Chapter, Verse
1 1, 1 | wijsheid is van de Here, en is met hem in der eeuwigheid.~
2 1, 13| de Here vrezen, en zij is met de gelovigen tezamen geschapen
3 1, 16| gehele huis vervult zij met haar wellustigheden, en
4 1, 28| niet, en ga niet tot hem met een dubbel hart.~
5 1, 29| Maar de geveinsden niet met monden der mensen: en neem
6 1, 32| de vreze des Heren niet met waarheid zijt gekomen, en
7 3, 8 | 8 Eer uw vader en moeder met werken en woorden,~
8 3, 14| dat ten goede, en wacht u met al uw vermogen dat gij hem
9 3, 19| kind, voer uw werken uit met zachtmoedigheid, en gij
10 3, 24| van node, verborgen dingen met ogen te zien.~
11 3, 28| hart zal bezwaard worden met moeite, en de zon daar zal
12 4, 8 | en antwoord hem vreedzaam met zachtmoedigheid.~
13 4, 13| opmaken tot haar, zullen met verheuging vervuld worden.~
14 4, 18| verkeerd zal zij in het eerst met hem omgaan.~
15 4, 19| brengen, en zal hem pijnigen met haar tuchtiging, totdat
16 4, 34| 34 Zijt niet stout met uw tong, en lui en slap
17 4, 35| huisknechten als een die met verbeelding gekweld is.~
18 5, 13| geef een recht antwoord met lankmoedigheid.~
19 5, 16| oorblazer noemen, en leg met uw tong geen lagen.~
20 6, 6 | 6 Maak dat velen met u in vrede leven, doch heb
21 6, 9 | en die u in het openbaar met verwijt bestrijden zal.~
22 6, 27| 27 Ga tot haar met geheel uw ziel, en bewaar
23 6, 27| ziel, en bewaar haar wegen met geheel uw kracht.~
24 7, 29| 29 Vrees de Here met uw gehele ziel, en houd
25 7, 36| van de wenende, en treur met degenen die treuren.~
26 8, 1 | 1 STRIJD met geen machtig mens, dat gij
27 8, 2 | 2 Twist niet met een rijk mens, opdat hij
28 8, 4 | 4 Strijd niet met een klapachtig mens, en
29 8, 5 | 5 Scherts niet met een ongeschikte, opdat uw
30 8, 18| 18 Wandel niet met een stoute, opdat hij u
31 8, 19| 19 Verwek geen strijd met een toornige, en ga niet
32 8, 19| een toornige, en ga niet met hem door de woestijn, gelijk
33 8, 20| 20 Beraad u niet met een dwaas, want hij zal
34 9, 4 | 4 Ga niet om met een snarenspeelster, dat
35 9, 9 | aangestoken, en leg u niet neder met haar in de armen.~
36 9, 11| 11 En maak geen gelag met haar bij de wijn; dat niet
37 9, 11| ziel tot haar neigt, en gij met uw geest niet valt in het
38 9, 13| geworden zijn, drink hem met verheuging.~
39 9, 19| uw vermogen, en beraad u met de wijzen; spreek met de
40 9, 19| u met de wijzen; spreek met de verstandigen, en al wat
41 10, 17| nederigen in hun plaats met heerlijkheid.~
42 11, 4 | 4 Pronk niet met de klederen die gij aandoet,
43 11, 10| Mijn kind, bemoei u niet met vele dingen, want indien
44 11, 16| Dwaling en duisternis zijn met de zondaren geschapen, en
45 11, 16| over kwade dingen pochen, met die veroudert de boosheid.~
46 12, 13| dieren naderen? zo gaat het met hem die zich ophoudt bij
47 12, 15| 15 En de vijand zal wel met zijn lippen zoet spreken,
48 12, 16| 16 Met zijn ogen zal hij wenen,
49 12, 18| zijn hoofd schudden, en met de handen klappen, en veel
50 13, 1 | daarmede besmet, en die met de hovaardige gemeenschap
51 13, 2 | en heb geen gemeenschap met degene, die sterker en rijker
52 13, 3 | gemeenschap zal de aarden pot met een ketel hebben? deze zal
53 13, 6 | zult hebben, zo zal hij met u leven, en zal u uitledigen,
54 13, 7 | hoop geven; hij zal schoon met u spreken, en zeggen: Wat
55 13, 8 | 8 Hij zal u met zijn spijs beschaamd maken,
56 13, 13| 13 Tracht niet met hem te spreken, en betrouw
