Chapter, Verse
1 1, 3 | 3 Wie zal de hoogte des hemels, en de breedte der
2 1, 10| 10 De vreze des Heren is eer, en roem, en
3 1, 11| 11 De vrees des Heren vermaakt het hart,
4 1, 21| 21 De vreze des Heren verdrijft de misdaden,
5 1, 27| 27 Want de vreze des Heren is wijsheid en tucht,
6 1, 28| zijt, zo wantrouw de vreze des Heren niet, en ga niet tot
7 1, 32| 32 Omdat gij tot de vreze des Heren niet met waarheid
8 3, 10| 10 Want de zegening des vaders onderstut de huizen
9 3, 11| uws vaders, want de oneer des vaders is u geen eer.~
10 3, 12| 12 Want de eer des mensen komt hem uit de eer
11 3, 20| gij zijt, verneder uzelf des te meer, en gij zult bij
12 3, 22| 22 Want de macht des Heren is groot, en wordt
13 3, 30| 30 Het hart des verstandigen denkt op gelijkenis,
14 3, 30| op gelijkenis, en het oor des toehoorders is des wijzen
15 3, 30| het oor des toehoorders is des wijzen begeerte.~
16 4, 1 | MIJN kind, laat het leven des armen geen gebrek lijden,
17 4, 3 | verder, en onthoud de gave des behoeftigen niet.~
18 4, 11| zult zijn gelijk een zoon des Allerhoogsten, en hij zal
19 4, 23| 23 Neem de gelegenheid des tijds waar, en wacht u van
20 4, 31| belijden, en bedwing de vloed des strooms niet.~
21 4, 32| mens, en neem de persoon des machtigen niet aan.~
22 5, 9 | 9 Want de toorn des Heren zal schielijk uitvaren,
23 5, 15| oneer is in het spreken, en des mensen tong brengt hem ten
24 6, 16| getrouw vriend is een medicijn des levens, en die de Here vrezen
25 6, 36| verstandig man ziet, zo maak u des morgens vroeg tot hem, en
26 6, 37| 37 Overdenk de geboden des Heren volkomen, en oefen
27 7, 6 | tijd voor het aangezicht des machtigen vreest, en een
28 7, 17| ziel zeer, want de wraak des goddelozen zal vuur en worm
29 8, 13| 13 Ontsteek de kolen des zondaars niet, opdat gij
30 9, 16| doden, en gij zult de vrees des doods niet vermoeden.~
31 9, 19| vertelt, zij naar de wet des Allerhoogsten.~
32 9, 20| uw roem zijn in de vreze des Heren.~
33 9, 21| en een wijs voorganger des volks, door zijn woord.~
34 10, 1 | volk, en de heerschappij des verstandigen is ordelijk
35 10, 2 | 2 Gelijk als de rechter des volks is, zo zijn ook zijn
36 10, 4 | macht op aarde is in de hand des Heren, en hij zal te zijner
37 10, 5 | 5 In de hand des Heren is des mensen voorspoed,
38 10, 5 | In de hand des Heren is des mensen voorspoed, en op
39 10, 5 | voorspoed, en op het aangezicht des schriftgeleerden zal hij
40 10, 24| 24 De vreze des Heren is een heerschappij
41 10, 25| heerlijken, en armen, is de vreze des Heren.~
42 11, 4 | wonderlijk zijn de werken des Heren en zijn werken zijn
43 11, 11| zich haast, en heeft toch des te meer gebrek.~
44 11, 12| grote armoede, en het oog des Heren ziet op hem ten goede,
45 11, 17| 17 De gave des Heren blijft bij de godvrezenden,
46 11, 21| Verwonder u niet in de werken des zondaars, maar vertrouw
47 11, 22| 22 Want het is in de ogen des Heren licht, snel en onvoorziens
48 11, 23| 23 De zegen des Heren is in het loon van
49 11, 27| de Here licht, in de dag des doods de mens te vergelden
50 11, 31| een kooi, alzo is het hart des hovaardigen, en gelijk een
51 13, 29| armoede is kwaad in de mond des goddelozen.~
52 13, 30| 30 Het hart des mensen verandert zijn aangezicht,
53 14, 12| vertoeven, en het verbond des grafs is u niet getoond.~
54 14, 15| uw moeite tot verdeling des lots?~
55 15, 3 | zal hem spijzen met brood des verstands, en met water
