Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
gruwelijke 2
gulden 4
gunst 3
haar 186
haard 1
haars 1
haast 5
Frequency    [«  »]
217 des
215 met
189 want
186 haar
183 gelijk
172 tot
170 dat

Het boek Ecclesiasticus

IntraText - Concordances

haar

    Chapter, Verse
1 1, 5 | fontein der wijsheid, en haar wegen zijn eeuwige geboden.~ 2 1, 6 | ontdekt geweest? en wie heeft haar kloeke werken gekend?~ 3 1, 8 | 8 De Here zelf heeft haar geschapen, en heeft haar 4 1, 8 | haar geschapen, en heeft haar gezien en heeft haar geteld.~ 5 1, 8 | heeft haar gezien en heeft haar geteld.~ 6 1, 9 | 9 En heeft haar uitgegoten over al zijn 7 1, 9 | zijn gave, en hij verleent haar degenen die hem lief hebben.~ 8 1, 15| zij maakt hen dronken van haar vruchten.~ 9 1, 16| 16 Haar gehele huis vervult zij 10 1, 16| gehele huis vervult zij met haar wellustigheden, en haar 11 1, 16| haar wellustigheden, en haar schuren van haar gewas;~ 12 1, 16| wellustigheden, en haar schuren van haar gewas;~ 13 1, 19| heerlijkheid der genen, die haar vasthouden.~ 14 1, 20| wijsheid is de Here vrezen, en haar takken zijn een lang leven.~ 15 4, 12| 12 De wijsheid verhoogt haar eigen kinderen, en neemt 16 4, 12| en neemt degenen aan die haar zoeken.~ 17 4, 13| 13 Wie haar liefheeft, die heeft het 18 4, 13| die zich vroeg opmaken tot haar, zullen met verheuging vervuld 19 4, 14| 14 Die haar vasthoudt zal eer beërven, 20 4, 15| 15 Die haar dienen, die zullen de heilige 21 4, 15| de heilige dienen, en die haar liefhebben, heeft de Here 22 4, 16| 16 Die haar gehoorzaam is, zal de volken 23 4, 16| volken richten; en die op haar acht neemt, zal zeker wonen.~ 24 4, 17| 17 Indien hij haar vertrouwt, zo zal hij haar 25 4, 17| haar vertrouwt, zo zal hij haar beërven, en zijn nakomelingen 26 4, 19| en zal hem pijnigen met haar tuchtiging, totdat zij in 27 4, 19| hem verzocht hebben door haar rechten;~ 28 4, 21| 21 En zal hem haar verborgen dingen openbaren.~ 29 6, 4 | zal verderven degene die haar bezit, en zal maken dat 30 6, 4 | maken dat de vijanden over haar verblijd worden.~ 31 6, 5 | zoete keel vermenigvuldigt haar vrienden, en een welsprekende 32 6, 19| 19 En verbeid haar goede vruchten.~ 33 6, 20| 20 Want in haar werking zult gij wel een 34 6, 20| worden, en haast zult gij van haar gewas eten.~ 35 6, 21| harteloze blijft niet bij haar.~ 36 6, 22| en hij zal niet vertoeven haar weg te werpen.~ 37 6, 23| Want de wijsheid is gelijk haar naam meebrengt, en is niet 38 6, 25| 25 En steek uw voeten in haar boeien, en uw hals in haar 39 6, 25| haar boeien, en uw hals in haar halsijzer.~ 40 6, 26| 26 Leg uw schouder onder haar, en draag haar, en wordt 41 6, 26| schouder onder haar, en draag haar, en wordt harer banden geen 42 6, 27| 27 Ga tot haar met geheel uw ziel, en bewaar 43 6, 27| geheel uw ziel, en bewaar haar wegen met geheel uw kracht.~ 44 6, 28| 28 Speur haar na en zoek haar, en zij 45 6, 28| 28 Speur haar na en zoek haar, en zij zal u bekend worden, 46 6, 28| bekend worden, en als gij haar machtig geworden zijt, zo 47 6, 28| machtig geworden zijt, zo laat haar niet van u.~ 48 6, 29| Want ten laatste zult gij haar rust vinden, en zij zal 49 6, 30| 30 En haar boeien zullen u zijn tot 50 6, 30| een sterke bescherming, en haar halsijzers tot een heerlijke 51 6, 31| gulden versiersel is op haar, en haar banden zijn een 52 6, 31| versiersel is op haar, en haar banden zijn een hyacinten 53 6, 32| 32 Gij zult haar aantrekken als een heerlijke 54 6, 32| heerlijke tabberd en zult haar uzelf opzetten als een kroon 55 7, 19| wijze en goede vrouw, want haar aangenaamheid overtreft 56 7, 24| gij dochters, neem acht op haar lichaam en stel uw aangezicht 57 7, 24| aangezicht niet blijde tegen haar.~ 58 7, 25| volbracht hebben; en geef haar aan een verstandig man.~ 59 7, 26| vrouw naar uw hart, werp haar niet uit, en geef u zelf 60 9, 1 | vrouw van uw schoot, en leer haar tegen uzelf geen boze onderwijzing.~ 61 9, 3 | gij niet te eniger tijd in haar strikken valt.