57 13, 13| vele woorden niet, want met veel te spreken zal hij
58 13, 15| hoort, want gij wandelt met uw val.~
59 13, 20| gemeenschap zal een wolf hebben met een lam? zo is een zondaar
60 13, 21| vrede zal een hyëna hebben met een hond? en wat vrede zal
61 13, 21| vrede zal een rijke hebben met een arme?~
62 13, 31| gelijkenissen in overlegging met moeite.~ ~
63 14, 1 | is de man die niet feilt met zijn mond, en niet doorprikkeld
64 14, 1 | niet doorprikkeld wordt met de menigte der zonden.~
65 14, 8 | Het is een boos mens, die met het oog afgunstig is, die
66 14, 9 | van de gierigaard wordt met geen deel verzadigd, en
67 14, 19| hij uitspruiten; zo is het met het geslacht van het vlees
68 14, 20| die het gewrocht heeft zal met hetzelve ook weggaan.~
69 14, 21| 21 Zalig is de man die met wijsheid betracht hetgeen
70 14, 21| hetgeen eerlijk is, en die met zijn verstand van heilige
71 15, 3 | 3 Zij zal hem spijzen met brood des verstands, en
72 15, 3 | brood des verstands, en met water der wijsheid zal zij
73 15, 10| 10 Want met wijsheid zal lof gesproken
74 16, 5 | verstandige zal een stad met inwoners bezet worden; maar
75 16, 14| zondaar zal niet ontvlieden met zijn roof; en de verwachting
76 16, 15| heeft hij onderscheiden met een diamantsteen.~
77 16, 24| leer wetenschap, en let met uw hart op mijn woorden.~
78 16, 25| zijn wetenschap verkondigen met naarstigheid.~
79 16, 29| gezien, en heeft ze vervuld met zijn goederen.~
80 17, 3 | 3 Hij heeft hen bekleed met sterkte, naar hun gelegenheid,
81 17, 6 | een hart om te overleggen; met wetenschap des verstands
82 17, 10| eeuwig verbond heeft hij met hen opgericht, en hun getoond
83 18, 2 | heeft de wereld gebouwd met de span zijner hand, en
84 18, 15| berisping, en bedroef niemand met boze woorden, als gij om
85 19, 6 | zijn tong bedwingt, zal met degene die niet twistig
86 19, 16| harte, en wie is er die met zijn tong niet struikelt?~
87 20, 12| 12 De wijze zal zichzelf met woorden lieftallig maken,
88 20, 17| het bezit zijner goederen met geen rechte kennis ontvangen,
89 21, 8 | 8 Wie machtig is met de tong, die is van verre
90 21, 9 | 9 Wie zijn huis met geld van andere lieden bouwt,
91 22, 14| 14 Spreek niet lang met een onwijze, en ga niet
92 23, 9 | een huisknecht, die steeds met geselen onderzocht wordt,
93 23, 12| huis zal vervuld worden met aangehaalde straffen.~
94 23, 13| wijze van spreken rondom met de dood bekleed; laat die
95 23, 21| 21 Een hoereerder, die met het lichaam zijns vleses
96 24, 21| 21 En geef met al mijn kinderen deze eeuwigblijvende
97 24, 27| Hij vervult alle dingen met zijn wijsheid, gelijk de
98 25, 9 | hart, en het tiende zal ik met mijn tong zeggen:~
99 25, 11| verstandige vrouw woont, en die met de tong niet struikelt,
100 26, 2 | vervult de jaren zijns levens met vrede.~
101 26, 7 | andere vrouw jaloers is, en met de tong geselt, en bij allen
102 27, 23| 23 Wie met het oog wenkt, die smeedt
103 28, 18| zal geen rust vinden, noch met stilheid wonen.~
104 28, 22| niet getrokken heeft, en met haar banden niet is gebonden
105 28, 28| omtuin hetgeen gij bezit met doornen, en maak voor uw
106 29, 1 | naaste en wie hem sterkt met zijn hand, die houdt de
107 29, 9 | 9 Hij betaalt hem met vloeken en scheldwoorden,
108 29, 11| lankmoedig, en stel hem niet uit met uw aalmoes.~
109 30, 9 | zal u verschrikken; speel met hem, en het zal u bedroeven.~
110 30, 10| 10 Lach niet met hem, opdat u geen smart