56 15, 9 | 9 De lof in de mond des zondaars voegt niet wel,
57 15, 18| Want groot is de wijsheid des Heren, en hij is sterk in
58 15, 19| kennis nemen van alle werken des mensen.~
59 16, 1 | over hen niet, zo de vreze des Heren bij hen niet is.~
60 16, 10| zich niet over het volk des verderfs, die uitgingen
61 16, 18| de hemel, en de de hemel des hemels, de afgrond en de
62 16, 26| 26 Want door des Heren oordeel zijn zijn
63 17, 6 | overleggen; met wetenschap des verstands heeft hij hen
64 17, 9 | wetenschap, en hun de wet des levens tot een erfdeel gegeven,
65 17, 25| Hoe groot is de ontferming des Heren onzes Gods, en de
66 17, 28| 28 Hij ziet aan de kracht des hogen hemels, en alle mensen
67 18, 5 | 5 De wonderen des Heren zijn niet te verminderen
68 18, 8 | 8 Het getal der dagen des mensen aangaande honderd
69 18, 12| maar de barmhartigheid. des Heren over alle vlees.~
70 18, 25| 25 Gedenk aan de tijd des hongers, in de tijd der
71 18, 25| armoede en gebrek in de dag des rijkdoms.~
72 19, 17| gij dreigt, en geef de wet des Allerhoogsten plaats, en
73 19, 18| 18 De vreze des Heren is een beginsel der
74 19, 18| liefde; kennis der geboden des Heren is onderwijzing des
75 19, 18| des Heren is onderwijzing des levens, en die doen wat
76 19, 22| in kloekheid, en de wet des Allerhoogsten overtreedt.~
77 19, 28| 28 De kleding des mans, en het lachen der
78 21, 12| 12 Wie de wet des Heren bewaart, die heerst
79 21, 13| voleinding van de vreze des Heren is de aanneming der
80 21, 15| gelijk een zuivere fontein des levens.~
81 21, 27| Het is een ongeschiktheid des mensen te luisteren aan
82 22, 3 | 3 Het is des vaders schande wanneer hij
83 22, 29| 29 Gelijk de damp des ovens en de rook gaan voor
84 23, 1 | O Here, Vader en Heerser des gansen levens, verlaat mij
85 23, 5 | dienen; laat mij de begeerte des buiks, en de bij slaap niet
86 23, 30| vooreerst is zij de wet des Allerhoogsten ongehoorzaam
87 23, 34| niets beter is dan de vreze des Heren, en niets zoeter dan
88 24, 2 | mond open in de gemeente des Allerhoogsten, en beroemt
89 24, 3 | 3 Ik ben van de mond des Allerhoogsten uitgegaan,
90 24, 5 | Ik alleen heb de rondte des hemels omgegaan, en heb
91 24, 12| verheerlijkt volk, in het deel des Heren, dat is zijn erfdeel.~
92 24, 17| Stacte, en gelijk de damp des wierooks in de tabernakel.~
93 24, 19| vrucht der heerlijkheid en des rijkdoms.~
94 24, 26| deze dingen leert het boek des verbonds van God de Allerhoogste,
95 25, 2 | broederen en vriendschap des naasten, en wanneer man
96 25, 8 | en hun roem is de vreze des Heren.~
97 25, 14| 14 Maar de liefde des Heren overtreft alles, tot
98 25, 16| 16 De vreze des Heren is het begin zijner
99 25, 17| verdragen, maar niet de plaag des harten, en alle boosheid,
100 25, 19| gramschap boven de gramschap des vijands.~
101 25, 23| van een vrouw; en het lot des zondaars valle haar toe.~
102 26, 15| goed gemoed is, is een gave des Heren, en daar is niets
103 26, 17| opgaande in de hoogste plaatsen des Heren, zo is ook de schoonheid
104 26, 23| man heeft, zal een toren des doods geacht worden, degenen
105 26, 29| zijn leven in de oproeren des krijgs overbrengen.~
106 27, 3 | niet naarstig aan de vreze des Heren houdt, zo zal zijn
107 27, 4 | vuiligheid daarin; zo blijft des mensen vuiligheid in zijn
108 27, 6 | blijken wat in het hart des mensen is.~
109 28, 8 | naaste, en aan het verbond des Allerhoogsten, en overzie
110 28, 20| gevallen door de scherpte des zwaards, doch niet zo velen
