Chapter, Verse
1 1, 26| geboden, en de Here zal u deze verlenen,~
2 1, 31| verborgen dingen openbaren, en u in het midden der vergadering
3 2, 2 | in de tijd, als deze over u gebracht wordt.~
4 2, 4 | 4 Neem gaarne aan al wat u zou mogen overkomen, en
5 2, 6 | 6 Geloof hem en hij zal u helpen, maak uw wegen recht,
6 2, 7 | gelooft hem, en uw loon zal u geenszins ontvallen.~
7 2, 17| 17 Wat zult gij doen, als u de Here bezoeken zal?~
8 3, 9 | zegening van mensen over u kome.~
9 3, 11| want de oneer des vaders is u geen eer.~
10 3, 14| dat ten goede, en wacht u met al uw vermogen dat gij
11 3, 17| der verdrukking zal aan u gedacht worden, gelijk schoon
12 3, 23| 23 Dingen die u te zwaar zijn, onderzoek
13 3, 23| ze niet onbedacht, en die u te sterk zijn ondertast
14 3, 23| niet uit dwaasheid. Wat u bevolen is, overleg dat
15 3, 24| 24 Want het is u niet van node, verborgen
16 3, 25| overvloedigheid uwer woorden, want u zijn meer dingen aangewezen,
17 3, 26| gebrek hebben, en als het u aan kennis ontbreekt, zo
18 4, 4 | Weiger de verdrukte niet die u smeekt, en keer uw aangezicht
19 4, 5 | en geef niemand oorzaak u te vervloeken.~
20 4, 6 | 6 Want als iemand u vervloekt in bitterheid
21 4, 7 | 7 Maak u zelf lieftallig in de vergadering,
22 4, 11| Allerhoogsten, en hij zal u meer beminnen dan uw moeder
23 4, 23| des tijds waar, en wacht u van het boze.~
24 4, 31| 31 Schaam u niet uw zonden te belijden,
25 4, 33| en God de Here zal voor u strijden.~
26 5, 1 | 1 HOUD u niet aan uw rijkdom, en
27 5, 4 | Here is lankmoedig, hij zal u niet laten heengaan.~
28 5, 8 | 8 Verbeid niet u tot de Here te bekeren,
29 5, 10| onrechtvaardige rijkdom, want hij zal u geen voordeel doen in de
30 5, 10| dag, wanneer ongeluk over u zal gebracht worden.~
31 5, 16| 16 Laat u geen oorblazer noemen, en
32 6, 2 | 2 Verhef u niet in de raad uwer ziel,
33 6, 6 | 6 Maak dat velen met u in vrede leven, doch heb
34 6, 8 | gelegene tijd, en blijft u niet bij in de dag van uw
35 6, 9 | wordt in een vijand, en die u in het openbaar met verwijt
36 6, 10| tafelgenoot te zijn, en blijft u niet bij in de dag uwer
37 6, 11| 11 Als het u wel gaat zal hij zijn als
38 6, 12| wordt, zo zal hij tegen u zijn, en zal zich van uw
39 6, 13| 13 Scheid u af van uw vijanden, en wacht
40 6, 13| van uw vijanden, en wacht u voor uw vrienden.~
41 6, 28| en zoek haar, en zij zal u bekend worden, en als gij
42 6, 28| zijt, zo laat haar niet van u.~
43 6, 29| rust vinden, en zij zal u tot verheuging strekken;~
44 6, 30| 30 En haar boeien zullen u zijn tot een sterke bescherming,
45 6, 35| 35 Houd u onder de menigte der ouden,
46 6, 35| verklaring horen, en laat u de spreuken van het verstand
47 6, 36| verstandig man ziet, zo maak u des morgens vroeg tot hem,
48 6, 37| Heren volkomen, en oefen u altijd in zijn bevelen,
49 6, 37| de begeerde wijsheid zal u gegeven worden.~ ~
50 7, 1 | 1 DOE geen kwaad, en u zal geen kwaad bevangen.~
51 7, 2 | ongerechtige, en de zonde zal van u wijken.~
52 7, 5 | 5 Rechtvaardig u niet voor de Here, en houd
