Chapter, Verse
1 2, 1 | indien gij komt om de Here te dienen, zo bereid uw ziel
2 3, 20| zijt, verneder uzelf des te meer, en gij zult bij de
3 3, 23| 23 Dingen die u te zwaar zijn, onderzoek ze
4 3, 23| niet onbedacht, en die u te sterk zijn ondertast ze
5 3, 24| verborgen dingen met ogen te zien.~
6 4, 5 | en geef niemand oorzaak u te vervloeken.~
7 4, 28| wijsheid niet om aangenaam te zijn.~
8 4, 31| Schaam u niet uw zonden te belijden, en bedwing de
9 4, 36| niet uitgestrekt zijn om te nemen, en tezamen getrokken
10 5, 1 | hij is mij genoegzaam om te leven.~
11 5, 2 | niet, noch uw sterkte, om te gaan in de wegen uws harten.~
12 5, 8 | Verbeid niet u tot de Here te bekeren, en stel het niet
13 5, 13| 13 Zijt ras om wat goeds te horen, en leef in oprechtheid,
14 6, 7 | vertrouw uzelf hem niet te haastig.~
15 6, 10| menig vriend om tafelgenoot te zijn, en blijft u niet bij
16 6, 22| niet vertoeven haar weg te werpen.~
17 6, 34| gij liefde zult hebben om te horen, zo zult gij verstand
18 7, 6 | 6 Zoek niet een rechter te worden, want gij mocht niet
19 7, 6 | de ongerechtigheden weg te nemen; dat gij niet te eniger
20 7, 6 | weg te nemen; dat gij niet te eniger tijd voor het aangezicht
21 7, 10| en verzuim niet aalmoezen te geven.~
22 8, 10| ook de groten gemakkelijk te dienen.~
23 9, 3 | tegemoet opdat gij niet te eniger tijd in haar strikken
24 9, 4 | snarenspeelster, dat gij niet te eniger tijd gevangen wordt
25 9, 5 | Aanschouw een maagd niet te zeer, dat gij niet misschien
26 9, 11| haar bij de wijn; dat niet te eniger tijd uw ziel tot
27 9, 16| mens die macht heeft om te doden, en gij zult de vrees
28 9, 22| verschrikkelijk in zijn stad, en die te voortvarend is in zijn rede,
29 10, 4 | hand des Heren, en hij zal te zijner tijd over haar verwekken
30 10, 10| biedt ook zijn eigen ziel te koop, want zijn ingewanden
31 10, 29| 29 Denk niet wijs te zijn als gij uw werk doet,
32 10, 34| wordt in armoede, hoeveel te meer ook in rijk dom. En
33 10, 34| rijkdom ongeëerd is, hoeveel te meer in ar moede.~ ~
34 11, 11| haast, en heeft toch des te meer gebrek.~
35 11, 22| onvoorziens een arme rijk te maken.~
36 11, 24| niet: Wat heb ik van node te behagen, en voor wie zullen
37 11, 27| de dag des doods de mens te vergelden naar zijn werken.~
38 11, 31| bespieden die daarover komt om te doen vallen.~
39 11, 34| boze dingen; dat hij u niet te eniger tijd een eeuwige
40 12, 12| nevens u, opdat hij niet te eniger tijd u omgekeerd
41 12, 12| rechterzijde, dat hij niet te eniger tijd zoeke uw zitplaats
42 12, 12| tijd zoeke uw zitplaats in te nemen, en gij ten laatste
43 12, 15| beraadslagen om u in een gracht te werpen.~
44 13, 2 | leven geen last op, die u te zwaar is, en heb geen gemeenschap
45 13, 5 | bevorderlijk zijn, zal hij u te werk stel len, maar indien
46 13, 11| zijde, en hij zal u zo veel te meer en te vaker tot zich
47 13, 11| zal u zo veel te meer en te vaker tot zich noden.~
48 13, 12| verstoten wordt, en sta ook niet te ver af, opdat gij niet vergeten
49 13, 13| 13 Tracht niet met hem te spreken, en betrouw op zijn
50 13, 13| woorden niet, want met veel te spreken zal hij u verzoeken,
51 14, 17| behoeft in het graf geen spijs te zoeken.~
52 15, 15| houden en het geloof om te doen hetgeen mij behaagt.~
53 15, 20| niemand geboden goddeloos te zijn, en heeft niemand verlof
54 15, 20| heeft niemand verlof gegeven te zondigen.~ ~
55 16, 4 | is beter zonder kinderen te sterven, dan goddeloze kinderen
56 16, 4 | dan goddeloze kinderen te hebben.~
