Chapter, Verse
1 1, 5 | fontein der wijsheid, en haar wegen zijn eeuwige geboden.~
2 1, 6 | ontdekt geweest? en wie heeft haar kloeke werken gekend?~
3 1, 8 | 8 De Here zelf heeft haar geschapen, en heeft haar
4 1, 8 | haar geschapen, en heeft haar gezien en heeft haar geteld.~
5 1, 8 | heeft haar gezien en heeft haar geteld.~
6 1, 9 | 9 En heeft haar uitgegoten over al zijn
7 1, 9 | zijn gave, en hij verleent haar degenen die hem lief hebben.~
8 1, 15| zij maakt hen dronken van haar vruchten.~
9 1, 16| 16 Haar gehele huis vervult zij
10 1, 16| gehele huis vervult zij met haar wellustigheden, en haar
11 1, 16| haar wellustigheden, en haar schuren van haar gewas;~
12 1, 16| wellustigheden, en haar schuren van haar gewas;~
13 1, 19| heerlijkheid der genen, die haar vasthouden.~
14 1, 20| wijsheid is de Here vrezen, en haar takken zijn een lang leven.~
15 4, 12| 12 De wijsheid verhoogt haar eigen kinderen, en neemt
16 4, 12| en neemt degenen aan die haar zoeken.~
17 4, 13| 13 Wie haar liefheeft, die heeft het
18 4, 13| die zich vroeg opmaken tot haar, zullen met verheuging vervuld
19 4, 14| 14 Die haar vasthoudt zal eer beërven,
20 4, 15| 15 Die haar dienen, die zullen de heilige
21 4, 15| de heilige dienen, en die haar liefhebben, heeft de Here
22 4, 16| 16 Die haar gehoorzaam is, zal de volken
23 4, 16| volken richten; en die op haar acht neemt, zal zeker wonen.~
24 4, 17| 17 Indien hij haar vertrouwt, zo zal hij haar
25 4, 17| haar vertrouwt, zo zal hij haar beërven, en zijn nakomelingen
26 4, 19| en zal hem pijnigen met haar tuchtiging, totdat zij in
27 4, 19| hem verzocht hebben door haar rechten;~
28 4, 21| 21 En zal hem haar verborgen dingen openbaren.~
29 6, 4 | zal verderven degene die haar bezit, en zal maken dat
30 6, 4 | maken dat de vijanden over haar verblijd worden.~
31 6, 5 | zoete keel vermenigvuldigt haar vrienden, en een welsprekende
32 6, 19| 19 En verbeid haar goede vruchten.~
33 6, 20| 20 Want in haar werking zult gij wel een
34 6, 20| worden, en haast zult gij van haar gewas eten.~
35 6, 21| harteloze blijft niet bij haar.~
36 6, 22| en hij zal niet vertoeven haar weg te werpen.~
37 6, 23| Want de wijsheid is gelijk haar naam meebrengt, en is niet
38 6, 25| 25 En steek uw voeten in haar boeien, en uw hals in haar
39 6, 25| haar boeien, en uw hals in haar halsijzer.~
40 6, 26| 26 Leg uw schouder onder haar, en draag haar, en wordt
41 6, 26| schouder onder haar, en draag haar, en wordt harer banden geen
42 6, 27| 27 Ga tot haar met geheel uw ziel, en bewaar
43 6, 27| geheel uw ziel, en bewaar haar wegen met geheel uw kracht.~
44 6, 28| 28 Speur haar na en zoek haar, en zij
45 6, 28| 28 Speur haar na en zoek haar, en zij zal u bekend worden,
46 6, 28| bekend worden, en als gij haar machtig geworden zijt, zo
47 6, 28| machtig geworden zijt, zo laat haar niet van u.~
48 6, 29| Want ten laatste zult gij haar rust vinden, en zij zal
49 6, 30| 30 En haar boeien zullen u zijn tot
50 6, 30| een sterke bescherming, en haar halsijzers tot een heerlijke
51 6, 31| gulden versiersel is op haar, en haar banden zijn een
52 6, 31| versiersel is op haar, en haar banden zijn een hyacinten
53 6, 32| 32 Gij zult haar aantrekken als een heerlijke
54 6, 32| heerlijke tabberd en zult haar uzelf opzetten als een kroon
55 7, 19| wijze en goede vrouw, want haar aangenaamheid overtreft
56 7, 24| gij dochters, neem acht op haar lichaam en stel uw aangezicht
57 7, 24| aangezicht niet blijde tegen haar.~
58 7, 25| volbracht hebben; en geef haar aan een verstandig man.~
59 7, 26| vrouw naar uw hart, werp haar niet uit, en geef u zelf
60 9, 1 | vrouw van uw schoot, en leer haar tegen uzelf geen boze onderwijzing.~
61 9, 3 | gij niet te eniger tijd in haar strikken valt.~
62 9, 4 | eniger tijd gevangen wordt in haar handelingen.~
63 9, 5 | misschien geërgerd wordt in haar bestraffingen.~