111 31, 3 | 3 De rijke bemoeit zich met veel geld te vergaderen,
112 31, 3 | heeft, vult hij zich op met zijn lekkernijen.~
113 31, 16| hij heenziet, en wrijf ze met hem niet in de schotel.~
114 31, 21| heeft een gezonde slaap, met een matig ingewand, hij
115 31, 23| 23 En zo gij met kost overladen zijt, sta
116 32, 4 | want dat betaamt u, doch met ernstige wetenschap, en
117 32, 9 | 9 Maak uw rede kort, zeg met weinig woorden veel; wees
118 32, 13| voorgenomen hebt, maar niet met zonden en hovaardige woorden.~
119 34, 28| 28 Zo is het met een mens die vast vanwege
120 35, 8 | 8 Verheerlijk de Here met een goed oog, en verminder
121 35, 9 | gaven, en heilig uw tiende met verheuging.~
122 35, 10| hij u gegeven heeft, en met een goed oog hetgeen uw
123 35, 12| niet aannemen, en bemoei u met geen onrechtvaardig slachtoffer.~
124 35, 17| 17 Die God dient met welbehagen zal aangenomen
125 36, 16| te verheffen, en uw volk met uw heerlijkheid.~
126 37, 1 | vriend is alleen vriend met de naam.~
127 37, 3 | komt gij gerold om de aarde met bedriegerij te bedekken?~
128 37, 4 | 4 Een metgezel leeft met zijn vriend in verheuging,
129 37, 5 | 5 Een metgezel arbeidt met zijn vriend om des buiks
130 37, 7 | 7 Beraad u niet met hem die u overdwars aanziet,
131 37, 11| 11 Beraad u niet met hem, die u overdwars aanziet,
132 37, 12| 12 Noch met een vrouw, aangaande degene
133 37, 12| waartegen zij jaloers is; noch met een vreesachtige over de
134 37, 12| vreesachtige over de oorlog; noch met een koopman over de wissel;
135 37, 12| koopman over de wissel; noch met degene, die koopt over de
136 37, 12| koopt over de verkoop; noch met een nijdig mens over de
137 37, 12| over de dankbaarheid, noch met een onbarmhartige over de
138 37, 12| over de weldadigheid; noch met een luie over enig werk;
139 37, 12| luie over enig werk; noch met een huurling, die gij een
140 37, 12| voleinding van het werk, noch met een trage huisknecht over
141 37, 13| komen te struikelen, die met u bedroefd is.~
142 37, 21| menigeen die wijsheid voorgeeft met woorden en is hatelijk;
143 37, 25| wijs man zal vervuld worden met zegen, en allen die hem
144 38, 1 | geneesheer tot uw behoeften, met de eer die hem toekomt;
145 38, 28| 28 Zo is het gelegen met ieder schrijnwerker en timmerman,
146 38, 28| die de nacht gelijk de dag met zijn werk doorbrengt.~
147 38, 29| 29 Zo ook met hem die de zegelen uitsteekt,
148 38, 31| zijn vlees, en hij heeft met de hitte des ovens te strijden.~
149 38, 34| op zijn werk, en drijft met zijn voeten het wiel om;
150 38, 35| 35 Met zijn arm geeft hij het leem
151 39, 2 | kloeke spreuken gaat hij met hen om.~
152 39, 8 | grote Here wil, zo zal hij met de geest des verstands vervuld
153 39, 19| Here over al zijn werken met gezang der lippen, en met
154 39, 19| met gezang der lippen, en met citers; en zegt zo in uw
155 39, 40| 40 En nu, lofzingt met uw ganse hart en mond, en
156 40, 4 | draagt, als bij degene, die met grof lijnwaad gekleed is.~
157 40, 8 | 8 Zo gaat het met alle vlees, van de mens
158 40, 12| gelijk een grote donder met regen zal God geluid daartegen
159 40, 16| Weldadigheid is gelijk een lusthof met zegeningen, en aalmoes blijft
160 40, 22| legener tijd, maar een vrouw met haar man meer dan beide.~
161 40, 29| rekenen; hij besmet zijn ziel met vreemde spijzen.~
162 41, 24| waarheid en verbond; en met de elleboog te liggen op
163 41, 27| 27 Van te veel u met anderen te bemoeien, en