53 7, 5 | niet voor de Here, en houd u niet voor wijs bij de koning.~
54 7, 19| 19 Het ontbreke u niet aan een wijze en goede
55 7, 20| huurling die zijn ziel aan u overgeeft.~
56 7, 22| opzicht daarop, en zo het u nut is, laat het bij u blijven.~
57 7, 22| het u nut is, laat het bij u blijven.~
58 7, 26| werp haar niet uit, en geef u zelf aan een gehate niet
59 7, 28| gelijkheid van hetgeen zij u gegeven hebben?~
60 7, 29| uw kracht lief degene die u gemaakt heeft, en verlaat
61 7, 31| geef hem zijn deel, gelijk u bevolen is,~
62 7, 36| 36 Onttrek u niet van de wenende, en
63 8, 2 | een rijk mens, opdat hij u misschien niet overmag.~
64 8, 8 | 8 Verblijd u niet over de dood van uw
65 8, 18| met een stoute, opdat hij u niet bezware, want hij zal
66 8, 19| geen hulp is, daar zal hij u ter neder werpen.~
67 8, 20| 20 Beraad u niet met een dwaas, want
68 8, 22| aan ieder mens, en laat u geen valse dank vergelden.~ ~
69 9, 9 | vuur aangestoken, en leg u niet neder met haar in de
70 9, 17| tot hem komt zo vergrijp u niet, opdat bij u niet terstond
71 9, 17| vergrijp u niet, opdat bij u niet terstond uw leven beneme.~
72 9, 19| al uw vermogen, en beraad u met de wijzen; spreek met
73 10, 6 | 6 Vergram u niet op uw naaste over enig
74 11, 4 | der heerlijkheid verhef u niet, want wonderlijk zijn
75 11, 9 | Twist niet om een zaak die u niet aangaat; en zit niet
76 11, 10| 10 Mijn kind, bemoei u niet met vele dingen, want
77 11, 21| 21 Verwonder u niet in de werken des zondaars,
78 11, 32| uitgelezen dingen zal hij u een schandvlek opleggen.~
79 11, 34| 34 Wacht u voor een boosdoener, want
80 11, 34| smeedt boze dingen; dat hij u niet te eniger tijd een
81 11, 35| uw huis wonen, en hij zal u door onrust verstoren, en
82 11, 35| onrust verstoren, en zal u van enige uwer eigen goederen
83 12, 4 | die God vreest, en neem u de zondaar niet aan.~
84 12, 5 | geef hem niet, opdat hij u daardoor niet overweldige,
85 12, 5 | overweldige, want dubbel kwaad zal u overkomen voor al het goede,
86 12, 6 | degene die vroom is, en neem u de zondaar niet aan.~
87 12, 11| bedwing uzelf, en wacht u van hem, en gij zult hem
88 12, 12| 12 Stel hem niet nevens u, opdat hij niet te eniger
89 12, 12| hij niet te eniger tijd u omgekeerd hebbende, zichzelf
90 12, 14| 14 Hij zal een uur bij u blijven in een gerechte
91 12, 15| zal hij beraadslagen om u in een gracht te werpen.~
92 12, 17| 17 Indien u iets kwaads zou ontmoeten,
93 13, 2 | leven geen last op, die u te zwaar is, en heb geen
94 13, 5 | bevorderlijk zijn, zal hij u te werk stel len, maar indien
95 13, 5 | gij verachtert, zal hij u onderdrukken.~
96 13, 6 | zult hebben, zo zal hij met u leven, en zal u uitledigen,
97 13, 6 | hij met u leven, en zal u uitledigen, en zelf zal
98 13, 7 | 7 Heeft hij u nodig, zo zal hij u bedriegen,
99 13, 7 | hij u nodig, zo zal hij u bedriegen, en aanlokken,
100 13, 7 | bedriegen, en aanlokken, en zal u hoop geven; hij zal schoon
101 13, 7 | geven; hij zal schoon met u spreken, en zeggen: Wat
102 13, 8 | 8 Hij zal u met zijn spijs beschaamd