57 16, 11| zeshonderd duizend mannen te voet, welke tezamen vergaderd
58 17, 6 | ogen, oren, en een hart om te overleggen; met wetenschap
59 17, 7 | hun gegeven in eeuwigheid te mogen roemen in zijn wonderen,
60 17, 18| heeft bij gegeven weder te keren, en heeft tot zich
61 18, 3 | macht gegeven zijn werken te verkondigen en wie heeft
62 18, 5 | wonderen des Heren zijn niet te verminderen noch te vermeerderen,
63 18, 5 | niet te verminderen noch te vermeerderen, en zijn niet
64 18, 5 | vermeerderen, en zijn niet uit te speuren.~
65 18, 9 | Gelijk een droppel water is te rekenen tegen het water
66 18, 22| niet hinderen uw belofte te betalen ter bekwamer tijd,
67 18, 22| aan de dood rechtvaardig te worden.~
68 18, 28| zij geven zulks openbaar te belijden.~
69 19, 13| heeft, dat hij het niet te eniger tijd meer doe.~
70 19, 23| verandert, om het recht te doen blijken, en menigeen
71 19, 25| hij u voorkomen om kwaad te doen.~
72 19, 26| sterkte verhinderd wordt te zondigen, zo zal hij toch
73 20, 1 | 1 HOE veel beter is het te bestraffen dan heimelijk
74 20, 1 | bestraffen dan heimelijk gram te zijn; en wie zijn zonde
75 20, 2 | is om een jonge dochter te onteren, zo is hij die geweld
76 20, 4 | zwijgt, want hij heeft niet te antwoorden, en menigeen
77 20, 6 | 6 Die te veel woorden heeft, van
78 20, 6 | gruwel, en die zichzelf te veel macht aanneemt, wordt
79 20, 13| ogen zien, om voor een veel te ontvangen.~
80 20, 18| Het is beter op een vloer te vallen dan door een tong;
81 20, 21| Menigeen wordt gehinderd te zondigen vanwege gebrek,
82 20, 25| 25 Een dief is te kiezen voor een die steeds
83 20, 31| zonder Here een bestuurder te zijn van zijn eigen leven.~ ~
84 21, 25| haastig tot een huis in te gaan, maar een mens, die
85 21, 27| ongeschiktheid des mensen te luisteren aan de deur, maar
86 22, 1 | 1 DE luiaard is te vergelijken bij een beslijkte
87 22, 18| klomp ijzer zijn lichter om te dragen, dan een onverstandig
88 22, 23| steekt brengt het gevoelen te voorschijn.~
89 22, 28| geringe staat is niet altijd te verachten, noch de rijke,
90 22, 28| verstand heeft, in waarde te houden.~
91 22, 30| 30 Een vriend te beschermen zal ik mij niet
92 23, 8 | gewen u niet de heilige te noemen.~
93 23, 17| 17 Dat gij niet te eniger tijd bij hen wordt
94 23, 35| een grote heerlijkheid God te volgen, en een lang leven,
95 24, 7 | gezocht, om in iemands erfenis te huis te zijn.~
96 24, 7 | iemands erfenis te huis te zijn.~
97 24, 9 | gij uw tent opslaan, en te Jeruzalem zult gij erfgenaam
98 24, 14| geworden gelijk een dadelboom te Engedi, en gelijk een, rozeboom
99 24, 14| en gelijk een, rozeboom te Jericho.~
100 25, 6 | dat grijze haren zitten om te oordelen, en dat oude mannen
101 25, 17| 17 Alle plaag is te verdragen, maar niet de
102 25, 20| 20 Ik heb liever te wonen bij een leeuw en draak,
103 25, 20| een leeuw en draak, dan te wonen bij een boze vrouw.~
104 25, 30| boze vrouw vrijheid om uit te gaan.~
105 26, 29| en de tong dapper weet te roeren, zal beschouwd worden
106 27, 1 | en die zoekt zijn goed te vermeerderen, zal zijn oog
107 27, 15| schelden is moeilijk om te horen.~
108 28, 6 | en houd op vijandschap te oefenen.~
109 29, 2 | geef het uw naaste weder te zijner tijd.~
110 29, 3 | getrouw en gij zult hem te allen tijde uw behoefte
111 29, 6 | wanneer hij het behoort weder te geven, dan stelt hij de
112 29, 7 | En indien hij het vermag te geven, zo zal hij nauwelijks
113 29, 28| het ene huis in het andere te vertrekken, want waar gij