64 9, 9 | en leg u niet neder met haar in de armen.~
65 9, 11| 11 En maak geen gelag met haar bij de wijn; dat niet te
66 9, 11| eniger tijd uw ziel tot haar neigt, en gij met uw geest
67 10, 4 | zal te zijner tijd over haar verwekken een, die nuttig
68 10, 31| zachtmoedigheid, en geeft haar eer naar haar waardigheid.~
69 10, 31| en geeft haar eer naar haar waardigheid.~
70 11, 3 | vliegende gedierten, en haar vrucht is het voornaamste
71 14, 22| hart bezint, die zal ook in haar verborgenheden verstandig
72 14, 22| verstandig worden; ga uit achter haar gelijk een naspeurder, en
73 14, 22| een naspeurder, en loer op haar wegen.~
74 14, 23| 23 Wie door haar vensters heenziet, en bij
75 14, 23| vensters heenziet, en bij haar deuren toehoort,~
76 14, 24| 24 Wie nabij haar huis herberg neemt en in
77 14, 24| huis herberg neemt en in haar muren zijn paal slaat, zijn
78 14, 24| slaat, zijn tabernakel naar haar hand stelt,~
79 14, 25| zijn kinderen stellen onder haar bescherming, en onder haar
80 14, 25| haar bescherming, en onder haar takken zal hij overnachten.~
81 14, 26| 26 Hij zal van haar beschermd worden voor de
82 14, 26| worden voor de hitte, en in haar heerlijkheid zal hij herberg
83 15, 1 | wet verkregen heeft zal haar vinden.~
84 15, 4 | 4 Hij zal op haar gevestigd worden, en zal
85 15, 4 | wankelen, en hij zal zich aan haar houden, en niet beschaamd
86 15, 7 | Onverstandige mensen zullen haar niet begrijpen.~
87 15, 8 | 8 Zondaars zullen haar geenszins zien; zij is verre
88 15, 8 | leugenaars gedenken aan haar gans niet.~
89 18, 31| zielen toereikt de lust van haar welbehagen, zo zult gij
90 18, 32| en wees niet begerig naar haar raad.~
91 19, 4 | 4 Wie haar licht vertrouwt die is lichtvaardig
92 21, 2 | slang, want indien gij tot haar naakt, zo zal zij u steken.~
93 21, 3 | 3 Haar tanden zijn leeuwentanden,
94 21, 4 | geen genezing is er voor haar wonde.~
95 21, 10| bijeen vergaderd is, en haar voleinding is een vlam vuurs
96 22, 4 | dochter zal erfgenaam zijn van haar man, maar een die beschaamd
97 22, 4 | tot droefheid desgenen die haar gegenereerd heeft.~
98 23, 29| Desgelijks ook een vrouw, die haar man verlaat, en een erve
99 23, 30| kwalijk gehandeld jegens haar man, en ten derde heeft
100 23, 31| uitgestoten worden, en over haar kinderen zal onderzoeking
101 23, 32| 32 Haar zonen zullen geen wortel
102 23, 32| uitspreiden, en de takken van haar zullen geen vrucht dragen.~
103 23, 33| 33 Haar gedachtenis zal zij tot
104 23, 33| vervloeking nalaten, en haar versmaadheid zal niet uitgewist
105 24, 1 | zichzelf, en in het midden van haar volk beroemt zij zich.~
106 24, 2 | 2 Zij doet haar mond open in de gemeente
107 24, 30| 30 De eerste heeft haar niet volkomen gekend, en
108 24, 30| en zo heeft de laatste haar niet uitgespeurd.~
109 24, 31| Want meer dan de zee zijn haar gedachten vermenigvuldigd,
110 24, 31| gedachten vermenigvuldigd, en haar raad dan een grote afgrond.~
111 25, 21| van een vrouw verandert haar aangezicht, en verdonkert
112 25, 21| aangezicht, en verdonkert haar aangezicht, dat zij ziet
113 25, 22| midden van zijn naasten zal haar man aanzitten en zal ongaarne
114 25, 23| het lot des zondaars valle haar toe.~
115 25, 26| bij een vrouw, indien zij haar man toereikt dat hij van
116 25, 28| 28 Welke haar man niet troost in zijn
117 25, 31| niet naar uw hand, zo snijd haar af van uw vlees, geef een
118 25, 31| een scheidbrief en laat haar gaan.~ ~
119 26, 2 | Een kloeke vrouw verheugt haar man, en vervult de jaren
120 26, 9 | veroorzaakt grote toorn, en kan haar schande niet bedekken.~
121 26, 10| verheffingen der ogen en aan haar wenkbrauwen.~
122 26, 12| 12 Neem acht op haar onbeschaamd oog, en verwonder
123 26, 14| bevalligheid der vrouw vermaakt haar man, en haar wetenschap
124 26, 14| vrouw vermaakt haar man, en haar wetenschap maakt zijn benen
125 26, 16| zulk gewicht dat waardig is haar kuise ziel.~