103 13, 8 | beschaamd maken, totdat hij u uitledige tot twee of driemaal
104 13, 8 | en op het laatste zal hij u bespotten, en daarin zal
105 13, 8 | bespotten, en daarin zal hij u aanzien, en u verlaten,
106 13, 8 | daarin zal hij u aanzien, en u verlaten, en zal zijn hoofd
107 13, 8 | en zal zijn hoofd tegen u schudden.~
108 13, 9 | 9 Wacht u dat gij niet verleid wordt
109 13, 11| 11 Als u een machtig heer tot zich
110 13, 11| tot zich nodigt, zo maak u ter zijde, en hij zal u
111 13, 11| u ter zijde, en hij zal u zo veel te meer en te vaker
112 13, 13| veel te spreken zal hij u verzoeken, en al toelachende
113 13, 14| geenszins plagen en banden aan u sparen.~
114 14, 12| het verbond des grafs is u niet getoond.~
115 14, 14| deel der goede begeerte u niet voorbijgaan.~
116 15, 16| 16 Hij heeft u vuur en water voorgesteld;
117 16, 1 | van kinderen, en verheug u niet over goddeloze zonen;
118 16, 1 | vermenigvuldigen verheug u over hen niet, zo de vreze
119 17, 12| 12 Wacht u van alle ongerechtigheid,
120 17, 19| 19 Bekeer u dan tot de Here, en verlaat
121 17, 20| de Allerhoogste, en keer u af van ongerechtigheid,
122 17, 20| ongerechtigheid, want hij zal u geleiden uit de duisternis
123 18, 15| 15 Mijn kind, wanneer het u wèl gaat, zo geef geen oorzaak
124 18, 21| 21 Verneder u door matigheid, eer gij
125 18, 22| 22 Laat u niet hinderen uw belofte
126 18, 30| lusten niet na, maar bedwing u van uw begeerten.~
127 18, 31| zult gij uw vijanden die u benijden een vreugde maken.~
128 18, 32| 32 Verheug u niet in de veelheid uwer
129 19, 7 | rede nimmermeer, en het zal u niet wezen tot vermindering.~
130 19, 8 | van anderen, en indien het u geen zonde is, zo openbaar
131 19, 9 | 9 Want hij heeft u gehoord en u waargenomen,
132 19, 9 | Want hij heeft u gehoord en u waargenomen, en ter gelegener
133 19, 9 | ter gelegener tijd zal hij u haten.~
134 19, 10| wat gehoord, laat het bij u sterven, en zijt welgemoed,
135 19, 10| welgemoed, want het zal u niet doen barsten.~
136 19, 19| tot zijn heer: Gelijk het u behaagt zal ik niet doen,
137 19, 25| niet gewaar wordt, zal hij u voorkomen om kwaad te doen.~
138 20, 9 | Daar is menige gave die u niet bevorderlijk zal zijn,
139 20, 13| gave van een onwijze zal u, die ze ontvangen hebt niet
140 20, 15| 15 Heden zal hij u lenen, en morgen wedereisen;
141 21, 2 | tot haar naakt, zo zal zij u steken.~
142 22, 15| 15 Hoed u voor hem, opdat gij geen
143 22, 27| zijn armoede; opdat gij u verheugen moogt als het
144 23, 5 | begeerte, en behoud hem die u altijd wil dienen; laat
145 23, 8 | niet tot zweren, en gewen u niet de heilige te noemen.~
146 24, 22| mij begeert, en verzadigt u van mijn gewas.~
147 24, 26| sterk in de Here, opdat hij u krachtig make; kleeft hem
148 25, 25| 25 Geef u niet over aan de schoonheid
149 26, 12| onbeschaamd oog, en verwonder u niet, indien zij verkeerd
150 26, 12| indien zij verkeerd tegen u zou handelen.~
151 27, 12| de tijd waar, maar houd u steeds onder de bedachtzamen.~
152 27, 21| niet, want hij is verre van u weg, en is het ontvloden
