Chapter, Verse
1 1, 22| gerechtvaardigd worden, want de hevigheid zijns toorns
2 1, 27| 27 Want de vreze des Heren is wijsheid
3 1, 31| 31 Want de Here zal al uw verborgen
4 2, 5 | 5 Want in het vuur wordt het goud
5 2, 13| 13 Want de Here is een ontfermer
6 2, 23| 23 Want gelijk zijn grote heerlijkheid
7 3, 2 | 2 Want de Here heeft de vader verheerlijkt
8 3, 10| 10 Want de zegening des vaders onderstut
9 3, 11| in de oneer uws vaders, want de oneer des vaders is u
10 3, 12| 12 Want de eer des mensen komt hem
11 3, 15| 15 Want de barmhartigheid, die gij
12 3, 22| 22 Want de macht des Heren is groot,
13 3, 24| 24 Want het is u niet van node,
14 3, 25| overvloedigheid uwer woorden, want u zijn meer dingen aangewezen,
15 3, 29| zullen ontworteld worden, want een plant der boosheid is
16 4, 6 | 6 Want als iemand u vervloekt in
17 4, 18| 18 Want verkeerd zal zij in het
18 4, 25| 25 Want daar is een beschaamdheid,
19 4, 29| 29 Want de wijsheid zal in het woord
20 5, 3 | brengen vanwege mijn werken? want de Here zal zeker uw moedwil
21 5, 4 | welk leed is mij geschied? want de Here is lankmoedig, hij
22 5, 7 | 7 Want barmhartigheid en toorn
23 5, 9 | 9 Want de toorn des Heren zal schielijk
24 5, 10| onrechtvaardige rijkdom, want hij zal u geen voordeel
25 5, 17| 17 Want een bezwaarlijke schaamte
26 6, 1 | in plaats van een vriend, want zulk een zal een boze naam,
27 6, 8 | 8 Want daar is menig vriend in
28 6, 17| recht in zijn vriendschap; want naar dat hij is, zo zullen
29 6, 20| 20 Want in haar werking zult gij
30 6, 23| 23 Want de wijsheid is gelijk haar
31 6, 29| 29 Want ten laatste zult gij haar
32 6, 31| 31 Want een gulden versiersel is
33 7, 6 | niet een rechter te worden, want gij mocht niet sterk genoeg
34 7, 8 | zonde niet tweemaal aan, want zelfs in een zult gij niet
35 7, 11| bitterheid zijner ziel is, want daar is een die vernedert
36 7, 13| liegen enigerlei leugen, want gedurig plegen der zelve
37 7, 17| 17 Verneder uw ziel zeer, want de wraak des goddelozen
38 7, 19| een wijze en goede vrouw, want haar aangenaamheid overtreft
39 7, 37| bezoeken van de kranke; want om zulke dingen zult gij
40 8, 3 | 3 Want het goud heeft velen verdorven,
41 8, 7 | niemand in zijn ouderdom, want ook uit ons zijn er die
42 8, 10| 10 Want van hen zult gij onderwijzing
43 8, 11| onderwijzing der ouden, want zij hebben ook geleerd van
44 8, 12| 12 Want van hen zult gij verstand
45 8, 17| Richt niet tegen de rechter, want men zal hem oordelen, naar
46 8, 18| opdat hij u niet bezware, want hij zal naar zijn wil doen,
47 8, 20| Beraad u niet met een dwaas, want hij zal geen zaak kunnen
48 8, 21| heimelijks voor een vreemde, want gij weet niet wat hij baren
49 9, 9 | 9 Want door de schoonheid der vrouw
50 9, 12| Verlaat een oude vriend niet, want de nieuwe is hem niet gelijk.~
51 9, 14| de zondaar zijn eer niet, want gij weet niet welke zijn
52 10, 10| 10 Want deze biedt ook zijn eigen
53 10, 10| zijn eigen ziel te koop, want zijn ingewanden werpen deze
54 10, 12| 12 Want wanneer een mens sterft,
55 10, 14| 14 Want hovaardigheid is een beginsel
56 10, 30| 30 Want het is beter dat iemand
57 11, 4 | heerlijkheid verhef u niet, want wonderlijk zijn de werken
58 11, 10| u niet met vele dingen, want indien gij veel aanneemt,
59 11, 22| 22 Want het is in de ogen des Heren
60 11, 27| 27 Want het is voor de Here licht,
61 11, 30| niet een ieder in uw huis, want de lagen van de lasteraar
62 11, 32| 32 Want hij loert verkerende het
63 11, 34| Wacht u voor een boosdoener, want hij smeedt boze dingen;
64 12, 5 | daardoor niet overweldige, want dubbel kwaad zal u overkomen
65 12, 6 | 6 Want ook de Allerhoogste haat
66 12, 10| 10 Want gelijk het koper verroest,