126 26, 17| vrouw in het sieraad van haar huis.~
127 26, 18| is ook de schoonheid van haar aangezicht in de staande
128 26, 19| voetstukken, zo zijn ook haar schone voeten aan een vaste
129 26, 23| geacht worden, degenen die haar gebruiken.~
130 26, 25| schandelijke vrouw wrijft haar man oneer aan; maar een
131 26, 27| 27 Een vrouw, die haar eigen man eert, zal door
132 27, 9 | komt weder tot degenen, die haar betrachten.~
133 28, 17| vrouwen verdreven, en heeft haar beroofd van haar arbeid.~
134 28, 17| en heeft haar beroofd van haar arbeid.~
135 28, 18| 18 Wie naar haar luistert, die zal geen rust
136 28, 21| 21 Zalig is bij die voor haar beschermd is, die door haar
137 28, 21| haar beschermd is, die door haar gramschap niet is gegaan;~
138 28, 22| 22 Die haar juk niet getrokken heeft,
139 28, 22| getrokken heeft, en met haar banden niet is gebonden
140 28, 23| 23 Want haar juk is een ijzeren juk,
141 28, 23| juk is een ijzeren juk, en haar banden zijn metalen banden.~
142 28, 24| 24 Haar dood is een boze dood, en
143 28, 25| geen macht hebben, en door haar vlam zullen zij niet verbranden.~
144 28, 26| Here verlaten, zullen in haar vallen en in hen zal zij
145 35, 15| noch de weduwe indien zij haar klaag rede tot hem uitstort.~
146 35, 16| weduwe af op de wang? en haar geschrei tegen hem, die
147 36, 25| 25 Is dan op haar tong barmhartigheid, en
148 36, 25| heid, en genezing, zo is haar man niet gelijk andere mensenkinderen.~
149 37, 28| gij leeft, en zie wat voor haar schadelijk is, en geef het
150 37, 28| schadelijk is, en geef het haar niet.~
151 40, 22| tijd, maar een vrouw met haar man meer dan beide.~
152 41, 27| dienstmaagd, stelt u niet bij haar bed.~
153 42, 11| 11 Een dochter is haar vader een heimelijk waken,
154 42, 11| waken, en zijn zorg voor haar beneemt de slaap.~
155 42, 12| 12 En in haar jeugd vreest hij dat zij
156 42, 19| ziet op alle dingen, en haar werk is vol van de heerlijkheid
157 43, 2 | 2 De zon wanneer men haar aanschouwt, verkondigt God
158 43, 2 | aanschouwt, verkondigt God in haar opgang; zij is een wonderlijk
159 43, 3 | het land, en wie zal tegen haar hitte bestaan?~
160 43, 4 | en met het glinsteren van haar stralen de ogen verduistert.~
161 43, 5 | ze gemaakt heeft, en die haar loop door woorden heeft
162 43, 6 | gemaakt, dat zij staan zou in haar tijd, tot een aanwijzing
163 43, 8 | 8 De maand heeft haar naam naar haar; wassende
164 43, 8 | maand heeft haar naam naar haar; wassende is zij wonderbaar
165 43, 8 | wassende is zij wonderbaar in haar verandering.~
166 43, 11| worden niet verhinderd in haar wacht.~
167 43, 20| verwonderd over de schoonheid van haar witheid, en het hart wordt
168 43, 20| hart wordt ontsteld over haar regen.~
169 47, 21| En zijt met uw lichaam in haar macht gekomen.~
170 49, 8 | heilige stad verbrand, en haar wegen woest gemaakt door
171 50, 6 | de maan als zij vol is op haar tijd, en gelijk de regen
172 51, 18| Voor de tempel heb ik om haar gebeden, en tot het uiterste
173 51, 18| het uiterste toe zal ik haar naarstig zoeken.~
174 51, 19| 19 Mijn hart is in haar verheugd geweest, gelijk
175 51, 20| van mijn jeugd af heb ik haar nagespeurd.~
176 51, 21| een weinig geneigd, en heb haar aangenomen;~
177 51, 22| onderwijzing gevonden, ik ben door haar toegenomen.~
178 51, 24| 24 Want ik heb gedacht om haar in het werk te stellen,
179 51, 25| 25 Mijn ziel heeft om haar zeer gestreden, en in mij
180 51, 25| verwekt hebbende, heb ik haar naarstig doorzocht.~
181 51, 26| en mijn onwetendheden van haar bemerkt.~
182 51, 27| 27 Ik heb mijn ziel naar haar gericht, en in reiniging
183 51, 27| en in reiniging heb ik haar gevonden.~
184 51, 28| heb van het begin af tot haar een hart gekregen, daarom
185 51, 29| is ontroerd geworden om haar te zoeken, daarom heb ik
186 51, 36| en veel goud zult gij in haar bezitten.~
|