111 29, 5 | zijn naastens handen, en om des naasten geld vernedert hij
112 29, 14| uw schat naar de geboden des Allerhoogsten, en hij zal
113 29, 23| overtredende de geboden des Heren zal in borgschap vervallen,
114 29, 24| 24 Neem u des naasten aan naar uw vermogen,
115 29, 25| voornaamste van het leven des mensen is water en brood
116 29, 26| 26 Het leven des armen onder een deksel van
117 30, 16| rijkdom beter dan gezondheid des lichaams, en daar is geen
118 30, 16| vreugde boven blijdschap des harten.~
119 30, 22| 22 Vreugde des harten is des mensen leven
120 30, 22| 22 Vreugde des harten is des mensen leven zelf, en vrolijk
121 30, 22| leven zelf, en vrolijk heid des mans verlengt hem zijn dagen.~
122 31, 1 | 1 HET waken om des rijkdoms wil doet het vlees
123 31, 6 | zijn gebonden geworden om des gouds wil, en hun verderf
124 31, 7 | 7 Het is een hout des aanstoots degenen die het
125 31, 21| matig ingewand, hij staat des morgens vroeg weder op,
126 31, 32| De wijn maakt vrolijkheid des harten en verheuging der
127 31, 34| 34 De dronkenschap des onwijzen vermeerdert zijn
128 33, 8 | 8 Zij zijn in de kennis des Heren onderscheiden, en
129 33, 15| aanschouw al de werken des Allerhoogsten, zij zijn
130 33, 16| nochtans ben ik door de zegen des Heren bevorderd, en heb
131 34, 17| 17 De ogen des Heren zien op degenen die
132 35, 1 | die offert een slachtoffer des heils.~
133 35, 3 | 3 Het is des Heren welbehagen dat men
134 35, 4 | ledig voor het aangezicht des Heren.~
135 35, 13| bij hem is geen achting des aangezichts.~
136 35, 18| 18 Het gebed des nederigen gaat door de wolken,
137 36, 24| aangezicht, en gaat alle lust des mensen te boven.~
138 36, 28| neemt herberg waar hij ook des avonds is.~ ~
139 37, 5 | arbeidt met zijn vriend om des buiks wil, en neemt een
140 37, 13| weet dat hij de geboden des Heren bewaart, die gezind
141 38, 19| komt de dood, en droefheid des harten kromt de sterken.~
142 38, 20| arme is een vervloeking des harten.~
143 38, 31| en hij heeft met de hitte des ovens te strijden.~
144 38, 41| betrachting heeft in de wet des Allerhoogsten.~c~
145 39, 8 | zo zal hij met de geest des verstands vervuld worden.~
146 39, 11| in de wet van het verbond des Heren roemt hij.~
147 39, 20| 20 De werken des Heren zijn alle zeer schoon,
148 39, 30| voornaamste dat tot het leven des mensen nodig is, is water,
149 39, 38| 38 Al de werken des Heren zijn goed, en al wat
150 39, 40| en mond, en looft de naam des Heren.~ ~ ~ ~
151 40, 2 | hun gedachten, en de vrees des harten, zo is de betrachting
152 40, 2 | verwachten hebben, de dag des doods;~
153 40, 5 | ontroering en beweging, en vrees des doods, en haat en twist,
154 40, 17| die zich genoegen laat, en des arbeiders, is zoet, maar
155 40, 25| het hart, maar de vreze des Heren meer dan beide.~
156 40, 26| 26 Daar is in de vreze des Heren geen vermindering,
157 40, 27| 27 De vreze des Heren is gelijk een gezegende
158 40, 31| 31 In de mond des onbeschaamden is de bedelarij
159 41, 5 | 5 Vrees het oordeel des doods niet; gedenk aan degenen
160 41, 7 | graf is geen bestraffing des levens.~
161 41, 11| goddeloze mannen, gij die de wet des Allerhoogsten verlaten hebt.~
162 42, 2 | 2 Vanwege de wet des Allerhoogsten en het verbond,
163 42, 18| zal ik gedenken de werken des Heren, en hetgeen ik gezien
164 42, 18| vertellen: in de woorden des Heren ziet men zijn werken.~
165 42, 19| vol van de heerlijkheid des Heren.~