67 13, 13| zijn vele woorden niet, want met veel te spreken zal
68 13, 15| acht als gij hem hoort, want gij wandelt met uw val.~
69 14, 17| 17 Want men behoeft in het graf
70 14, 18| veroudert gelijk een kleed, want het verbond van de eeuw
71 15, 10| 10 Want met wijsheid zal lof gesproken
72 15, 11| dat ik afgevallen ben; want hetgeen hij haat moet gij
73 15, 12| hij heeft mij gemaakt, want hij heeft de zondaar niet
74 15, 18| 18 Want groot is de wijsheid des
75 16, 3 | 3 Want één rechtvaardige is beter
76 16, 5 | 5 Want van een verstandige zal
77 16, 12| 12 Want ontferming en toorn is bij
78 16, 15| voor allerlei aalmoezen, want een ieder zal vinden naar
79 16, 17| men aan mij niet gedenken, want wat is mijn ziel onder de
80 16, 22| of wie zal ze verdragen? Want het verbond is verre, en
81 16, 26| 26 Want door des Heren oordeel zijn
82 17, 14| 14 Want in de verdeling der volken
83 17, 17| 17 Want de barmhartigheid tegen
84 17, 20| af van ongerechtigheid, want hij zal u geleiden uit de
85 17, 26| 26 Want alle dingen kunnen in de
86 18, 2 | zijn zijn wil gehoorzaam. Want hij is een koning aller
87 18, 33| niets hebt in de beurs, want anders zult gij een verspieder
88 19, 9 | 9 Want hij heeft u gehoord en u
89 19, 10| sterven, en zijt welgemoed, want het zal u niet doen barsten.~
90 19, 15| 15 Bestraf uw vriend, want dikwijls geschiedt er ijdele
91 20, 4 | Menigeen is er die zwijgt, want hij heeft niet te antwoorden,
92 20, 7 | boet vaardigheid bewijst? want zo zal hij de vrijwillige
93 20, 13| vanwege zijn behoeftigheid, want zijn ogen zien, om voor
94 20, 17| velen zullen hem bespotten! want hij heeft het bezit zijner
95 20, 20| dwazen zal verworpen worden, want hij spreekt die niet op
96 21, 2 | zonde gelijk voor een slang, want indien gij tot haar naakt,
97 22, 10| 10 Ween over een dode, want het licht heeft hem begeven.
98 22, 10| begeven. Beween ook een dwaas, want het verstand heeft hem begeven.~
99 22, 12| 12 Want het leven van een dwaas
100 22, 14| niet tot een onverstandige, want ongevoelig zijnde zal hij
101 22, 25| vriend, zo wanhoop niet, want daar is wederkering.~
102 22, 26| opengedaan hebt, zo vrees niet, want daar is verzoening, behalve
103 22, 26| bedriegelijke verwonding, want om deze dingen vliedt een
104 22, 28| zijn erfdeel moogt erven, want de geringe staat is niet
105 23, 9 | 9 Want gelijkerwijs een huisknecht,
106 23, 12| gerechtvaardigd worden, want zijn huis zal vervuld worden
107 23, 14| 14 Want al deze dingen zullen verre
108 23, 15| niet tot onmatig eedzweren, want daarin is schuld der zonde.~
109 23, 16| aan uw vader en moeder; want in het midden der groten
110 23, 30| 30 Want vooreerst is zij de wet
111 24, 23| 23 Want mijn gedachtenis is zoeter
112 24, 31| 31 Want meer dan de zee zijn haar
113 24, 36| 36 Want ik doe de onderwijzing jichten
114 24, 37| 37 Want ik giet lering uit gelijk
115 26, 28| die een goede vrouw heeft, want het getal zijner jaren zal
116 27, 7 | niemand eer hij spreekt, want hieraan worden de mensen
117 27, 19| 19 Want gelijkerwijs een mens zijn
118 27, 21| 21 Volg hem niet, want hij is verre van u weg,
119 27, 22| 22 Want een wond kan men verbinden,
120 28, 9 | zult de zonden verminderen, want een toornig mens ontsteekt
121 28, 14| en een tweetongig mens want zij hebben velen verdorven,
122 28, 23| 23 Want haar juk is een ijzeren
123 29, 18| voor u borg geworden is, want hij heeft zijn ziel voor
124 29, 28| het andere te vertrekken, want waar gij bij wonen zult,
125 30, 4 | hij niet gestorven ware, want hij heeft achter zich gelaten
126 30, 19| brandoffer de afgod nut? want hij eet niet, en hij riekt
127 30, 24| 24 Want de droefheid heeft er velen