114 29, 29| Gij zult gasten hebben en te drinken geven de ondankbaren,
115 30, 12| kind is, opdat hij niet te eniger tijd verhard zijnde,
116 30, 15| Gezondheid en welgesteld te zijn van lichaam, is beter
117 31, 3 | bemoeit zich met veel geld te vergaderen, en wanneer hij
118 31, 19| onverzadelijk, opdat gij niet te eniger tijd aanstoot geeft.~
119 31, 31| is geschapen om de mensen te verheugen.~
120 32, 3 | 3 En doe al wat nodig is te doen, en als gij zult geprezen
121 32, 3 | zijt, en om wel versierd te wezen een kroon moogt ontvangen.~
122 33, 19| hebbende daarom behoeft te smeken.~
123 33, 22| in al uw werken anderen te boven gaat, en hang geen
124 33, 29| zijn boeien, doch wees niet te streng jegens iemands lichaam,
125 34, 6 | niet zijn toegezonden, om u te bezoeken, zo geef uw hart
126 36, 16| Vervul Sion om uw woorden te verheffen, en uw volk met
127 36, 24| gaat alle lust des mensen te boven.~
128 36, 26| krijgt, die begint goederen te bezitten, aangezien hij
129 37, 3 | de aarde met bedriegerij te bedekken?~
130 37, 10| stelle zich tegenover u om te zien hetgeen u overkomen
131 37, 13| en indien gij zoudt komen te struikelen, die met u bedroefd
132 37, 15| pleegt somtijds wat beters te verkondigen, dan zeven wachters
133 38, 6 | zijn wonderen verheerlijkt te worden.~
134 38, 14| geve, rust en genezing om te mogen leven.~
135 38, 16| tranen vallen, en begin te wenen als die zware dingen
136 38, 26| die van jonge stieren weet te spreken?~
137 38, 27| zijn hart begeven om voren te maken, en zal waken om de
138 38, 27| waken om de koeien voeder te geven.~
139 38, 29| blijft om verscheiden werk te maken.~
140 38, 30| hart om de schilderij na te maken, en waakt om het werk
141 38, 30| maken, en waakt om het werk te voleinden.~
142 38, 31| heeft met de hitte des ovens te strijden.~
143 38, 33| zijn hart om zijn werken te voleinden, en waakt om ze
144 38, 33| voleinden, en waakt om ze te versieren, wanneer zij voleindigd
145 38, 36| verglaze, en waakt om de oven te reinigen.~
146 38, 39| geen onderwijzing en recht te voorschijn.~
147 39, 6 | hart tot de Here, om vroeg te komen tot degene die hem
148 39, 11| onderwijzing zijner leer te voorschijn, en in de wet
149 39, 15| anderen; en indien hij komt te rusten, zo verkrijgt hij
150 39, 24| daarop, en daar is niets te wonderlijk voor hem.~
151 40, 2 | betrachting van hetgeen zij te verwachten hebben, de dag
152 40, 5 | en wanneer het tijd is om te rusten op het bed verandert
153 40, 17| een schat vindt gaat beide te boven.~
154 40, 26| voor zichzelf geen hulp te zoeken.~
155 40, 29| leven is voor geen leven te rekenen; hij besmet zijn
156 41, 2 | en nog sterk is om spijs te nemen.~
157 41, 8 | gebuurschappen der goddelozen te zamen verkeren.~
158 41, 15| Draag zorg om een goede naam te verkrijgen, want die zal
159 41, 18| en een schat, die niet te voorschijn komt, wat nuttigheid
160 41, 20| in alle dingen schaamte te houden, en alle dingen worden
161 41, 24| verbond; en met de elleboog te liggen op het brood, en
162 41, 26| Schaamt u iemands deel weg te nemen, en hetgeen hem gegeven
163 41, 26| hetgeen hem gegeven is, en te letten op een vrouw die
164 41, 27| 27 Van te veel u met anderen te bemoeien,
165 41, 27| Van te veel u met anderen te bemoeien, en van een dienstmaagd,
166 41, 29| 29 Schaamt u van weder te gaan zeggen hetgeen gij
167 41, 29| hetgeen gij gehoord hebt, en te openbaren verborgen zaken;~
168 42, 1 | neem geen persoon aan om te zondigen.~
169 42, 2 | oordeel, om een goddeloze te rechtvaardigen;~
