105 13, 8 | bespotten, en daarin zal hij u aanzien, en u verlaten, 106 13, 8 | daarin zal hij u aanzien, en u verlaten, en zal zijn hoofd 107 13, 8 | en zal zijn hoofd tegen u schudden.~ 108 13, 9 | 9 Wacht u dat gij niet verleid wordt 109 13, 11| 11 Als u een machtig heer tot zich 110 13, 11| tot zich nodigt, zo maak u ter zijde, en hij zal u 111 13, 11| u ter zijde, en hij zal u zo veel te meer en te vaker 112 13, 13| veel te spreken zal hij u verzoeken, en al toelachende 113 13, 14| geenszins plagen en banden aan u sparen.~ 114 14, 12| het verbond des grafs is u niet getoond.~ 115 14, 14| deel der goede begeerte u niet voorbijgaan.~ 116 15, 16| 16 Hij heeft u vuur en water voorgesteld; 117 16, 1 | van kinderen, en verheug u niet over goddeloze zonen; 118 16, 1 | vermenigvuldigen verheug u over hen niet, zo de vreze 119 17, 12| 12 Wacht u van alle ongerechtigheid, 120 17, 19| 19 Bekeer u dan tot de Here, en verlaat 121 17, 20| de Allerhoogste, en keer u af van ongerechtigheid, 122 17, 20| ongerechtigheid, want hij zal u geleiden uit de duisternis 123 18, 15| 15 Mijn kind, wanneer het u wèl gaat, zo geef geen oorzaak 124 18, 21| 21 Verneder u door matigheid, eer gij 125 18, 22| 22 Laat u niet hinderen uw belofte 126 18, 30| lusten niet na, maar bedwing u van uw begeerten.~ 127 18, 31| zult gij uw vijanden die u benijden een vreugde maken.~ 128 18, 32| 32 Verheug u niet in de veelheid uwer 129 19, 7 | rede nimmermeer, en het zal u niet wezen tot vermindering.~ 130 19, 8 | van anderen, en indien het u geen zonde is, zo openbaar 131 19, 9 | 9 Want hij heeft u gehoord en u waargenomen, 132 19, 9 | Want hij heeft u gehoord en u waargenomen, en ter gelegener 133 19, 9 | ter gelegener tijd zal hij u haten.~ 134 19, 10| wat gehoord, laat het bij u sterven, en zijt welgemoed, 135 19, 10| welgemoed, want het zal u niet doen barsten.~ 136 19, 19| tot zijn heer: Gelijk het u behaagt zal ik niet doen, 137 19, 25| niet gewaar wordt, zal hij u voorkomen om kwaad te doen.~ 138 20, 9 | Daar is menige gave die u niet bevorderlijk zal zijn, 139 20, 13| gave van een onwijze zal u, die ze ontvangen hebt niet 140 20, 15| 15 Heden zal hij u lenen, en morgen wedereisen; 141 21, 2 | tot haar naakt, zo zal zij u steken.~ 142 22, 15| 15 Hoed u voor hem, opdat gij geen 143 22, 27| zijn armoede; opdat gij u verheugen moogt als het 144 23, 5 | begeerte, en behoud hem die u altijd wil dienen; laat 145 23, 8 | niet tot zweren, en gewen u niet de heilige te noemen.~ 146 24, 22| mij begeert, en verzadigt u van mijn gewas.~ 147 24, 26| sterk in de Here, opdat hij u krachtig make; kleeft hem 148 25, 25| 25 Geef u niet over aan de schoonheid 149 26, 12| onbeschaamd oog, en verwonder u niet, indien zij verkeerd 150 26, 12| indien zij verkeerd tegen u zou handelen.~ 151 27, 12| de tijd waar, maar houd u steeds onder de bedachtzamen.~ 152 27, 21| niet, want hij is verre van u weg, en is het ontvloden 153 28, 2 | naaste het onrecht dat hij u gedaan heeft, en wanneer 154 28, 2 | zult gebeden hebben, zullen u uw zonden vergeven worden.