164 42, 3 | spreken uw metgezel, en die met u over weg reizen; noch
165 42, 9 | en een geheel oude, die met de jonge lieden twist;~
166 43, 4 | vurige dampen uitblaast, en met het glinsteren van haar
167 43, 13| 13 Hij omvat de hemel met een heerlijke kring, de
168 43, 26| zijn verwonderd als wij het met onze oren horen.~
169 44, 4 | 4 Die raad gaven met verstand, en verkondigd
170 44, 7 | 7 Rijke mannen, voorzien met sterkte, en vreedzaam levende
171 44, 19| eeuwige verbonden werden met hem opgericht, opdat niet
172 44, 20| Allerhoogsten bewaard heeft, en met hem in een verbond geweest
173 44, 22| 22 Daarom heeft hij hem met een eed beloofd, dat hij
174 45, 8 | 8 Hij heeft met hem een eeuwig verbond opgericht,
175 45, 8 | zijn volk, en verheerlijkt met schoon sieraad.~
176 45, 9 | 9 En heeft hem omgord met een kleed der heerlijkheid,
177 45, 9 | volkomen roem, en hem gesterkt met uitrusting der sterkte;~
178 45, 10| 10 Met onderbroeken, lange rok,
179 45, 11| heeft hem rondom behangen met granaatappelen, en zeer
180 45, 11| heen, om geluid te maken met geklank in het gaan; en
181 45, 12| 12 Met een heilige gouden, en hemelsblauwe
182 45, 12| werk van een borduurwerker; met de lap van het gericht,
183 45, 14| 14 Hij heeft hem versierd met een gouden kroon boven op
184 45, 18| handen gevuld, en heeft hem met heilige olie gezalfd.~
185 45, 22| woestijn; mannen die het met Dathan en Abiram hielden,
186 45, 22| vergadering van Korach, met grimmigheid en toorn.~
187 45, 29| het volk had afgekeerd, met een goede toegenegenheid
188 45, 30| 30 Daarom heeft de Here met hem en zijn volk opgericht
189 45, 31| volgens het verbond opgericht met David, een zoon uit de stam
190 46, 7 | 7 Hij brak uit met oorlog tegen de volken,
191 46, 13| 13 En de richters, elk met zijn naam, welker aller
192 46, 22| zijn stem uit de aarde, met een profetie, dat de ongerechtigheid
193 47, 5 | hij zijn hand ophief om met de steen des slingers de
194 47, 7 | tienduizenden, en prees hem met zegeningen des Heren, als
195 47, 9 | en Allerhoogste, de eer, met heerlijke woorden.~
196 47, 11| dagelijks God te prijzen met hun gezangen,~
197 47, 16| zijn jeugd? en werd vervuld met verstand gelijk een stroom.~
198 47, 17| de ganse aarde bedekt, en met scherpzinnige spreuken vervuld.~
199 47, 21| 21 En zijt met uw lichaam in haar macht
200 47, 26| 26 En Salomo rustte met de vaderen, en liet na van
201 48, 9 | draaiwind, in een wagen met vurige paarden.~
202 48, 13| is het, die bedekt werd met een draaiwind; en Elisa
203 48, 13| draaiwind; en Elisa werd vervuld met de Heilige Geest; en in
204 48, 13| oversten, en niemand heeft hem met geweld onderdrukt.~
205 48, 19| groef de spitse rotssteen met ijzer, en bouwde fonteinen
206 50, 5 | verheerlijkt door uw verkeer met het volk, en door de uitgang
207 50, 9 | Gelijk een gouden vat, dat met de hamer dicht geslagen,
208 50, 9 | hamer dicht geslagen, en met allerlei kostelijk gesteente
209 50, 17| riepen de zonen van Aäron, met dun gesmede trompetten een
210 50, 19| En de zangers prezen God met hun stemmen, en in het meeste
211 50, 21| geven de zegen des Heren met zijn lippen, en om in zijn
212 51, 14| ophouden, en u lofzingen met dankzegging, en mijn smeking
213 51, 30| gegeven tot mijn loon, en met deze zal ik hem prijzen.~
214 51, 35| 35 Ziet met uw ogen dat ik weinig moeite
215 51, 36| deelachtig de onderwijzing met een groot getal gelds, en
|