170 42, 3 | 3 Noch om te horen spreken uw metgezel,
171 42, 3 | de vrienden hun erfdeel te geven.~
172 42, 20| gegeven al zijn wonderheden te vertellen.~
173 42, 28| waardig zijn al zijn werken om te begeren! en om aanschouwd
174 42, 28| begeren! en om aanschouwd te worden tot op een vonkje
175 43, 1 | hemels is heerlijk om aan te zien.~
176 44, 17| voorbeeld der boetvaardigheid te zijn.~
177 45, 11| schelletjes rondom heen, om geluid te maken met geklank in het
178 45, 11| het gaan; en een gerucht te maken dat men horen kon
179 45, 16| die uit hem geboren waren te allen tijde.~
180 45, 19| tegelijk zijn dienst waar te nemen, en het priesterschap
181 45, 19| nemen, en het priesterschap te bedienen, en het volk in
182 45, 19| en het volk in zijn naam te zegenen.~
183 45, 20| om de Here offeranden toe te brengen; reukwerk en welriekende
184 45, 20| gedachtenis, om verzoening te doen voor het volk.~
185 45, 21| Jakob zijn getuigenissen te leren, en Israël door zijn
186 45, 21| en Israël door zijn wet te verlichten.~
187 45, 32| ulieden wijsheid in uw hart om te richten zijn volk in gerechtigheid,
188 46, 2 | uitverkorenen; om wraak te doen aan de vijanden die
189 46, 2 | opstonden, en om Israël te brengen tot de bezitting
190 46, 9 | wederstonden, om het volk te verhinderen dat het niet
191 46, 9 | en om de boze murmurering te stillen.~
192 46, 10| geweest, van zeshonderdduizend te voet, om hen te brengen
193 46, 10| zeshonderdduizend te voet, om hen te brengen in het erfdeel,
194 46, 12| dat het goed is de Here na te volgen.~
195 47, 5 | trots van Goliath terneder te werpen.~
196 47, 6 | om de hoorn zijns volks te ver hogen.~
197 47, 11| zijn geluid een zoete toon te maken, en dagelijks God
198 47, 11| maken, en dagelijks God te prijzen met hun gezangen,~
199 48, 4 | 4 En wie is u gelijk om te roemen!~
200 48, 10| Gij zijt opgeschreven om te doen bestraffingen te zijner
201 48, 10| om te doen bestraffingen te zijner tijd, en te stillen
202 48, 10| bestraffingen te zijner tijd, en te stillen de toorn van het
203 48, 10| grimmige oordeel des Heren; te keren het hart van de vader
204 48, 10| de vader tot de zoon, en te bestellen de stammen van
205 48, 14| 14 Geen ding ging hem te boven, en als hij ontslapen
206 48, 19| bouwde fonteinen om water te hebben.~
207 49, 9 | tot een profeet, om uit te roeien, en kwalijk te handelen,
208 49, 9 | uit te roeien, en kwalijk te handelen, en te verderven;
209 49, 9 | kwalijk te handelen, en te verderven; van gelijken
210 49, 9 | verderven; van gelijken om te bouwen en te planten.~
211 49, 9 | gelijken om te bouwen en te planten.~
212 50, 3 | dagen waren de watervaten te klein, en werd gemaakt een
213 50, 14| diensten op het altaar, om te versieren de offerande des
214 50, 18| en Allerhoogste God, aan te bidden.~
215 50, 21| kinderen Israëls, om hun te geven de zegen des Heren
216 50, 21| lippen, en om in zijn naam te roemen.~
217 50, 22| zegen van de Allerhoogste te verkrijgen.~
218 50, 26| wonen, en het dwaze volk dat te Sichem woont.~
219 51, 4 | die bereid waren om mij te verslinden;~
220 51, 24| gedacht om haar in het werk te stellen, en te beijveren
221 51, 24| het werk te stellen, en te beijveren het goede, en
222 51, 24| goede, en zal geenszins te schande worden.~
223 51, 29| ontroerd geworden om haar te zoeken, daarom heb ik een
224 51, 34| onderwijzing aan, zij is nabij om te vinden.~
225 51, 37| Heren, en schaamt u niet hem te prijzen.~
226 51, 38| voor de tijd, en hij zal u te zijner tijd loon geven.~
|