~ 155 28, 9 | 9 Onthoud u van strijd, en gij zult 156 28, 30| tegenwoordigheid desgenen, die op u loert.~ ~ 157 29, 12| 12 Neem u de arme aan vanwege het 158 29, 12| vanwege het gebod, en keer u niet af van zijn behoeftigheid.~ 159 29, 14| Allerhoogsten, en hij zal u voordeliger zijn dan goud.~ 160 29, 15| uw schatkamers, en ze zal u redden uit alle jammer.~ 161 29, 16| spies, tegen uw vijand voor u strijden.~ 162 29, 18| weldaden niet van hen, die voor u borg geworden is, want hij 163 29, 18| hij heeft zijn ziel voor u gesteld.~ 164 29, 24| 24 Neem u des naasten aan naar uw 165 30, 9 | Streel uw kind, en het zal u verschrikken; speel met 166 30, 9 | speel met hem, en het zal u bedroeven.~ 167 30, 10| Lach niet met hem, opdat u geen smart overkome, en 168 30, 12| eniger tijd verhard zijnde, u ongehoorzaam, en uw ziel 169 30, 13| werk van hem, opdat gij u niet stoot aan zijn ongeregeldheid.~ 170 30, 23| stel droefheid verre van u.~ 171 31, 18| gelijk een mens van hetgeen u voorgezet wordt, en zijt 172 31, 25| wakker, en geen krankheid zal u ontmoeten.~ 173 31, 28| 28 Toon u geen man in de wijn, want 174 31, 36| verdruk hem niet, wanneer hij u ontmoet.~ ~ 175 32, 1 | 1 HEBBEN zij u tot een overste gesteld, 176 32, 1 | overste gesteld, verhef u niet, maar wees bij hen 177 32, 2 | 2 Bezorg hen, en zet u zo neder.~ 178 32, 4 | oud zijt, want dat betaamt u, doch met ernstige wetenschap, 179 32, 8 | Spreek gij jongeling, als het u van node is, en zulks nauwe 180 32, 10| Zijnde onder de groten, maak u hun niet gelijk, en waar 181 32, 14| En dank hiervoor Hem die u gemaakt heeft, en u dronken 182 32, 14| die u gemaakt heeft, en u dronken maakt van zijn goederen.~ 183 32, 20| het gedaan hebt, laat het u niet berouwen.~ 184 32, 22| zonder aanstoot is, en wacht u voor uw kinderen.~ 185 33, 19| en vriend geen macht over u, zo lang gij leeft, en geef 186 33, 20| gij nog leeft en adem in u is, geef uzelf in niemands 187 33, 21| is beter dat de kinderen u smeken, dan dat gij naar 188 33, 30| een huisknecht, dat hij u zij gelijk uw ziel, omdat 189 34, 6 | ze door de Allerhoogste u niet zijn toegezonden, om 190 34, 6 | niet zijn toegezonden, om u te bezoeken, zo geef uw 191 35, 10| Allerhoogste naar hetgeen hij u gegeven heeft, en met een 192 35, 12| niet aannemen, en bemoei u met geen onrechtvaardig 193 36, 1 | 1 ONTFERM u over ons Here, gij God aller 194 36, 2 | vrees over al de volken die u niet zoeken.~ 195 36, 5 | 5 Dat zij u mogen kennen gelijkerwijs 196 36, 5 | kennen gelijkerwijs ook wij u kennen, want daar is geen 197 36, 14| 14 Ontferm u over uw volk, Here, dat 198 36, 18| 18 Geef loon degenen die u verwachten, en maak dat 199 37, 7 | 7 Beraad u niet met hem die u overdwars 200 37, 7 | Beraad u niet met hem die u overdwars aanziet, en verberg 201 37, 7 | uw raad voor degenen die u benijden.~ 202 37, 9 | niet misschien het lot over u werpe,~ 203 37, 10| 10 En zegge tot u: Uw weg is goed, en stelle 204 37, 10| en stelle zich tegenover u om te zien hetgeen u overkomen 205 37, 10| tegenover u om te zien hetgeen u overkomen zal.