166 42, 31| een bevestigt het goede des anderen, en wie zal verzadigd
167 43, 1 | der hoogte; de gedaante des hemels is heerlijk om aan
168 43, 2 | wonderlijk instrument, een werk des Allerhoogsten.~
169 43, 9 | schijnende in het uitspansel des hemels.~
170 43, 10| 10 De schoonheid des hemels is dat heerlijk gesternte,
171 43, 10| lichtende in de hoogste plaatsen des Heren.~
172 43, 13| heerlijke kring, de handen des Allerhoogsten spannen hem
173 43, 25| 25 Door de raad des Heren staat de afgrond stil,
174 44, 18| rechtvaardig, in de tijd des toorns geschiedde hem vergelding.~
175 44, 20| heerlijkheid, welke de wet des Allerhoogsten bewaard heeft,
176 45, 6 | bevelen gegeven, de wet des levens en der wetenschap;
177 45, 13| in goud ingevat, een werk des graveerders; waarin tot
178 45, 17| Hun slachtofferg werden des daags tweemaal gedurig geheel
179 45, 26| zij eten de slachtoffers des Heren, welke hij hem en
180 45, 27| 27 Doch in het land des volks had hij geen erfdeel,
181 45, 28| had geijverd in de vreze des Heren.~
182 45, 30| volk opgericht een. verbond des vredes, dat hij zou zijn
183 45, 30| zaad de grote heerlijkheid des priesterdoms zou hebben
184 45, 31| stam van Juda het erfdeel des konings heeft, en komt van
185 45, 31| andere; zo is het erfdeel des priesterdoms Aäron toegelegd
186 46, 4 | gestaan? want de oorlogen des Heren heeft hij gevoerd.~
187 46, 15| Here, zijnde een profeet des Heren, heeft koninkrijken
188 46, 16| vergadering naar de wet des Heren, en de Here bezocht
189 46, 19| door de grote weerklank des donders;~
190 46, 22| dat de ongerechtigheid des volks zou verdelgd worden.~ ~ ~
191 47, 5 | hand ophief om met de steen des slingers de trots van Goliath
192 47, 7 | prees hem met zegeningen des Heren, als hem de kroon
193 47, 12| zijn heilige naam, en van des morgens vroeg aan zijn heiligdom
194 47, 13| hem gegeven het verbond des koninkrijks, en de troon
195 47, 15| Salomo regeerde in de tijd des vredes, en is beroemd geworden,
196 47, 20| 20 In de naam des Heren, de God der ganse
197 48, 3 | 3 Door het woord des Heren hield hij de hemel
198 48, 5 | het graf door het woord des Allerhoogsten.~
199 48, 7 | gehoord hebt de bestraffing des Heren, en op Horeb de oordelen
200 48, 10| van het grimmige oordeel des Heren; te keren het hart
201 49, 3 | gedragen in de bekering des volks, en heeft weggenomen
202 49, 6 | 6 Want zij hebben de wet des Allerhoogsten verlaten;
203 49, 18| 18 Een steunsel des volks, en zijn gebeenten
204 50, 1 | welke in zijn leven het huis des Heren heeft vermaakt, heeft
205 50, 2 | verheven hoogte, de hoge omgang des tempels.~
206 50, 7 | uitschijnende op de tempel des Allerhoogsten; gelijk de
207 50, 13| heerlijkheid, en de offerande des Heren was in hun handen,
208 50, 14| te versieren de offerande des Allerhoogsten en des almachtigen,~
209 50, 14| offerande des Allerhoogsten en des almachtigen,~
210 50, 20| En het volk van de Here, des Allerhoogsten, smeekte in
211 50, 20| eindigd was het versiersel des Heren, en zij zijn dienst
212 50, 21| om hun te geven de zegen des Heren met zijn lippen, en
213 50, 29| bekwaam zijn, dewijl het licht des Heren zijn voetstap is,
214 51, 6 | 6 Van de verstikking des vuurs rondom; uit het midden
215 51, 6 | vuurs rondom; uit het midden des vuurs, dat ik niet verbrand
216 51, 7 | 7 Uit de diepte des buiks, en van de onreine
217 51, 37| zich over de barmhartigheid des Heren, en schaamt u niet
|