~ 62 9, 4 | eniger tijd gevangen wordt in haar handelingen.~ 63 9, 5 | misschien geërgerd wordt in haar bestraffingen.~ 64 9, 9 | en leg u niet neder met haar in de armen.~ 65 9, 11| 11 En maak geen gelag met haar bij de wijn; dat niet te 66 9, 11| eniger tijd uw ziel tot haar neigt, en gij met uw geest 67 10, 4 | zal te zijner tijd over haar verwekken een, die nuttig 68 10, 31| zachtmoedigheid, en geeft haar eer naar haar waardigheid.~ 69 10, 31| en geeft haar eer naar haar waardigheid.~ 70 11, 3 | vliegende gedierten, en haar vrucht is het voornaamste 71 14, 22| hart bezint, die zal ook in haar verborgenheden verstandig 72 14, 22| verstandig worden; ga uit achter haar gelijk een naspeurder, en 73 14, 22| een naspeurder, en loer op haar wegen.~ 74 14, 23| 23 Wie door haar vensters heenziet, en bij 75 14, 23| vensters heenziet, en bij haar deuren toehoort,~ 76 14, 24| 24 Wie nabij haar huis herberg neemt en in 77 14, 24| huis herberg neemt en in haar muren zijn paal slaat, zijn 78 14, 24| slaat, zijn tabernakel naar haar hand stelt,~ 79 14, 25| zijn kinderen stellen onder haar bescherming, en onder haar 80 14, 25| haar bescherming, en onder haar takken zal hij overnachten.~ 81 14, 26| 26 Hij zal van haar beschermd worden voor de 82 14, 26| worden voor de hitte, en in haar heerlijkheid zal hij herberg 83 15, 1 | wet verkregen heeft zal haar vinden.~ 84 15, 4 | 4 Hij zal op haar gevestigd worden, en zal 85 15, 4 | wankelen, en hij zal zich aan haar houden, en niet beschaamd 86 15, 7 | Onverstandige mensen zullen haar niet begrijpen.~ 87 15, 8 | 8 Zondaars zullen haar geenszins zien; zij is verre 88 15, 8 | leugenaars gedenken aan haar gans niet.~ 89 18, 31| zielen toereikt de lust van haar welbehagen, zo zult gij 90 18, 32| en wees niet begerig naar haar raad.~ 91 19, 4 | 4 Wie haar licht vertrouwt die is lichtvaardig 92 21, 2 | slang, want indien gij tot haar naakt, zo zal zij u steken.~ 93 21, 3 | 3 Haar tanden zijn leeuwentanden, 94 21, 4 | geen genezing is er voor haar wonde.~ 95 21, 10| bijeen vergaderd is, en haar voleinding is een vlam vuurs 96 22, 4 | dochter zal erfgenaam zijn van haar man, maar een die beschaamd 97 22, 4 | tot droefheid desgenen die haar gegenereerd heeft.~ 98 23, 29| Desgelijks ook een vrouw, die haar man verlaat, en een erve 99 23, 30| kwalijk gehandeld jegens haar man, en ten derde heeft 100 23, 31| uitgestoten worden, en over haar kinderen zal onderzoeking 101 23, 32| 32 Haar zonen zullen geen wortel 102 23, 32| uitspreiden, en de takken van haar zullen geen vrucht dragen.~ 103 23, 33| 33 Haar gedachtenis zal zij tot 104 23, 33| vervloeking nalaten, en haar versmaadheid zal niet uitgewist 105 24, 1 | zichzelf, en in het midden van haar volk beroemt zij zich.~ 106 24, 2 | 2 Zij doet haar mond open in de gemeente 107 24, 30| 30 De eerste heeft haar niet volkomen gekend, en 108 24, 30| en zo heeft de laatste haar niet uitgespeurd.~ 109 24, 31| Want meer dan de zee zijn haar gedachten vermenigvuldigd, 110 24, 31| gedachten vermenigvuldigd, en haar raad dan een grote afgrond.~ 111 25, 21| van een vrouw verandert haar aangezicht, en verdonkert 112 25, 21| aangezicht, en verdonkert haar aangezicht, dat zij ziet 113 25, 22| midden van zijn naasten zal haar man aanzitten en zal ongaarne 114 25, 23| het lot des zondaars valle haar toe.~ 115 25, 26| bij een vrouw, indien zij haar man toereikt dat hij van 116 25, 28| 28 Welke haar man niet troost in zijn 117 25, 31| niet naar uw hand, zo snijd haar af van uw vlees, geef een 118 25, 31| een scheidbrief en laat haar gaan.~ ~ 119 26, 2 | Een kloeke vrouw verheugt haar man, en vervult de jaren 120 26, 9 | veroorzaakt grote toorn, en kan haar schande niet bedekken.~ 121 26, 10| verheffingen der ogen en aan haar wenkbrauwen.~ 122 26, 12| 12 Neem acht op haar onbeschaamd oog, en verwonder 123 26, 14| bevalligheid der vrouw vermaakt haar man, en haar wetenschap 124 26, 14| vrouw vermaakt haar man, en haar wetenschap maakt zijn benen 125 26, 16| zulk gewicht dat waardig is haar kuise ziel.