128 31, 9 | zullen hem zalig prijzen; want hij heeft wonderlijke dingen
129 31, 28| Toon u geen man in de wijn, want de wijn heeft er velen in
130 31, 31| het aan wijn ontbreekt? Want hij is geschapen om de mensen
131 32, 4 | Spreek, gij die oud zijt, want dat betaamt u, doch met
132 32, 23| uzelf in alle goede werken, want ook dat is een onderhouding
133 33, 21| 21 Want het is beter dat de kinderen
134 33, 27| opdat hij niet ledig ga, want de ledigheid leert veel
135 33, 30| hem gelijk een broeder, want hij is gelijk uw ziel, gij
136 34, 7 | 7 Want de dromen hebben velen verleid,
137 34, 14| 14 Want hun hoop is op hem, die
138 34, 15| zal niet vervaard wezen, want hij is zijn hoop.~
139 35, 5 | 5 Want al deze dingen moet men
140 35, 11| 11 Want de Here is een vergelden,
141 35, 12| 12 Besnoei uw gave niet, want hij zou ze niet aannemen,
142 35, 13| 13 Want de Here is een rechter,
143 36, 5 | gelijkerwijs ook wij u kennen, want daar is geen God behalve
144 36, 28| 28 Want wie zal een toegeruste moordenaar
145 37, 9 | eerst wat zijn behoefte is, want hij zal zichzelf raad geven,
146 37, 14| de raadslag uws harten, want gij hebt niemand getrouwer
147 37, 15| 15 Want de ziel van de man pleegt
148 37, 22| 22 Want hem is door de Here die
149 37, 29| 29 Want alle dingen zijn allen niet
150 37, 31| 31 Want door veel spijs komt ziekte,
151 38, 1 | de eer die hem toekomt; want ook hem heeft de Here geschapen.~
152 38, 2 | 2 Want de genezing is van de Allerhoogste,
153 38, 12| 12 Want de Here heeft hem geschapen,
154 38, 12| en laat hem niet van u, want gij behoeft hem.~
155 38, 14| 14 Want ook zij zelf bidden de Here,
156 38, 19| 19 Want van droefheid komt de dood,
157 38, 22| 22 Vergeet dat niet, want vandaar is geen wederkomst,
158 38, 23| Gedenk aan mijn oordeel, want zo zal ook het uwe zijn;
159 39, 5 | vreemde volken doorreist hij, want hij heeft wat goed en kwaad
160 39, 16| hetgeen ik bedacht heb, want ik ben vervuld gelijk de
161 39, 20| niet zeggen: Wat is dit? want al deze dingen zullen op
162 39, 25| niet zeggen: Wat is dit? want alle dingen zijn tot hun
163 39, 39| zeggen: Dit is bozer dan dat, want alle dingen zullen op hun
164 40, 14| vele takken uitschieten, want de onreine wortelen liggen
165 41, 5 | en die na u komen zullen, want dit is het oordeel aan uw
166 41, 12| 12 Want indien gij vermenigvuldigt,
167 41, 15| goede naam te verkrijgen, want die zal u bijblijven meer
168 41, 20| ontzie voor, mijn woord, want het is niet goed in alle
169 42, 16| 16 Want van de klederen komt de
170 42, 23| 23 Want de Allerhoogste kent alle
171 43, 27| 27 Want daar zijn ongelofelijke
172 43, 30| zullen wij het vermogen? Want hij is groot boven al zijn
173 43, 33| toe; doch vermoeit u niet, want gij zult het niet bereiken.~
174 43, 36| 36 Want de Here heeft alle dingen
175 45, 26| toebereid in verzadiging; want zij eten de slachtoffers
176 45, 27| geen deel onder het volk, want hij zelf was het deel zijner
177 46, 4 | eer dan hij zo gestaan? want de oorlogen des Heren heeft
178 46, 8 | oorlog voor de Here was, want ook volgde hij de machtige
179 47, 6 | 6 Want hij riep de Allerhoogste
180 48, 12| 12 Want ook wij zullen zeker leven.~
181 48, 25| 25 Want Hiskia deed wat de Here
182 49, 6 | 6 Want zij hebben de wet des Allerhoogsten
183 49, 9 | 9 Want zij hebben hem kwalijk behandeld,
184 49, 11| 11 Want ook gedacht hij de vijanden
185 49, 13| Zerubbabel genoeg verheffen! want hij was gelijk een zegelring
186 49, 16| geweest op aarde als Henoch, want hij is opgenomen van de
187 50, 29| 29 Want indien hij ze doet, zal
188 51, 15| 15 Want gij hebt ons verlost uit
189 51, 24| 24 Want ik heb gedacht om haar in
|