~ 206 37, 11| 11 Beraad u niet met hem, die u overdwars 207 37, 11| Beraad u niet met hem, die u overdwars aanziet, en verberg 208 37, 11| raadslag voor degenen, die u benijden;~ 209 37, 13| beraadslagingen, maar houdt u steeds bij een godvrezende 210 37, 13| komen te struikelen, die met u bedroefd is.~ 211 37, 30| alle lekkernijen, en stort u niet heen op de spijzen.~ 212 38, 9 | bid de Here, en hij zal u genezen.~ 213 38, 12| geschapen, en laat hem niet van u, want gij behoeft hem.~ 214 38, 18| lastering wil, en troost u vanwege de droefenis.~ 215 38, 21| tot droefheid, zet ze van u, gedachtig zijnde aan uw 216 38, 23| uwe zijn; mij gisteren en u heden.~ 217 38, 24| gedachtenis rusten, en troost u over hem, wanneer zijn geest 218 39, 18| lelie; geeft een reuk van u, en zingt een lofzang.~ 219 41, 1 | bitter is de gedachtenis van u, voor een mens, die in vrede 220 41, 5 | gedenk aan degenen die voor u geweest zijn, en die na 221 41, 5 | geweest zijn, en die na u komen zullen, want dit is 222 41, 11| 11 Wee u, gij goddeloze mannen, gij 223 41, 15| verkrijgen, want die zal u bijblijven meer dan duizend 224 41, 21| 21 Schaam u voor vader en moeder vanwege 225 41, 24| 24 Schaamt u voor verachting van Gods 226 41, 25| 25 Schaamt u ook voor degene, die u groet 227 41, 25| Schaamt u ook voor degene, die u groet vanwege uw stilzwijgen; 228 41, 26| 26 Schaamt u iemands deel weg te nemen, 229 41, 27| 27 Van te veel u met anderen te bemoeien, 230 41, 27| van een dienstmaagd, stelt u niet bij haar bed.~ 231 41, 28| 28 Schaamt u ook voor uw vriend vanwege 232 41, 29| 29 Schaamt u van weder te gaan zeggen 233 42, 1 | 1 SCHAAM u niet vanwege deze navolgende 234 42, 3 | uw metgezel, en die met u over weg reizen; noch de 235 42, 4 | 4 En schaam u niet, dat gij nauw let op 236 42, 9 | 9 En schaam u niet dat gij een onverstandige 237 42, 14| make dat uw vijanden over u vrolijk zijn, dat men in 238 42, 14| dat men in de stad van u spreke en het volk u naroepe, 239 42, 14| van u spreke en het volk u naroepe, en zij u beschame 240 42, 14| het volk u naroepe, en zij u beschame in de menigte van 241 43, 33| sterkte toe; doch vermoeit u niet, want gij zult het 242 48, 4 | 4 En wie is u gelijk om te roemen!~ 243 48, 8 | vergelden, en profeten die na u zouden volgen.~ 244 48, 11| 11 Zalig zijn zij die u gezien hebben, en die in 245 51, 1 | zoon van Sirach>> IK zal u belijden Here, Koning, en 246 51, 1 | Here, Koning, en ik zal u prijzen, o God, die mijn 247 51, 14| prijzen zonder ophouden, en u lofzingen met dankzegging, 248 51, 16| 16 Daarom zal ik u belijden, Here, en zal u 249 51, 16| u belijden, Here, en zal u prijzen, en zal uw naam 250 51, 33| en heb gesproken, koopt u wijsheid zonder geld.~ 251 51, 37| barmhartigheid des Heren, en schaamt u niet hem te prijzen.~ 252 51, 38| voor de tijd, en hij zal u te zijner tijd loon geven.~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License