~ 126 26, 17| vrouw in het sieraad van haar huis.~ 127 26, 18| is ook de schoonheid van haar aangezicht in de staande 128 26, 19| voetstukken, zo zijn ook haar schone voeten aan een vaste 129 26, 23| geacht worden, degenen die haar gebruiken.~ 130 26, 25| schandelijke vrouw wrijft haar man oneer aan; maar een 131 26, 27| 27 Een vrouw, die haar eigen man eert, zal door 132 27, 9 | komt weder tot degenen, die haar betrachten.~ 133 28, 17| vrouwen verdreven, en heeft haar beroofd van haar arbeid.~ 134 28, 17| en heeft haar beroofd van haar arbeid.~ 135 28, 18| 18 Wie naar haar luistert, die zal geen rust 136 28, 21| 21 Zalig is bij die voor haar beschermd is, die door haar 137 28, 21| haar beschermd is, die door haar gramschap niet is gegaan;~ 138 28, 22| 22 Die haar juk niet getrokken heeft, 139 28, 22| getrokken heeft, en met haar banden niet is gebonden 140 28, 23| 23 Want haar juk is een ijzeren juk, 141 28, 23| juk is een ijzeren juk, en haar banden zijn metalen banden.~ 142 28, 24| 24 Haar dood is een boze dood, en 143 28, 25| geen macht hebben, en door haar vlam zullen zij niet verbranden.~ 144 28, 26| Here verlaten, zullen in haar vallen en in hen zal zij 145 35, 15| noch de weduwe indien zij haar klaag rede tot hem uitstort.~ 146 35, 16| weduwe af op de wang? en haar geschrei tegen hem, die 147 36, 25| 25 Is dan op haar tong barmhartigheid, en 148 36, 25| heid, en genezing, zo is haar man niet gelijk andere mensenkinderen.~ 149 37, 28| gij leeft, en zie wat voor haar schadelijk is, en geef het 150 37, 28| schadelijk is, en geef het haar niet.~ 151 40, 22| tijd, maar een vrouw met haar man meer dan beide.~ 152 41, 27| dienstmaagd, stelt u niet bij haar bed.~ 153 42, 11| 11 Een dochter is haar vader een heimelijk waken, 154 42, 11| waken, en zijn zorg voor haar beneemt de slaap.~ 155 42, 12| 12 En in haar jeugd vreest hij dat zij 156 42, 19| ziet op alle dingen, en haar werk is vol van de heerlijkheid 157 43, 2 | 2 De zon wanneer men haar aanschouwt, verkondigt God 158 43, 2 | aanschouwt, verkondigt God in haar opgang; zij is een wonderlijk 159 43, 3 | het land, en wie zal tegen haar hitte bestaan?~ 160 43, 4 | en met het glinsteren van haar stralen de ogen verduistert.~ 161 43, 5 | ze gemaakt heeft, en die haar loop door woorden heeft 162 43, 6 | gemaakt, dat zij staan zou in haar tijd, tot een aanwijzing 163 43, 8 | 8 De maand heeft haar naam naar haar; wassende 164 43, 8 | maand heeft haar naam naar haar; wassende is zij wonderbaar 165 43, 8 | wassende is zij wonderbaar in haar verandering.~ 166 43, 11| worden niet verhinderd in haar wacht.~ 167 43, 20| verwonderd over de schoonheid van haar witheid, en het hart wordt 168 43, 20| hart wordt ontsteld over haar regen.~ 169 47, 21| En zijt met uw lichaam in haar macht gekomen.~ 170 49, 8 | heilige stad verbrand, en haar wegen woest gemaakt door 171 50, 6 | de maan als zij vol is op haar tijd, en gelijk de regen 172 51, 18| Voor de tempel heb ik om haar gebeden, en tot het uiterste 173 51, 18| het uiterste toe zal ik haar naarstig zoeken.~ 174 51, 19| 19 Mijn hart is in haar verheugd geweest, gelijk 175 51, 20| van mijn jeugd af heb ik haar nagespeurd.~ 176 51, 21| een weinig geneigd, en heb haar aangenomen;~ 177 51, 22| onderwijzing gevonden, ik ben door haar toegenomen.~ 178 51, 24| 24 Want ik heb gedacht om haar in het werk te stellen, 179 51, 25| 25 Mijn ziel heeft om haar zeer gestreden, en in mij 180 51, 25| verwekt hebbende, heb ik haar naarstig doorzocht.~ 181 51, 26| en mijn onwetendheden van haar bemerkt.~ 182 51, 27| 27 Ik heb mijn ziel naar haar gericht, en in reiniging 183 51, 27| en in reiniging heb ik haar gevonden.~ 184 51, 28| heb van het begin af tot haar een hart gekregen, daarom 185 51, 29| is ontroerd geworden om haar te zoeken, daarom heb ik 186 51, 36| en veel goud zult gij in haar bezitten.~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License