153 28, 2 | naaste het onrecht dat hij u gedaan heeft, en wanneer
154 28, 2 | zult gebeden hebben, zullen u uw zonden vergeven worden.~
155 28, 9 | 9 Onthoud u van strijd, en gij zult
156 28, 30| tegenwoordigheid desgenen, die op u loert.~ ~
157 29, 12| 12 Neem u de arme aan vanwege het
158 29, 12| vanwege het gebod, en keer u niet af van zijn behoeftigheid.~
159 29, 14| Allerhoogsten, en hij zal u voordeliger zijn dan goud.~
160 29, 15| uw schatkamers, en ze zal u redden uit alle jammer.~
161 29, 16| spies, tegen uw vijand voor u strijden.~
162 29, 18| weldaden niet van hen, die voor u borg geworden is, want hij
163 29, 18| hij heeft zijn ziel voor u gesteld.~
164 29, 24| 24 Neem u des naasten aan naar uw
165 30, 9 | Streel uw kind, en het zal u verschrikken; speel met
166 30, 9 | speel met hem, en het zal u bedroeven.~
167 30, 10| Lach niet met hem, opdat u geen smart overkome, en
168 30, 12| eniger tijd verhard zijnde, u ongehoorzaam, en uw ziel
169 30, 13| werk van hem, opdat gij u niet stoot aan zijn ongeregeldheid.~
170 30, 23| stel droefheid verre van u.~
171 31, 18| gelijk een mens van hetgeen u voorgezet wordt, en zijt
172 31, 25| wakker, en geen krankheid zal u ontmoeten.~
173 31, 28| 28 Toon u geen man in de wijn, want
174 31, 36| verdruk hem niet, wanneer hij u ontmoet.~ ~
175 32, 1 | 1 HEBBEN zij u tot een overste gesteld,
176 32, 1 | overste gesteld, verhef u niet, maar wees bij hen
177 32, 2 | 2 Bezorg hen, en zet u zo neder.~
178 32, 4 | oud zijt, want dat betaamt u, doch met ernstige wetenschap,
179 32, 8 | Spreek gij jongeling, als het u van node is, en zulks nauwe
180 32, 10| Zijnde onder de groten, maak u hun niet gelijk, en waar
181 32, 14| En dank hiervoor Hem die u gemaakt heeft, en u dronken
182 32, 14| die u gemaakt heeft, en u dronken maakt van zijn goederen.~
183 32, 20| het gedaan hebt, laat het u niet berouwen.~
184 32, 22| zonder aanstoot is, en wacht u voor uw kinderen.~
185 33, 19| en vriend geen macht over u, zo lang gij leeft, en geef
186 33, 20| gij nog leeft en adem in u is, geef uzelf in niemands
187 33, 21| is beter dat de kinderen u smeken, dan dat gij naar
188 33, 30| een huisknecht, dat hij u zij gelijk uw ziel, omdat
189 34, 6 | ze door de Allerhoogste u niet zijn toegezonden, om
190 34, 6 | niet zijn toegezonden, om u te bezoeken, zo geef uw
191 35, 10| Allerhoogste naar hetgeen hij u gegeven heeft, en met een
192 35, 12| niet aannemen, en bemoei u met geen onrechtvaardig
193 36, 1 | 1 ONTFERM u over ons Here, gij God aller
194 36, 2 | vrees over al de volken die u niet zoeken.~
195 36, 5 | 5 Dat zij u mogen kennen gelijkerwijs
196 36, 5 | kennen gelijkerwijs ook wij u kennen, want daar is geen
197 36, 14| 14 Ontferm u over uw volk, Here, dat
198 36, 18| 18 Geef loon degenen die u verwachten, en maak dat
199 37, 7 | 7 Beraad u niet met hem die u overdwars
200 37, 7 | Beraad u niet met hem die u overdwars aanziet, en verberg
201 37, 7 | uw raad voor degenen die u benijden.~
202 37, 9 | niet misschien het lot over u werpe,~
203 37, 10| 10 En zegge tot u: Uw weg is goed, en stelle
204 37, 10| en stelle zich tegenover u om te zien hetgeen u overkomen
205 37, 10| tegenover u om te zien hetgeen u overkomen zal.~
206 37, 11| 11 Beraad u niet met hem, die u overdwars
207 37, 11| Beraad u niet met hem, die u overdwars aanziet, en verberg
208 37, 11| raadslag voor degenen, die u benijden;~
209 37, 13| beraadslagingen, maar houdt u steeds bij een godvrezende
210 37, 13| komen te struikelen, die met u bedroefd is.~
211 37, 30| alle lekkernijen, en stort u niet heen op de spijzen.~
212 38, 9 | bid de Here, en hij zal u genezen.~
213 38, 12| geschapen, en laat hem niet van u, want gij behoeft hem.~
214 38, 18| lastering wil, en troost u vanwege de droefenis.~
215 38, 21| tot droefheid, zet ze van u, gedachtig zijnde aan uw
216 38, 23| uwe zijn; mij gisteren en u heden.~
217 38, 24| gedachtenis rusten, en troost u over hem, wanneer zijn geest
218 39, 18| lelie; geeft een reuk van u, en zingt een lofzang.~
219 41, 1 | bitter is de gedachtenis van u, voor een mens, die in vrede
220 41, 5 | gedenk aan degenen die voor u geweest zijn, en die na
221 41, 5 | geweest zijn, en die na u komen zullen, want dit is
222 41, 11| 11 Wee u, gij goddeloze mannen, gij
223 41, 15| verkrijgen, want die zal u bijblijven meer dan duizend
224 41, 21| 21 Schaam u voor vader en moeder vanwege
225 41, 24| 24 Schaamt u voor verachting van Gods
226 41, 25| 25 Schaamt u ook voor degene, die u groet
227 41, 25| Schaamt u ook voor degene, die u groet vanwege uw stilzwijgen;
228 41, 26| 26 Schaamt u iemands deel weg te nemen,
229 41, 27| 27 Van te veel u met anderen te bemoeien,
230 41, 27| van een dienstmaagd, stelt u niet bij haar bed.~
231 41, 28| 28 Schaamt u ook voor uw vriend vanwege
232 41, 29| 29 Schaamt u van weder te gaan zeggen
233 42, 1 | 1 SCHAAM u niet vanwege deze navolgende
234 42, 3 | uw metgezel, en die met u over weg reizen; noch de
235 42, 4 | 4 En schaam u niet, dat gij nauw let op
236 42, 9 | 9 En schaam u niet dat gij een onverstandige
237 42, 14| make dat uw vijanden over u vrolijk zijn, dat men in
238 42, 14| dat men in de stad van u spreke en het volk u naroepe,
239 42, 14| van u spreke en het volk u naroepe, en zij u beschame
240 42, 14| het volk u naroepe, en zij u beschame in de menigte van
241 43, 33| sterkte toe; doch vermoeit u niet, want gij zult het
242 48, 4 | 4 En wie is u gelijk om te roemen!~
243 48, 8 | vergelden, en profeten die na u zouden volgen.~
244 48, 11| 11 Zalig zijn zij die u gezien hebben, en die in
245 51, 1 | zoon van Sirach>> IK zal u belijden Here, Koning, en
246 51, 1 | Here, Koning, en ik zal u prijzen, o God, die mijn
247 51, 14| prijzen zonder ophouden, en u lofzingen met dankzegging,
248 51, 16| 16 Daarom zal ik u belijden, Here, en zal u
249 51, 16| u belijden, Here, en zal u prijzen, en zal uw naam
250 51, 33| en heb gesproken, koopt u wijsheid zonder geld.~
251 51, 37| barmhartigheid des Heren, en schaamt u niet hem te prijzen.~
252 51, 38| voor de tijd, en hij zal u te zijner tijd loon geven.~
|